Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 13-07-2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:2191, 200.273.270_01

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 13-07-2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:2191, 200.273.270_01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13 juli 2021
Datum publicatie
20 juli 2021
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2021:2191
Zaaknummer
200.273.270_01
Relevante informatie
Burgerlijk Wetboek Boek 1 [Tekst geldig vanaf 01-01-2024] art. 88

Inhoudsindicatie

Borgtocht verleend door enig bestuurder/aandeelhouder van een vennootschap die daarnaast bestuurder/lid is van een coöperatie, ten behoeve van nakomen van verplichtingen van de coöperatie. Geen toestemming echtgenote. Uitzondering art. 1:88 lid 5 BW van toepassing. Geen verjaring.

Uitspraak

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.273.270/01

arrest van 13 juli 2021

in de zaak van

[appellant] ,

en

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. A.H.H.M. Roelofs te Nuland,

tegen

Eventus Bonus Administratie- & Belastingadviesbureau B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Eventus,

advocaat: mr. R.P.V.W. Willems te ‘s-Hertogenbosch,

op het bij exploot van dagvaarding van 28 november 2019 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 29 augustus 2019, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, gewezen tussen Eventus als eiseres en [appellant] en [holding] Holding B.V. (hierna: [holding] Holding) als gedaagden.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 7433893 / 18-8565)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding in hoger beroep

-

de memorie van grieven met productie 1 tot en met 12

-

de memorie van antwoord met productie 1 tot en met 4

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De feiten

In dit hoger beroep gaat het hof uit van de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld in het bestreden vonnis onder 2, behalve voor zover in 2.1 is vastgesteld dat [holding] Holding op 17 augustus 2010 lid was van [cooperatie] . Daarop heeft grief 2 betrekking. Het hof houdt rekening met hetgeen [appellant] daarover bij grief 2 heeft opgemerkt. Voor zover relevant vult het hof de opsomming aan met enkele andere feiten die tussen partijen vaststaan.

3.1.

Op 1 april 2010 is de coöperatie Coöperatieve vereniging [cooperatie] U.A. (hierna: de coöperatie [cooperatie] ) opgericht door [appellant] en vijf anderen, die tezamen de leden van de coöperatie werden. Twee van de leden van de coöperatie [cooperatie] waren tevens aandeelhouders van Eventus. Volgens informatie uit het handelsregister waren alle leden ook de bestuurders van de coöperatie [cooperatie] .

3.2.

Op 1 mei 2010 of 15 juli 2010 is [holding] Holding opgericht. [appellant] was enig aandeelhouder en bestuurder van [holding] Holding.

3.3.

Op 17 augustus 2010 heeft Eventus een zogenoemde gebruiksovereenkomst gesloten met de coöperatie [cooperatie] . Volgens de gebruiksovereenkomst verstrekte Eventus aan de coöperatie [cooperatie] het gebruiksrecht met betrekking tot de activa en inventaris van het pand aan de [adres] te [plaats] aan de coöperatie [cooperatie] . De coöperatie [cooperatie] werd hiervoor € 63.000,00 schuldig aan Eventus, te betalen op uiterlijk 17 augustus 2020. Over de schuld of het restant daarvan werd de coöperatie [cooperatie] een rente verschuldigd van 10% per jaar, voor het eerst te voldoen op 1 oktober 2010. Art. 5 van de gebruikersovereenkomst luidt:

‘De hoofdsom of het restant daarvan en de daarover verschuldigde rente zal ter stond opeisbaar zijn, zonder dat ingebrekestelling is vereist bij faillissement, bij aanvraag van surseance van betaling, bij niet tijdige betaling van rente en/of aflossing en/of bij het staken van de onderneming’.

3.4.

De gebruiksovereenkomst luidt verder onder meer:

‘Ondergetekende leden van schuldenaar zijnde:

[lid 1] (...)

[lid 2] (...)

[lid 3] (...)

[lid 4] (...)

[holding] Holding B.V. (...) vertegenwoordigd door algemeen directeur (...) [appellant] (...), gehuwd.

[lid 5] (...)

Verklaren ieder een borgstelling af te geven voor 1/6 (zegge éénzesde deel) van de hoofdsom, wat voor elk van de bovengenoemde leden een borgstelling van € 10.500,- (...) inhoudt, zoals in aangehechte akte van borgstelling is opgemaakt.’

De gebruiksovereenkomst is mede ondertekend door [appellant] . Boven zijn handtekening is vermeld:

‘ [holding] Holding BV

Vertegenwoordigd door [appellant] ’

3.5.

[appellant] heeft op dezelfde dag ook een borgstelling ondertekend. Deze borgstelling luidt onder meer:

‘De ondergetekenden:

a. [holding] Holding BV (...) vertegenwoordigd door algemeen directeur [appellant]

b. [desk] Desk BV (...) vertegenwoordigd door [lid 3] (...), [lid 1] (...), [lid 2] (...) en [holding] Holding BV (...), welke gezamenlijk bevoegd zijn als bestuurder.

c. [appellant] (...), gehuwd

hierna te noemen: borg

en

Eventus (...)

hierna te noemen: schuldeiser

in aanmerking nemende:

-

dat de schuldeiser aan Coöperatieve Vereniging [cooperatie] U.A. (...) hierna te noemen: schuldenaar, blijkens een aan deze borgstellingsovereenkomst aangehechte onderhandse akte d.d. 17-08-2010 een gebruiksrecht heeft verstrekt in hoofdsom groot € 63.000 (...)

-

dat borg in volgorde a-b-c aansprakelijk is voor een bedrag van € 10.500,- (...) zijnde 1/6 deel van de hoofdsom zoals in aangehechte onderhandse akte is overeengekomen.

verklaren te zijn overeengekomen als volgt:

Artikel 1

De borg verbindt zich middels deze overeenkomst tegenover schuldeiser, als borg (of hoofdelijk mededebiteur) voor de schuldenaar, zulks tot zekerheid voor de betaling van

€ 10.500,- (...) zijnde 1/6 deel van hoofdsom zoals overeengekomen in aangehechte onderhandse akte. De borg is niet gehouden tot nakoming voordat de schuldenaar in de nakoming van zijn verbintenis is tekort geschoten.

(...)

(handtekening)

[holding] Holding BV vertegenwoordigd door [appellant] ’

3.6.

[holding] Holding is op enig moment lid geworden van de coöperatie [cooperatie] .

3.7.

Tussen Eventus en de coöperatie [cooperatie] zijn geschillen gerezen. Bij arrest van 29 juli 2014 heeft dit hof in een procedure tussen hen een eindarrest uitgesproken.

3.8.

Bij brief van 13 februari 2015 heeft mr. [naam 1] namens Eventus aan mr. [naam 2] , die optrad namens de coöperatie [cooperatie] , onder meer het volgende meegedeeld:

‘In belang van beide partijen is het zaak de te maken afspraken zo volledig mogelijk vast te leggen. Cliënte stemt ermee in dat er geen nieuwe bepaling over het reeds overeengekomene behoeft te worden opgenomen: een verwijzing volstaat wat betreft cliënte.

(...)

In het kader van het voorgaande heb ik punt 3 en 4 van het voorstel aangepast waardoor het

voorstel als volgt luidt:

1. vastgesteld wordt dat een aantal goederen verdwenen is. [cooperatie] , de heer [appellant] en de heer [naam 3] , betwisten dat er sprake is van verduistering of enig ander

strafbaar feit. Eventus doet afstand van de mogelijkheid om terzake aangifte te doen;

2. [cooperatie] (met haar overgebleven leden [holding] Holding B.V. en [lid 3] ), verklaren dat zij per 17 augustus 2020 aan Eventus verschuldigd zijn: € 21.000,00 -/-

€ 10.652,46 = € 10.347,54, te vermeerderen met de contractuele rente van 10% per jaar, zijnde € 88,36 per maand, maandelijks achteraf te betalen, vanaf 1 januari 2015 tot aan de datum van voldoening van het verschuldigde bedrag (op 17 augustus 2020);

3. wat betreft de verplichting onder 2 geldt voorts mede hetgeen reeds is overeengekomen in de borgstellingen van 17 augustus 2010’

De coöperatie [cooperatie] heeft dit voorstel aanvaard.

3.9.

De coöperatie [cooperatie] is per 2 januari 2017 opgehouden te bestaan.

3.10.

De contractuele rente, zoals genoemd in de hiervoor genoemde brief van 13 februari 2015 is betaald tot en met januari 2018. Vanaf februari 2018 ontvangt Eventus de rente niet meer.

3.11.

Eventus heeft [holding] Holding, [appellant] en [lid 3] bij brief van 3 april 2018 gewezen op de achterstand in de maandelijkse rentebetalingen. Tevens heeft Eventus hun meegedeeld dat de hoofdsom van € 10.347,54 direct opeisbaar is geworden op grond van artikel 5 van de gebruiksovereenkomst en aanspraak gemaakt op deze hoofdsom en achterstallige rente.

3.12.

De vordering van Eventus bedroeg in november 2018 € 11.231,14, dat is de

hoofdsom van € 10.347,54 en de achterstallige rente vanaf februari tot en met november

2018. [lid 3] heeft € 5.615,57 aan Eventus betaald en hiermee de helft van de hoofdsom en de achterstallige rente voldaan.

3.13.

Bij brief van 15 november 2018 heeft de echtgenote van [appellant] aan de gemachtigde van Eventus meegedeeld dat zij met een beroep op de artikelen 1:88 en 89 BW de borgstelling van [appellant] vernietigde.

4 De procedure in eerste aanleg

5 De beoordeling in hoger beroep

6 De uitspraak