Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12-04-2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1543, 200.211.218_01
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12-04-2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1543, 200.211.218_01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 12 april 2018
- Datum publicatie
- 13 april 2018
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2018:1543
- Zaaknummer
- 200.211.218_01
- Relevante informatie
- Burgerlijk Wetboek Boek 1 [Tekst geldig vanaf 01-01-2024] art. 247
Inhoudsindicatie
Hoofdverblijf;
Zorgregeling;
Kinderalimentatie;
Onderhoudsplicht geen belemmering voor ouderschapsverlof en daarmee gepaard gaande teruggang in inkomen gelet op artikel 1:247 lid 4 BW en het feit dat partijen een co-ouderschapsregeling hebben.
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer : 200.211.218/01
zaaknummer rechtbank : C/01/304069 / FA RK 16-484
beschikking van de meervoudige kamer van 12 april 2018
inzake
[appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. B.L.A. Ruijs te Oss,
tegen
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. M.A. Stoffijn te 's-Hertogenbosch.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.
1 Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 9 december 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2 Het geding in hoger beroep
De vrouw is bij beroepschrift met producties, ter griffie ingekomen op 7 maart 2017, in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 9 december 2016.
De man heeft op 19 april 2017 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel hoger beroep, met producties ingediend.
De vrouw heeft op 1 juni 2017 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep met producties ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 17 maart 2017 met bijlagen, ingekomen op 20 maart 2017;
- een journaalbericht van de zijde van de man van 8 februari 2018 met bijlagen, ingekomen op 9 februari 2018;
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 9 februari 2018 met bijlagen, ingekomen op 9 februari 2018.
De mondelinge behandeling heeft op 22 februari 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad was mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] aanwezig.
3 De feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op 19 november 2007 te Vught.
Partijen zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 1] );
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 2] ).
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.
Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 24 maart 2016 zijn voorlopige voorzieningen tussen partijen getroffen.