Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 20-04-2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:1769, 200.201.636_01

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 20-04-2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:1769, 200.201.636_01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20 april 2017
Datum publicatie
24 mei 2017
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2017:1769
Formele relaties
Zaaknummer
200.201.636_01

Inhoudsindicatie

ontvankelijkheid

Uitspraak

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 20 april 2017

Zaaknummer: 200.201.636/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/211334 / JE RK 15-2216

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te

[woonplaats 1] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. A. Houtman,

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de GI.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[belanghebbende] , hierna te noemen: de moeder.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikkingen van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond van 30 oktober 2015 en 13 juli 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 oktober 2016, heeft de vader verzocht voormelde beschikkingen te vernietigen en - opnieuw rechtdoende - het verzoek van de GI in prima alsnog terstond af te wijzen, dan wel een nieuw deskundigenonderzoek te gelasten en daarna tot afwijzing van het verzoek van de GI over te gaan. Blijkens de inhoud van het beroepschrift, waarin de hieronder genoemde verwijzing naar de hieronder genoemde zaak is opgenomen, beroept de vader zich onder meer op onbevoegdheid van de rechtbank Limburg.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 december 2016, heeft de GI verzocht het door de vader ingestelde beroep niet ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 maart 2017. Het hof had de partijen en belanghebbenden bij brief van 31 januari 2017 bericht dat gedurende deze mondelinge behandeling enkel de bevoegdheid van de rechtbank aan de orde zal zijn.

Gelet op de onderlinge samenhang van de zaken, heeft het hof de zaak gelijktijdig behandeld met de zaak met zaaknummer 200.201.624/01.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

-

de vader, bijgestaan door mr. Houtman;

-

de moeder, bijgestaan door mr. Smits;

-

de heer [vertegenwoordiger van de raad] , namens de raad.

2.4.

De GI is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

3 De beoordeling

3.1.

Bij de bestreden beschikking van 30 oktober 2015 heeft de rechtbank de eerder bij vonnis van 29 april 2015 bepaalde omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2013 (hierna: [minderjarige] ) gewijzigd en voorlopig bepaald dat er geen omgang istussen de vader en [minderjarige] , tenzij de vader zou instemmen met begeleide omgang, die dan ter nadere invulling door de GI zou plaatsvinden, enkel en alleen indien de GI dit in het belang van [minderjarige] zou achten. Voorts heeft de rechtbank de raad verzocht onderzoek te doen naar de mogelijkheden van een zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader (en de moeder) en hierover verslag te doen aan de rechtbank. Iedere verdere beslissing is aangehouden. Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 13 juli 2016 heeft de rechtbank bepaald dat er geen omgangsregeling zal zijn tussen de vader en [minderjarige] .

3.2.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. De vader verzoekt al hetgeen hij in het beroepschrift in de zaak met zaaknummer 200.201.624/01 heeft aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen.

Uit de stukken, meer in het bijzonder het verzoekschrift van de moeder zelf, blijkt volgens de vader dat de moeder niet meer woonachtig was en is binnen het arrondissement Limburg, maar hier enkel nog stond ingeschreven. De moeder is reeds in oktober 2015 uit de betreffende woning vertrokken, hetgeen ook blijkt uit de rapportage van de raad.

Op grond van artikel 1:12 van het Burgerlijke Wetboek (hierna: BW) volgt de minderjarige de woonplaats van de moeder. Een GBA-inschrijving is een indicatie voor de woonplaats, doch er dient te worden vastgesteld waar iemand daadwerkelijk woont en aldus zijn centrum van belangen heeft. De inschrijving is enkel om administratieve redenen gehandhaafd, terwijl het centrum van belangen van de moeder en de dochter zich in [woonplaats 2] bevond en bevindt. Zo heeft er een ziekenhuisopname van [minderjarige] in [plaats] plaatsgevonden. De rechtbank Rotterdam was derhalve bevoegd van het verzoek van de moeder kennis te nemen.

In eerste aanleg was de vader zelf er niet mee bekend dat de verhuizing van de moeder consequenties kon hebben voor de bevoegdheid van de rechtbank en de vorige advocaat van de vader heeft er geen punt van gemaakt. Nu partijen zich niet uitdrukkelijk akkoord hebben verklaard met een behandeling door de rechtbank Limburg, had een verwijzing moeten plaatsvinden.

3.3.

Naar de stellingen van de moeder was de rechtbank Limburg bevoegd van het onderhavige geschil kennis te nemen. De GBA-inschrijving dient als uitgangspunt te worden genomen. De moeder verbleef in een veiligheidshuis op een niet bekend te maken adres. Zij werd opgevangen door de William Schrikker Stichting en had geen echte verblijfplaats en ook geen vaste woonplaats.

3.4.

De raad refereert zich inzake de bevoegheidskwestie aan het oordeel van het hof.

3.5.

Het hof overweegt aangaande de bevoegdheid het volgende.

3.5.1.

Ingevolge artikel 265 Rv is in zaken betreffende minderjarigen de rechter van de woonplaats van de minderjarige bevoegd.

Ingevolge artikel 1:10 BW bevindt de woonplaats van een natuurlijk persoon zich te zijner woonstede en bij gebreke daarvan ter plaatse van zijn werkelijk verblijf. Ingevolge artikel 1:12 BW volgt de minderjarige de woonplaats van de ouder bij wie de minderjarige feitelijk verblijft, indien er sprake is van gezamenlijk gezag, doch de ouders niet dezelfde woonplaats hebben.

3.5.2.

Niet ter discussie staat dat [minderjarige] feitelijk bij de moeder verblijft, dat de moeder in elk geval omstreeks medio/eind oktober 2015 reeds feitelijk uit haar woning te [woonplaats 1] was vertrokken en dat dit adres toen nog enkel als GBA-adres fungeerde.

3.5.3.

De relatieve bevoegdheid van de rechtbank wordt beoordeeld naar het tijdstip van het aanhangig maken van de zaak. Het inleidend verzoekschrift in deze procedure, zoals ingediend door de GI op 22 september 2015, is op 23 september 2015 door de rechtbank ontvangen. De moeder heeft ter zitting in hoger beroep uitdrukkelijk verklaard dat zij ten tijde van het indienen van het inleidend verzoekschrift nog in [woonplaats 1] woonachtig was, hetgeen ook wordt ondersteund door de inhoud van het gewijzigde verzoekschrift van de GI in eerste aanleg van 22 oktober 2015, waaruit volgt dat de oudste twee kinderen van de moeder op 26 september 2016 nog op een kennelijk lokale school stonden ingeschreven. De vader heeft geen concrete aanwijzingen gesteld op grond waarvan zou kunnen worden vastgesteld dat de moeder toen toch reeds uit de met het GBA-adres corresponderende woning in [woonplaats 1] was vertrokken. Het beroep van de vader op de (on)bevoegdheid van de rechtbank faalt.

3.6.

Het bovenstaande leidt ertoe dat de rechtbank Limburg bevoegd wordt geacht. Het hof acht zich derhalve eveneens bevoegd om van onderhavige zaak kennis te nemen, zodat de zaak bij het hof aanhangig blijft. Het hof zal een nadere mondelinge behandeling bepalen teneinde deze zaak inhoudelijk te behandelen.

3.7.

Het hof zal dienovereenkomstig beslissen.

4 De beslissing