Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 25-03-2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:927, 200.272.967_01
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 25-03-2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:927, 200.272.967_01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 25 maart 2021
- Datum publicatie
- 6 april 2021
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2021:927
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2018:6376
- Zaaknummer
- 200.272.967_01
Inhoudsindicatie
Afwikkeling en uitleg huwelijkse voorwaarden, toepassing Haviltex
Bij de uitleg van de huwelijkse voorwaarden komt het aan op hetgeen partijen over en weer van elkaar mochten verwachten. Daarbij dient uitleg van de bepalingen van de huwelijkse voorwaarden in onderling verband te worden bezien met de considerans.
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer : 200.272.967/01
zaaknummers rechtbank : C/01/325529 / FA RK 17-4641
beschikking van de meervoudige kamer van 25 maart 2021
inzake
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaten mrs. M.L.A. van Opstal en T.J. Backx te 's-Hertogenbosch,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaten mr. R.H.P.J. van de Ven en K.G.A.P. Boemaars te Zundert.
1 Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Oost-Brabant ('s-Hertogenbosch) van 10 december 2018, 16 mei 2019 en 22 november 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2 Het geding in hoger beroep
De man is op 22 januari 2020 in hoger beroep gekomen van de tussenbeschikkingen van 10 december 2018 en 16 mei 2019 en van de eindbeschikking van 22 november 2019. Hij heeft daarnaast zijn verzoeken gewijzigd.
De man verzoekt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikkingen van de rechtbank Oost-Brabant van 10 december 2018, 16 mei 2019 en 22 november 2019 voor zover betrekking hebbende op de aandelen [Holding BVBA] Holding BVBA (hierna: [Holding BVBA] ), te vernietigen en opnieuw rechtdoende:
-
te verklaren voor recht dat de (investering in de) aandelen in [Holding BVBA] niet vallen/valt onder de “zogenaamde privé-investeringen”, zoals bedoeld in de huwelijkse voorwaarden,
-
de verzoeken van de vrouw ten aanzien van de aandelen [Holding BVBA] af te wijzen,
-
de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van enig bedrag dat de man uit hoofde van de hiervoor genoemde beschikkingen en/of een andere gerechtelijke uitspraak ten aanzien van [Holding BVBA] aan de vrouw heeft voldaan, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum van betaling door de man aan de vrouw tot de dag der algehele voldoening en te vermeerderen met de nader te specificeren kosten die de man heeft moeten maken ter voorkoming of bestrijding van door de vrouw ondernomen acties om de hiervoor genoemde uitspraken ten uitvoer te leggen.
De vrouw heeft op 17 maart 2020 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep en wijziging van haar verzoeken ingediend.
De vrouw verzoekt het hof in principaal hoger beroep de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken althans de verzoeken van de man af te wijzen.
De vrouw verzoekt het hof in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, voor het geval de man wordt ontvangen en tenminste één van zijn grieven gegrond wordt verklaard, de beschikking van 22 november 2019 te vernietigen op de hierna te noemen punten en opnieuw rechtdoende bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
1. de man ten titel van vervangende schadevergoeding te veroordelen tot betaling van een bedrag aan de vrouw corresponderende met de helft van de waarde van aandelen [Holding BVBA] ;
subsidiair:
2. de man te veroordelen om de helft van de aandelen [Holding BVBA] , met terugwerkende kracht per 31 december 2018 aan de vrouw te leveren en op haar naam te stellen, binnen drie dagen na de door het hof te wijzen beschikking, althans een door het hof in goede justitie te bepalen termijn, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 25.000,-- voor elke dag dat de man zijn verplichting niet nakomt, met een maximum van € 5.000.000,--;
met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw haar vordering sub 2 nader gespecificeerd in die zin dat moet worden uitgegaan van een levering van de aandelen aan haar in de (nabije) toekomst waarbij uit moet worden gegaan van de waarde van die aandelen op 31 december 2018.
De man heeft op 23 april 2020 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep ingediend.
De man verzoekt het hof de verzoeken van de vrouw in het incidenteel hoger beroep af te wijzen en ook de verzochte veroordeling in de proceskosten af te wijzen.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- -
-
een journaalbericht van de zijde van de man van 26 november 2020 met daarbij een brief van de advocaten van de man van diezelfde datum en producties 17 tot en met 20C, ingekomen op 27 november 2020;
- -
-
een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 26 november 2020 met daarbij een brief van de advocaten van de vrouw en producties 7 tot en met 11, ingekomen op 27 november 2020.
De mondelinge behandeling heeft op 9 december 2020 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaten van de man en de vrouw hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.
3 De feiten
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
Partijen zijn op [datum] 2007 met elkaar gehuwd na het sluiten van huwelijkse voorwaarden.
Deze huwelijkse voorwaarden houden onder meer het volgende in:
“(...)
De comparanten verklaarden:
in aanmerking nemende:
- dat zij wensen te trouwen onder huwelijkse voorwaarden waarbij elke gemeenschap van goederen wordt uitgesloten;
- dat zij toekomstige investeringen, de zogenaamde privé-investeringen, voor gemeenschappelijke rekening en risico zullen aangaan;
- dat het vermogen dat een echtgenoot bij het aangaan van het huwelijk bezit, de aanbrengsten, ook na het huwelijk van die echtgenoot blijft van wie het was ten tijde van het aangaan van het huwelijk;
- dat onder deze aanbrengsten ook vallen de opbrengsten, kosten en lasten van deze goederen;
- dat ten aanzien van deze aanbrengsten uitdrukkelijk zaaksvervanging geldt, zodat ook hetgeen voor de aanbrengsten in de plaats treedt, van die echtgenoot is die eigenaar was van het aangebrachte, behoudens voor zover echtgenoten expliciet vastleggen dat hetgeen van de aanbrengsten wordt aangewend voor toekomstige investeringen door echtgenoten wordt aangemerkt als financieringsbijdrage;
- dat als een gedeelte van de aanbrengsten wordt aangemerkt als financieringsbijdrage, de echtgenoot die dit goed of deze goederen heeft aangebracht een vordering heeft op de andere echtgenoot, voor het nominale bedrag dat laatstgenoemde zou hebben voldaan indien hij ook de helft van het geïnvesteerde vermogen zou hebben ingebracht, te vermeerderen met rente indien en voorzover dit laatste uitdrukkelijk schriftelijk is overeengekomen;
als volgt:
A. INVESTERINGSOVEREENKOMST
1. De echtgenoten zijn overeengekomen dat investeringen, de zogenaamde privé-investeringen, aangegaan na het sluiten van het huwelijk, zullen worden aangegaan door de gezamenlijke echtgenoten, ieder voor de helft en voor gemeenschappelijke rekening en risico. Deze privé-investeringen zullen indien en voor zover mogelijk ten name van beide echtgenoten, ieder voor de helft, worden geregistreerd. De privé-investeringen worden aangegaan in goed overleg.
2. In afwijking van het hiervoor in lid 1 bepaalde zal een privé-investering niet door beide echtgenoten, ieder voor de helft, worden aangegaan, indien door beide echtgenoten schriftelijk anders wordt overeengekomen.
3. De financiering van deze privé-investeringen zal geschieden door ieder van de echtgenoten voor de helft. Indien een van de echtgenoten aangeeft zijn/haar aandeel van het geïnvesteerde bedrag niet (direct) te kunnen voldoen dan zal de andere echtgenoot de benodigde middelen voorschieten. Ten aanzien van dit voorgeschoten bedrag zal een overeenkomst van geldlening worden opgesteld onder voorwaarden en bepalingen als nader tussen echtgenoten overeen te komen.
4. a. Onder privé-investeringen wordt door de echtgenoten verstaan:
- de aan- en verkoop, huur en verhuur, de ontwikkeling, de exploitatie, de splitsing en het beheer van registergoederen in binnen- en buitenland;
- de aan- en verkoop van, de belegging in en het beheren van aandelen in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, een naamloze vennootschap of andere binnen- of buitenlandse rechtspersonen met aandelen of rechten op naam;
- het deelnemen in of aangaan van een onderneming in de vorm van een eenmanszaak, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap of ander samenwerkingsverband (joint venture) dan wel welke vorm ook.
b. Onder privé-investeringen wordt in elk geval door de echtgenoten uitdrukkelijk niet gerekend:
- de aan- en verkoop van en de belegging in aandelen, obligaties en andere waardepapieren genoteerd op de effectenbeurs;
- investeringen waarvan de overeenkomst tot het aangaan van de investering voor het sluiten van het huwelijk is vastgelegd.
5. Indien een der echtgenoten kennis heeft genomen van een privé-investering die ten onrechte alleen ten name van de andere echtgenoot is gesteld, heeft eerstgenoemde echtgenoot het recht te vorderen dat deze investering ook op zijn/haar naam wordt gesteld. Dit recht vervalt binnen drie (3) jaar nadat hij/zij van deze investering kennis heeft genomen, tenzij redelijkheid en billijkheid zich daartegen verzetten. De kosten voor de wijziging in de tenaamstelling zijn voor ieder van de echtgenoten voor de helft.
B. De comparanten verklaarden vervolgens de overige vermogensrechtelijke gevolgen van hun voorgenomen huwelijk te regelen door de volgende voorwaarden:
UITSLUITING
Artikel 1
De echtgenoten sluiten elke gemeenschap van goederen uit.
BEWIJSOVEREENKOMSTEN
Artikel 2
1. De onder A lid 1 beschreven privé-investeringen worden voor zover het goederen betreffen welke op naam staan geacht te zijn van de echtgenoot op wiens naam deze goederen staan, behoudens tegenbewijs.
Indien de privé-investeringen niet betreffen goederen welke op naam staan, worden deze goederen geacht te zijn van ieder van de echtgenoten voor de onverdeelde helft, behoudens tegenbewijs.
2. De roerende zaken en rechten aan toonder die behoren tot het beroeps- of bedrijfsvermogen van een echtgenoot worden geacht eigendom te zijn van die echtgenoot, behoudens tegenbewijs.
3. Kleding en lijfsieraden worden tot op tegenbewijs geacht eigendom te zijn van de echtgenoot die deze goederen gebruikt of tot wiens gebruik zij bestemd zijn.
4. De overige roerende zaken en rechten aan toonder worden geacht eigendom te zijn van de comparant sub 1 (hof: de man), behoudens tegenbewijs van de comparante sub 2 (hof: de vrouw).
VERGOEDINGSRECHTEN
Artikel 3
Een echtgenoot heeft een vergoedingsrecht jegens de andere echtgenoot, indien een bedrag of waarde ten behoeve van die andere echtgenoot aan zijn vermogen is onttrokken. De vergoeding is gelijk aan het bedrag of de waarde ten tijde van de onttrekking en is direct opeisbaar, tenzij redelijkheid en billijkheid zich tegen die opeisbaarheid verzetten.
BESTUUR
Artikel 4
Ieder van de echtgenoten heeft het bestuur over zijn goederen. Indien een echtgenoot het bestuur over zijn goederen aan de andere echtgenoot overlaat, zijn tussen hen de wettelijke bepalingen van opdracht van overeenkomstige toepassing. Daarbij worden de bijzondere verhouding tussen echtgenoten en de aard van de goederen in acht genomen.
KOSTEN VAN DE HUISHOUDING
Artikel 5
1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden geheel gedragen door de comparant sub 1 (hof: de man). Een en ander geldt niet voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.
2. Onder de kosten van de huishouding zijn begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de tot het gezin behorende kinderen, de premies voor de gebruikelijke verzekeringen, de kosten van vakanties, de huurprijs van de echtelijke woning en rente van geldleningen die verband houden met de aanschaf van de echtelijke woning en de vakantiewoning.
3. Indien de echtgenoten in onderling overleg niet samenwonen, worden de gezamenlijke kosten van de afzonderlijke huishoudens, waaronder begrepen de kosten die verband houden met de huisvesting van de echtgenoten, gedragen op de wijze als in lid 1 is bepaald.
(...)
PENSIOEN
Artikel 7
De echtgenoten sluiten de toepasselijkheid van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding uit, zodat bij echtscheiding en scheiding van tafel en bed op geen enkele wijze verevening of verrekening van rechten op ouderdomspensioen plaats vindt.
De aanspraken op nabestaandenpensioen worden bij echtscheiding en scheiding van tafel en bed eveneens niet verrekend.
VERREKENING OVERIGE OUDEDAGSVOORZIENINGEN
Artikel 8
Bij echtscheiding en scheiding van tafel en bed wordt de waarde van aanspraken op een oudedagsvoorziening, die geen pensioenrechten zijn in de zin van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding, niet verrekend.
BOEKHOUDING
Artikel 9
De echtgenoten zijn verplicht van hun inkomen en vermogen behoorlijk boek te houden en aan de andere echtgenoot de boeken en bescheiden op eerste vordering ten inzage te verstrekken.
Jaarlijks zal door de echtgenoten een overzicht worden opgesteld van de gemeenschappelijke privé-investeringen.
(...)”
Uit het huwelijk van partijen zijn geen kinderen geboren. De man heeft een zoon en dochter, [zoon 1] en [dochter 1] , uit een eerder huwelijk. Ook de vrouw heeft een zoon en dochter, [zoon 2] en [dochter 2] , uit een eerder huwelijk. Alle kinderen zijn inmiddels meerderjarig.
De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking van 10 december 2018 onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.
Dit hof heeft de vrouw bij beschikking van 16 mei 2019 (in de zaak bekend onder de zaaknummers 200.255.641/01 en 200.255.642/01) niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek in hoger beroep ten aanzien van de tussen partijen uitgesproken echtscheiding.
De echtscheidingsbeschikking is op 22 augustus 2019 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.