Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 29-12-2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:4022, 200.261.294_01
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 29-12-2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:4022, 200.261.294_01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 29 december 2020
- Datum publicatie
- 14 januari 2021
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2020:4022
- Zaaknummer
- 200.261.294_01
Inhoudsindicatie
Na betaling van vier van de vijf overeengekomen aanneemsomtermijnen door opdrachtgever aan bouwbedrijf failleert bouwbedrijf. De curator van bouwbedrijf sluit een activatransactie met koper, waarbij onder meer zijn verkocht: de debiteuren en het onderhanden werk.
Koper stuurt nadien 'uit strategisch oogpunt' aan opdrachtgever twee creditnota's. Hof: anders dan opdrachtgever heeft aangevoerd heeft koper daarmee nog geen afstand gedaan van haar vorderingsrecht. Om afstand van recht aan te kunnen nemen is wilsovereenstemming (aanbod en aanvaarding) vereist (6:160 BW). Opdrachtgever heeft het aanbod om te crediteren echter niet aanvaard.
In geschil is of de curator alle vorderingen van het bouwbedrijf op zijn debiteuren heeft overgedragen, of alleen de vorderingen die voorkomen op de in de overeenkomst genoemde (maar kwijtgeraakte) lijst. Hof: Haviltex. Bedoeld is om alle vorderingen over te dragen.
De laatste termijn van de aanneemsom zou contractueel pas opeisbaar zijn geworden bij oplevering. De werkzaamheden die daarop betrekking hadden zijn voor ongeveer de helft uitgevoerd. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2729, volgt dat, als de overeenkomst zoals in het onderhavige geval in stand wordt gelaten, er een vordering van de boedel uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking ontstaat met betrekking tot het verrichte gedeelte van de prestatie. Niet is gebleken dat ook die vordering (van de boedel) is overgedragen aan koper, zodat koper in zoverre geen vordering toekomt.
Uitspraak
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.261.294/01
arrest van 29 december 2020
in de zaak van
[appellante] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente Peel en Maas,
appellante,
hierna aan te duiden als: [appellante] ,
advocaat: mr. J. van Zinnicq Bergmann te 's-Hertogenbosch,
tegen
[geïntimeerde] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente Horst aan de Maas,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. J.P. Bakkers te Venlo,
op het bij exploot van dagvaarding van 14 juni 2019 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 27 maart 2019, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.
1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/252227 / HA ZA 18-346)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2 Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
de dagvaarding in hoger beroep;
- -
-
de memorie van grieven met een productie;
- -
-
de memorie van antwoord met producties.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
2 De vaststaande feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
Op 27 januari 2011 heeft [geïntimeerde] als opdrachtgever met bouwbedrijf [Bouwbedrijf] (hierna: [Bouwbedrijf] ) als opdrachtnemer een overeenkomst van aanneming gesloten voor een nieuw te bouwen bedrijfsruimte. De overeengekomen aanneemsom bedroeg € 128.000,00 exclusief btw. Overeengekomen is dat de aanneemsom in vijf termijnen zou worden betaald, de laatste termijn van 10% (€ 12.800,00) bij oplevering.
Op 23 juni 2011 heeft [Bouwbedrijf] een bedrag van € 115.200,00 gefactureerd (90% van de aanneemsom). Op 27 september 2011 heeft [Bouwbedrijf] [geïntimeerde] een tussentijdse meerwerkfactuur gezonden ten bedrage van € 8.742,66. [geïntimeerde] heeft beide facturen betaald.
Tenzij anders aangegeven worden de bedragen exclusief btw weergegeven.
Bij vonnis van de rechtbank Roermond van 19 oktober 2011 is [Bouwbedrijf] in staat van faillissement verklaard, met benoeming van [curator] tot curator.
De curator heeft met [appellante] op 4 november 2011 een activatransactie gesloten, waarbij [appellante] volgens artikel 1 van het daarvan opgemaakte contract heeft gekocht van [Bouwbedrijf] :
(1) alle roerende zaken zoals vermeld in bijlage 1 bij het contract,
(2) de "goodwill, handelsnaam etc.",
(3) het onderhanden werk en
(4) de debiteuren.
Met betrekking tot de debiteuren is in artikel 9.1 van het koopcontract bepaald:
"De vorderingen worden door koper voetstoots aanvaard. Koper is ermee bekend dat de curator de debiteurenlijst niet heeft kunnen controleren. Koper is voldoende in de gelegenheid gesteld om zich op de hoogte te stellen van de aard en omvang van de debiteuren. De curator kan geen enkele garantie geven over de volledigheid en/of juistheid van de debiteurenlijst. Koper is ermee bekend dat er debiteuren/opdrachtgevers kunnen zijn die de vordering betwisten, klachten hebben en/of schade (dreigen te) claimen. Debiteuren zijn volgens lijst 16 oktober 2011 overgenomen waarbij opgemerkt dat een bedrag van € 24.220,77 reeds is betaald en niet meer tot de debiteuren behoren."
Bij brief van 8 november 2011 heeft de curator de debiteuren van [Bouwbedrijf] van de overdracht in kennis gesteld.
[appellante] heeft vervolgens op 20 maart 2013 aan [geïntimeerde] een factuur gestuurd van € 17.919,89 en op 11 april 2013 een factuur van € 8.546,24. De eerste factuur ziet op het al verrichte deel van de laatste termijn van de aanneemsom (€ 6.293,89) en verder op in regie uitgevoerde werkzaamheden (€ 11.626,00). De tweede factuur (€ 8.546,24) ziet op 'uitgevoerde werkzaamheden', gespecificeerd in een bijlage. De bijlage bevat een berekening van werkzaamheden voor diverse projecten, waaronder de hiervoor bedoelde bouw van een bedrijfsruimte, sluitend op € 26.466,13 met daarbij een handgeschreven berekening waarin het bedrag van € 17.919,89 in mindering is gebracht, waardoor 'nog te factureren' zou zijn € 8.546,24.
[geïntimeerde] heeft deze twee facturen onbetaald gelaten.
Op 27 februari 2018 heeft [appellante] aan [geïntimeerde] in verband met de hiervoor bedoelde twee (onbetaalde) facturen twee creditnota's gedateerd 31 december 2017 gestuurd. Op de beide creditnota's staat vermeld "Hierbij crediteren wij uit strategisch oogpunt deze factuur."
Naar aanleiding daarvan heeft tussen partijen op 27 en 28 februari 2018 de volgende e-mailwisseling met als onderwerp 'Creditering Facturen' plaatsgevonden:
[appellante] (27 februari 2018 om 20.05 uur):
"Hierbij treft u aan twee creditnota's.
I.v.m. gewijzigde omstandigheden en advisering omtrent de openstaande vordering is besloten deze te crediteren."
[geïntimeerde] (27 februari 2018 om 21.29 uur):
"En als u deze facturen vanavond niet terugneemt en herziet
Meld ik dit morgen bij de belastingdienst als frauduleuze facturen en faillisementsfraude."
[appellante] (28 februari 2018 om 8.34 uur):
"Het is u bekend dat [appellante] alle openstaande vorderingen en het onderhandenwerk van Dondersbouw na haar faillissement heeft overgenomen.
In de administratie van [appellante] stonden eind 2017 de vorderingen, (die u destijds door IAN middels incasso zijn aangegeven zie bijlage) nog steeds open.
Vanwege proceseconomische redenen heeft [appellante] de bij IAN ingezette procedure niet voortgezet.
Om de openstaande vorderingen administratief af te werken heeft [appellante] de openstaande vorderingen op [geïntimeerde] (...) eind 2017 aan u gecrediteerd."
[geïntimeerde] (28 februari 2018 om 8.43 uur):
"Er zijn geen openstaande vorderingen van [appellante] bij [geïntimeerde] .
Inmiddels heb ik een melding gemaakt naar het belastingkantoor in [kantoorplaats] en de desbetreffende belastinginspecteur op de hoogte gebracht van uw activiteiten en frauduleuze handelen in faillissementszaken."
Bij brief van 7 maart 2018 schrijft de advocaat van [appellante] aan [geïntimeerde] :
"(...) Verder wijs ik u erop dat dezerzijds goede nota is genomen van uw standpunt dat u de creditfacturen niet accepteert. Aan deze facturen kunnen dan ook geen rechten worden ontleend. Dat betekent dat de oorspronkelijke vordering alsnog ter incasso zal worden gesteld."