Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 05-02-2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:421, 20-001620-16

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 05-02-2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:421, 20-001620-16

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
5 februari 2018
Datum publicatie
5 februari 2018
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2018:421
Formele relaties
Zaaknummer
20-001620-16

Inhoudsindicatie

Het hof legt twintig jaar gevangenisstraf op aan ontkennende verdachte voor moord op zijn vriendin en moeder van zijn kinderen. Het hof houdt de verdachte aan de nadien bestreden bekentenissen tegenover verbalisanten tijdens undercover-actie. Verweren met betrekking tot (onder meer) de rechtmatigheid van die actie worden verworpen.

Schadevergoeding (gederfd levensonderhoud) ten behoeve van de kinderen van het slachtoffer en de verdachte.

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 20-001620-16

Uitspraak: 5 februari 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-

West-Brabant van 23 mei 2016 in de strafzaak met het parketnummer 02-811856-10 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

thans verblijvende in PI Zuid West - De Dordtse Poorten te Dordrecht.

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis heeft de rechtbank bewezen verklaard dat de verdachte op

19 december 2010 zijn toenmalige partner [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachte raad van het leven heeft beroofd. De rechtbank heeft de verdachte daarvoor veroordeeld

tot een gevangenisstraf van achttien (18) jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering tot schadevergoeding van de stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, de wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 4] , toegewezen en ten behoeve van die stichting tevens de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Ten slotte heeft de rechtbank de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] in hun vorderingen tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard.

De verdachte heeft tegen het vonnis van de rechtbank hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, mr. M.J.M. de Vries, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. J-H.L.C.M. Kuijpers, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

Het hof heeft ook kennisgenomen van de door [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , de vader respectievelijk de zus van [slachtoffer] , als haar nabestaanden uitgesproken verklaringen.

Voorts heeft het hof kennisgenomen van hetgeen door mr. J.L.G. Gerrits, advocaat te Waalwijk, naar voren is gebracht ter toelichting op de door de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] ingediende vorderingen tot schadevergoeding, alsmede van hetgeen mr. T.L.C. Bueters, advocaat te Wijchen, naar voren heeft gebracht met betrekking tot de vorderingen tot schadevergoeding die zijn ingediend namens de benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 4] , de minderjarige kinderen van [slachtoffer] en de verdachte.

Namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] heeft mr. Gerrits gevorderd dat het hof hun vorderingen tot schadevergoeding ten bedrage van € 12.761,00, respectievelijk € 12.500,00, alsnog zal toewijzen en de verdachte tevens zal veroordelen

in de door de benadeelde partijen gemaakte kosten van rechtsbijstand tot een totaalbedrag van € 30.326,47.

Mr. Gerrits heeft voorts verzocht dat het hof, voor zover mogelijk, telkens de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen ten behoeve van beide benadeelde partijen.

Mr. T.J.C. Bueters, advocaat van de stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, de wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 4] , heeft in hoger beroep gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot betaling van een bedrag van

€ 266.991,75, waarvan een bedrag, groot € 264.171,24, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2016. Mr. Bueters heeft voorts verzocht de verdachte te veroordelen

in de kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg en in hoger beroep. Ten slotte heeft

mr. Bueters het hof verzocht voor zover mogelijk de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen voor wat betreft de bewezenverklaring van het ten laste gelegde en de opgelegde straf en de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] .

Met betrekking tot de vordering van de wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 4] heeft de advocaat-generaal gevorderd dat deze in hoofdsom

wordt toegewezen tot het in eerste aanleg gevorderde bedrag van € 264.171,24, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en te vermeerderen voorts met een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg en in hoger beroep. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat de wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 4] niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering ter zake van de in de fase van het hoger beroep gemaakte buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 2.820,51.

Ten slotte heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof ten behoeve van de wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarigen [benadeelde 3] en [benadeelde 4] aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen tot een totaalbedrag van € 266.991,75, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.

De raadsman van de verdachte heeft primair bepleit dat de verdachte van het ten laste gelegde wordt vrijgesproken, dat bijgevolg alle benadeelde partijen in hun vorderingen tot schadevergoeding niet-ontvankelijk worden verklaard, de voorlopige hechtenis wordt opgeheven en het beslag aan de verdachte wordt geretourneerd. Voor het geval het hof tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsman primair verzocht alle benadeelde partijen (om uiteenlopende redenen) in hun vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 3] en

[benadeelde 4] als onvoldoende onderbouwd af te wijzen, dan wel deze benadeelde partijen te verwijzen naar de schadestaat-procedure.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg – ten laste gelegd:

dat hij op of omstreeks 19 december 2010 te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg:

- die [slachtoffer] (met kracht) met een (bak)steen op haar hoofd geslagen, en/of

- (vervolgens) de keel en/of hals van die [slachtoffer] dichtgeknepen en/of dichtgedrukt en/of (gedurende enige tijd) dichtgeknepen/dichtgedrukt gehouden, en/of

- door middel van omsnoering of omsnoerend geweld de keel en/of hals van die [slachtoffer] samengedrukt en/of dichtgedrukt en/of (gedurende enige tijd) samengedrukt/dichtgedrukt gehouden, en/of

- de mond van die [slachtoffer] (gedurende enige tijd) dichtgedrukt en/of aldus, althans op enige manier, die [slachtoffer] (gedurende enige tijd) de ademhaling belemmerd en/of onmogelijk gemaakt,

ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich, in overeenstemming met de beslissing van de rechtbank, op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde, bewezen verklaard kan worden.

De advocaat-generaal heeft in dit verband, samengevat, naar voren gebracht:

-

dat in het kader van het onderzoek EEM I op geen enkele wijze inbreuk is gemaakt op verdachtes recht op een eerlijk proces;

-

dat niet is gebleken dat er in het kader van het onderzoek EEM II vanuit het WOD-team ontoelaatbare druk op de verdachte is uitgeoefend en dat er geen enkele aanleiding bestaat om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de door de verdachte ten overstaan van de undercoveragenten afgelegde bekennende verklaring, zodat die voor het bewijs gebruikt kan worden;

-

dat de verdediging door het horen van de leider van het WOD-team en een drietal in dat team werkzame politie-informanten alsmede hun begeleider, de mogelijkheid heeft gehad om het verloop van het WOD-traject te toetsen;

-

dat derhalve ook in het onderzoek EEM II geen sprake is van ernstige inbreuken op beginselen van een behoorlijke procesorde;

-

dat de in hoger beroep aan het dossier toegevoegde stukken niet van invloed zijn op de bewezenverklaring.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich zowel in eerste aanleg als in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde niet bewezen kan worden. Daartoe is het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van het onderzoek Eem I:

De plaats delict is dusdanig onzorgvuldig behandeld dat het beeld hiervan onherstelbaar is veranderd en niet meer te reconstrueren is. Hierdoor is de waarheidsvinding blijvend verhinderd. Ter zake van het technische onderzoek ten aanzien van de tijdlijn, de schreeuw, het ‘faken’ van een plaats delict (inbraak) en de stand van de kliko’s, heeft de verdediging aangevoerd dat het steeds gaat om aannames die de politie zelf heeft gedaan. Het zijn allesbehalve vaststaande gegevens en al deze aannames zijn ook telkens weerlegbaar. Dit kan dan ook geen enkele bijdrage leveren aan het bewijs.

Met het onderzoek Eem I is de zaak volgens de verdediging dan ook allesbehalve opgelost en is er aan het criterium van het bewijsminimum niet voldaan.

Ten aanzien van het onderzoek Eem II:

De resultaten van dit onderzoek moeten vanwege de onrechtmatigheid ervan geheel worden uitgesloten van het bewijs. Ter onderbouwing van dit standpunt stelt de verdediging primair dat aan de inzet van het opsporingsmiddel stelselmatige informatie-inwinning zodanige gebreken kleven dat de enige juiste conclusie kan en moet zijn dat dit gehele traject van het bewijs wordt uitgesloten. De verdediging wijst hiertoe onder meer op de onrechtmatigheid van de inzet van dit opsporingsmiddel, de schending van de verbaliseringsplicht en het gebrek aan transparantie en toetsbaarheid. Voorts stelt de verdediging zich op het standpunt dat aan de afgelegde bekentenis van de verdachte geen enkele bewijswaarde toekomt. Valse bekentenissen bestaan en de bekennende verklaring van de verdachte dient in onderhavig geval ook als zodanig te worden beschouwd, nu verdachte er door het WOD-team is ingeluisd. In dit kader wijst de verdediging tevens op de door haar ingebrachte rapporten van prof. dr. T. Derksen.

De enige juiste beslissing is volgens de verdediging dat de verdachte wordt vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd.

Voorwaardelijk heeft de verdediging verzocht de vroegere werkgever van de verdachte als getuige te horen over de aanleiding om het arbeidscontract van de verdachte niet te verlengen.

Meer subsidiair, indien het hof het WOD-traject niet onrechtmatig acht, komt de verdediging tot de conclusie dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs uit het dossier naar voren komt, omdat het dossier de volle ruimte laat voor de aanwezigheid van alternatieve scenario’s. De moord is door een ander gepleegd. Deze persoon heeft het fatale geweld op [slachtoffer] toegepast en voorafgaand of vervolgens de inbraak gepleegd. Ten slotte wijst de verdediging op contra-indicaties voor het scenario dat de verdachte de dader is. Ook in dit geval kan slechts vrijspraak volgen, aldus de verdediging.

Voorwaardelijk heeft de verdediging verzocht de CIE-informant als getuige te horen over diens uitlatingen dat twee door deze informant met naam en toenaam genoemde mannen bij een woninginbraak door de bewoonster zijn overlopen en dat deze vrouw daarbij is gedood.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande:

dat hij op 19 december 2010 te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg:

- die [slachtoffer] (met kracht) met een steen op haar hoofd geslagen, en

- (vervolgens) de hals van die [slachtoffer] dichtgeknepen en/of dichtgedrukt en (gedurende enige tijd) dichtgeknepen/dichtgedrukt gehouden, en

- de mond van die [slachtoffer] (gedurende enige tijd) dichtgedrukt

en aldus die [slachtoffer] (gedurende enige tijd) de ademhaling belemmerd en/of onmogelijk gemaakt, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna te noemen bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen zijn genoemd verwijzen naar pagina’s van het dossier van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, dossiernummer

OPA 2010248316, (doorgenummerde pagina's 1 tot en met 5320), nader te noemen: het politiedossier, voor zover hieronder niet anders is benoemd.

Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen zijn:

1. het proces-verbaal ‘relaas van onderzoek’ (pg. 14-15), inhoudende, als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

Op zondag 19 december 2010 omstreeks 00.54 uur werd telefonisch bij de meldkamer van politie gemeld, dat er een inbraak was gepleegd in een woning gelegen aan de [adres] te Kaatsheuvel. Er zou volgens de melder een vrouw zonder ademhaling in de achtertuin op de grond liggen. De melding werd gedaan door [verdachte] (verdachte), de partner van het slachtoffer.

Een aantal politie-eenheden ging naar het opgegeven adres. Zij troffen de melder [verdachte] aan.

In de achtertuin werd het lichaam aangetroffen van de nader als slachtoffer te noemen [slachtoffer] . Er kwam bloed uit de mond en het linkeroor van het slachtoffer. Er werden levensreddende handelingen gestart. Deze werden even later door de inmiddels ter plaatse gekomen ambulanceverpleegkundigen gestaakt, nadat door een verpleegkundige de dood van [slachtoffer] was vastgesteld.

De personalia van het slachtoffer luiden:

[slachtoffer] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976, bij leven samen met [verdachte] en hun twee kinderen gewoond hebbende op het adres [adres] te Kaatsheuvel.

2. het proces-verbaal van verhoor (pg. 814-815), inhoudende, als de verklaring van [getuige 1] , wonende [adres] te Kaatsheuvel:

Op zaterdagavond 18 december 2010 lag ik in mijn bed film te kijken. Nadat de film was afgelopen, keek ik op mijn gsm en zag dat het 23.50 uur was. Omstreeks 0.05 uur ging ik slapen. Toen ik net weer op bed lag hoorde ik ineens een harde ijselijke gil van een vrouw Ik hoorde de gil tussen 00.05 uur en ongeveer 00.15 uur. Een paar minuten na de gil keek ik naar de tijd op mijn gsm en zag dat het 00.15 uur was.

3. het proces-verbaal van verhoor (pg. 816-817), inhoudende, als de verklaring van [getuige 2] , wonende [adres] te Kaatsheuvel:

Op zaterdagavond 18 december 2010 waren mijn vrouw en ik thuis. Om en nabij half een [hof: op 19 december 2010] hoorde ik gestommel bij [adres] en ik hoorde het dichtslaan

van een deur.

4. het proces-verbaal van verhoor door de raadsheer-commissaris, inhoudende, als de verklaring van de getuige [getuige 2] voornoemd:

Ik kan me herinneren dat ik de schreeuw heb gehoord toen ik beneden op de bank lag. Ik lag tv te kijken.

Ik heb, toen ik op de bank lag, ook gerommel bij de buurman op [adres] gehoord. Het was alsof iemand tegen het dressoir wat tegen de muur aanstaat aan bonkte en met laden rommelde en gooide. Dat dressoir kwam echt tegen de muur aan. De woonkamers van de huizen grenzen aan elkaar. Normaal hoor ik nooit wat. De huizen zijn minimaal gehorig.

Ik denk dat het geluid met dat dressoir te horen was nadat ik de schreeuw had gehoord. Dat was niet direct aansluitend opvolgend, maar enige tijd na de schreeuw.

5. het proces-verbaal van verhoor (pg. 789-793), inhoudende, als weergave van het verhoor van [getuige 3]

Ik ben werkzaam op de ambulance als verpleegkundige. Ik was in de nacht van 18 op 19 december 2010 aan het werk. Wij werden gestuurd naar de [adres] in Kaatsheuvel. Ik zag een vrouw liggen. Ik zag dat de vrouw wit was. Door mijn collega werd de monitor aangesloten. Het was al vrij gauw duidelijk dat de vrouw was overleden.

6. het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut met het opschrift ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood’ en het daarbij behorende verslag van de uit- en inwendige schouwing (pg. 4004 – 4016), inhoudende, als verklaring van de deskundige dr. V. Soerdjbalie-Maikoe:

Overledene:

[slachtoffer] , geboren [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats]

Bij de sectie op het lichaam is het volgende gebleken:

A. Uitwendig

1. (...)

2. (...)

3. Er was hoog aan de hals links een roodvlekkige huidverkleuring van onderhuidse bloeduitstorting, afmeting 0,5 x 0,5 cm. Er was aan de kaakrand links een roodvlekkige huidverkleuring van onderhuidse bloeduitstorting, afmeting 1 x 0,5. Er was aan de hals, iets links van het midden, een vage rode verkleuring van 2 x 0,3.

4. Er waren twee kleine bloeduitstortingen in het slijmvlies van de bovenlip rechts en beiderzijds naast het bovenste lipriempje.

5. (...)

6. Er waren aan het behaarde hoofd, voorhoofd rechts, strekzijde rechterduim, borst(kas) en aan de beide oren rode en roodpaarse huidverkleuringen van onderhuidse bloeduitstortingen, plaatselijk met een ruwwandige huidscheur (letsel D) en/of oppervlakkige huid-beschadigingen.

Letsel D: aan het behaarde hoofd linksvoor was een streepvormige huidscheur ter lengte van 1,5 cm met in de diepte weefselbruggen en onderhuidse bloed-uitstorting. Ook was er aan één van de wondranden confusie.

7. (...)

Inwendig

1. Er waren bloeduitstortingen in de diep gelegen halsspieren onder de rechter grote hoorn van het strottenhoofd; er was een bloeduitstorting onder het linker grote hoorntje van het strottenhoofd. Er was een kleine bloeduitstorting in de weke delen net boven het schildkraakbeen.

2. (...)

3. Er was een bloeduitstorting midwaarts voor in de tong.

4. (...)

5. (...)

6. In relatie met de letsels aan het hoofd genoemd onder sub A6 waren er bloeduitstortingen aan de binnenzijde van de schedelhuid en in relatie met letsel D was er een scheur tot aan de binnenzijde van de schedelhuid.

7. (...)

Interpretatie

Er zijn bij sectie letsels aan de hals/kaakrand vastgesteld sub A3 en B1, welke bij leven waren ontstaan als gevolg van inwerking van uitwendig mechanisch samendrukkend geweld op de hals zoals bijvoorbeeld kan ontstaan bij verwurging. Gezien de bevindingen kan het intreden van de dood goed worden verklaard door verwikkelingen van bovengenoemd geweld op de hals, namelijk algehele weefselschade door verstikking.

De letsels sub A4 en B3 waren bij leven ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch botsend geweld (zoals door stoten: vallen, slaan kan ontstaan), samendrukkend geweld op de mond (afdrukken van de mond) of een combinatie daarvan. Vanwege het laatstgenoemde dient rekening te worden gehouden dat verwikkelingen van samendrukkend geweld op de mond een bijdrage kunnen hebben geleverd aan het overlijden.

De letsels A6 en B6 waren bij leven ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch botsend geweld zoals door stoten (bijvoorbeeld vallen, slaan) kan ontstaan en hebben geen directe rol van betekenis gespeeld bij het intreden van de dood.

Conclusie

Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] , 34 jaren oud, kan het intreden van de dood goed worden verklaard door inwerking van uitwendig mechanisch samendrukkend geweld op de hals zoals bijvoorbeeld kan ontstaan bij verwurging. Voorts kunnen verwikkelingen van samendrukkend geweld op de mond een bijdrage hebben geleverd aan het overlijden.

7. het proces-verbaal onderzoek slachtoffer en lijkschouw (pg. 3934 - 3942), inhoudende als relaas van de verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :

(pg. 3934)

Op 19 december 2010 werd in de achtertuin van het perceel [adres] te Kaatsheuvel het levenloze lichaam van een vrouw aangetroffen. Deze vrouw bleek door een geweldsmisdrijf om het leven te zijn gekomen. Op 19 december 2010 werd een aanvang gemaakt met het onderzoek aan het lichaam van het slachtoffer.

(pg. 3939)

Bemonstering hals SIN AACQ1456NL

Door mij, [verbalisant 2] , werd de hals van het slachtoffer bemonsterd op de eventuele aanwezigheid van contactsporen.

8. het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut met het opschrift ‘Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van een stoffelijk overschot in Kaatsheuvel op 19 december 2010’

(pg. 4058- 4067), inhoudende, als verklaring van de deskundige drs. H.N. Bauer:

(pg. 4062)

Onderzoek naar biologische sporen

Bemonsteringen AACQ1456NL van de hals van het slachtoffer [slachtoffer] . De bemonsteringen zijn veiliggesteld als AACQ1456NL#01 en #02 voor een DNA-onderzoek.

(pg.4064)

Tabel 3 Resultaten, interpretatie en conclusie vergelijkend DNA-onderzoek

De bemonsteringen AACQ1456NL#01 en #02 van de hals van het slachtoffer [slachtoffer] bevatten celmateriaal dat afkomstig kan zijn van het slachtoffer [slachtoffer] en [verdachte] . De berekende frequentie of matchkans van het DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.

9. het proces-verbaal van bevindingen (pg. 3883 - 3885), inhoudende, als relaas van de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] :

Naar aanleiding van het sporenonderzoek werd door ons het volgende geconcludeerd:

- er werden geen sporen van braak aangetroffen aan de gehele woning, de poort en de schuur;

- er werden geen sporen van overklimming van de omheining, poort en schuur op de erfgrens van de achtertuin aangetroffen (de sneeuwranden waren nog intact en niet verstoord);

- de inhoud van de lades en kastjes van het dressoir toonde ordelijk;

- de televisie stond scheef, maar er waren geen kabels losgetrokken.

10. het proces-verbaal van bevindingen (pg. 3889), inhoudende, als relaas van de verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] :

Bij onderzoek van de ramen en deuren en het daarop aanwezige hang- en sluitwerk van het pand [adres] te Kaatsheuvel werden geen aanwijzingen verkregen die er op duidden, dat iemand zich door middel van braak toegang had verschaft tot de woning. Bij dit onderzoek werden geen aanwijzingen verkregen dat iemand die woning was binnengedrongen of had verlaten via de ramen op de eerste verdieping en/of de zolder.

11. het proces-verbaal van bevindingen informatie-inwinner A-3588 (pg. 6012 - 6019), inhoudende als relaas van verbalisant A-3588:

(pg. 6014)

Op 18 september 2014 omstreeks 22.15 uur zij wij [hof: verbalisant A-3588 en de verdachte] door een taxi opgehaald.

(pg. 6015)

Ik zag dat de verdachte vooroverboog en met zijn hoofd op zijn knieën ging zitten waarbij hij zijn handen naast zijn hoofd hield. Ik zag dat hij begon te snikken en ik hoorde dat hij mij vroeg of ik of A-3739 echt voor een oplossing konden zorgen en dat [de huidige partner van de verdachte] het niet mocht weten. Ik hoorde dat hij met bevende stem en geëmotioneerd zei: “Ik heb het gedaan.”

Verdachte pakte mij vast om mijn schouder en pakte mijn hand vast. Ik heb samen met verdachte daarbij zitten huilen. Ik vroeg aan verdachte wat hij gedaan had waarop hij antwoordde dat hij haar vermoord had en dat hij haar gewurgd had.

Verdachte vertelde dat hij er nooit een streep onder had kunnen zetten en ik zei hem dat ik dat wel begreep en dat dit al die tijd wel vreselijk zwaar voor verdachte moet zijn geweest. Ik, verbalisant, zag dat verdachte hierop knikte.

(pg. 6016)

Verdachte vertelde hierop dat hij graag terug wilde om opnieuw een gesprek aan te gaan met A-3739, maar dat hij wel wilde dat ik bij dat gesprek aanwezig was.

Verdachte vertelde hierop dat hij wel opgelucht was dat hij het verteld had, omdat hij er nooit een streep onder had kunnen zetten en dat hij nu wel over een gebergte heen had moeten stappen om het te vertellen.

Omstreeks 22.45 uur arriveerden wij bij de villa. Verdachte heeft daar samen met mij en

A-3739 een gesprek gevoerd. Nadat A-3739 en ik waren gaan zitten bleef verdachte tegenover ons staan, waarbij hij zijn handen tegen elkaar ter hoogte van zijn gezicht hield, zich richtte tot A-3739 en begon met de woorden: “Dit is het gebed van mijn leven. Ik heb het gedaan, ik heb haar vermoord.”

Ik, verbalisant, heb me bij het gesprek grotendeels afzijdig gehouden en het gesprek aangehoord, waarbij ik af en toe in het gesprek inbrak.

Verdachte vertelde, nadat door verbalisant A-3739 was gevraagd hoe het gebeurd was, dat hij met zijn vrouw naar een feest van de carnavalsvereniging was geweest en dat hij eerder weg was gegaan. Dat hij thuis gekomen zijn schoonvader had afgelost, die op de kinderen paste. Verder vertelde verdachte dat hij zijn vrouw in de tuin had op staan wachten.

Verdachte vertelde dat hij zijn toenmalige vrouw met een baksteen eerst KO had geslagen, zoals verdachte de term letterlijk gebruikte, waarna hij haar gewurgd had. Ik, verbalisant, zag dat verdachte strak voor zich uitkeek en ik hoorde dat hij met een zachte en bevende stem sprak. De inbraak had hij eerst ervoor al in scene willen zetten, maar hij had dat na de moord pas gedaan. Ik hoorde, nadat er door verbalisant A-3739 naar was gevraagd, dat verdachte de baksteen uit de brandgang had gehaald.

(pg. 6017)

Ik vroeg aan verdachte of zijn vrouw hem niet herkend had, waarop verdachte zei dat hij een bril had gedragen. Verdachte vertelde verder dat hij laarzen had gekocht, speciaal voor de moord.

Verdachte vertelde dat hij opgelucht was, nu hij het een en ander verteld had.

Omstreeks 23.20 uur ben ik met verdachte door verbalisant A-2182 naar het hotel gebracht. Onderweg vertelde verdachte opnieuw dat hij heel opgelucht was, waarop hij aan mij vroeg of we nog iets konden gaan drinken. Verdachte vertelde: “Ik heb het bewust gedaan. Dit is moord met voorbedachten rade.”

(pg. 6018)

Verdachte vertelde ongevraagd tegen mij dat hij nog wel toneel had gespeeld. Ik vroeg hem wat hij daarmee bedoelde. Verdachte vertelde dat hij, toen de politie binnenkwam, had zitten huilen. Hij had hierop gezegd dat hij per se zijn vrouw nog wilde zien en bij haar wilde gaan liggen. Verdachte vertelde hierop dat hij op of tegen zijn vrouw was gaan liggen en dat hij haar opzettelijk had vastgepakt om sporen van de plaats delict te wissen dan wel te vermengen en om er zo voor te zorgen dat DNA van haar op hem zat.

(pg. 6019)

Ik vroeg waarom verdachte zijn vrouw had vermoord, waarop hij antwoordde dat hij de ellende, stress, alimentatie en alle problemen die een eventuele scheiding met zich mee zouden kunnen brengen, niet aankon en dat hij daaraan helemaal niet wilde denken of wilde beginnen.

12. het proces-verbaal van bevindingen van informatie-inwinner A-3739

(pg. 6020 - 6027), inhoudende, als relaas van verbalisant A-3739:

(pg. 6024)

Op 18 september 2014, omstreeks 22.35 uur, hoorde ik van A-2182 dat A-3588 en de verdachte terug waren bij de woning. A-3588 zei dat de verdachte mij wat wilde vertellen maar ook had verzocht of A-3588 daarbij kon zijn. Ik vertelde hen dat niet erg te vinden. De verdachte bleef staan en was zichtbaar gespannen. Hij liep heen en weer en op een gegeven moment deed hij zijn open handpalmen als bij een gebed tegen elkaar voor zijn borst. Met deze ‘bidhouding’ keek hij mij aan en bleef stil staan. Hij noemde mij bij mijn naam en zei: “Philipe, ik wil bij jou het gebed van mijn leven doen. Ik heb het gedaan.” Ik keek de

verdachte aan en vroeg: “Hoe?” “Met een baksteen”, antwoordde de verdachte.

De verdachte zei: “Ik heb mijn vrouw met een baksteen KO geslagen en daarna gewurgd.”

(pg. 6025)

De verdachte gaf desgevraagd de volgende antwoorden:

- de verdachte was met zijn vrouw destijds op een feest van de carnavalsvereniging;

- de verdachte was bewust eerder naar huis gegaan om zijn schoonvader af te lossen;

- de verdachte de gedachte had eerst het huis te willen prepareren maar daar later op terug kwam;

- de verdachte het slachtoffer had opgewacht in de tuin;

- de verdachte een straatklinker had gepakt, en zijn vrouw de hersens in had geslagen;

- de verdachte vervolgens het op de grond liggende slachtoffer heeft gewurgd;

- de verdachte naar binnen is gelopen en de woning heeft geprepareerd omdat het op een inbraak moest lijken;

- de verdachte de laatjes en deurtjes open heeft gezet;

- de verdachte daarna 112 heeft gebeld met de mededeling dat zijn vrouw in de tuin op de grond lag;

- de verdachte nieuwe laarzen had gekocht en met kleding had weggemaakt.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Eem I

Ten aanzien van Eem I overweegt het hof dat uit het voorliggende procesdossier niet naar voren komt dat op de plaats delict onzorgvuldig is gehandeld in die zin dat dit een vormverzuim in het vooronderzoek oplevert. Het ligt voor de hand dat de politie en de hulpdiensten hebben getracht levensreddend te handelen. Dat handelen had de hoogste prioriteit en dat hierbij wellicht zaken zijn verplaatst of sporen zijn (weg)gemaakt was op dat moment minder belangrijk.

Eem II

Moord.

BESLISSING

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]