Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15-08-2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3199, 20-000146-16
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15-08-2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3199, 20-000146-16
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 15 augustus 2022
- Datum publicatie
- 11 oktober 2022
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2022:3199
- Formele relaties
- Cassatie: ECLI:NL:HR:2024:1007
- Zaaknummer
- 20-000146-16
Inhoudsindicatie
Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep
Uitspraak
Parketnummer : 20-000146-16
Uitspraak : 15 augustus 2022
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van
19 januari 2016, in de strafzaak met parketnummer 01-879041-13 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1981,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
De rechtbank heeft de verdachte bij vonnis waarvan beroep ter zake van mensenhandel (feit 1), mensenhandel, gepleegd door twee of meer verenigde personen (feit 2) en mensenhandel, gepleegd door twee of meer verenigde personen (feit 3) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar, met aftrek van voorarrest.
Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] gedeeltelijk toegewezen tot het bedrag van € 25.620,40 (bestaande uit een bedrag van € 23.620,40 ter zake van materiële schade en een bedrag van € 2.000,- ter zake van immateriële schade) en heeft zij de verdachte ter zake daarvan tevens de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
De rechtbank heeft de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde partieel vrijgesproken, voor zover het correspondeert met de inhoud van sub 1o, 4o en 9o van artikel 273f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
De verdachte heeft aanvankelijk onbeperkt hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis, maar heeft bij akte van 3 januari 2020 – tijdig – het hoger beroep ingetrokken voor zover het tegen deze vrijspraken was gericht.
Zoals het hof ter terechtzitting van 17 februari 2020 heeft geoordeeld, acht het hof de genoemde onderdelen van de tenlastelegging waarvan de verdachte is vrijgesproken impliciet cumulatief tenlastegelegde varianten van artikel 273f, eerste lid, onder 1o, 4o en 9o Sr. Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste en vijfde lid, Sr staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak.
Nu de verdachte zijn hoger beroep tegen die onderdelen van de tenlastelegging tijdig heeft ingetrokken, zijn die onderdelen in hoger beroep niet aan de orde.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf, de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel, onder aanvulling van het bewijs, en in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 33.620,40 (zijnde het totaal van het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 23.620,40 ter zake van materiële schade en een bedrag van € 10.000,- ter zake van immateriële schade), met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor datzelfde bedrag.
De verdachte heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging.
Subsidiair heeft de raadsman van de verdachte vrijspraak bepleit en meer subsidiair heeft hij een strafmaatverweer gevoerd. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij heeft de raadsman primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring, subsidiair tot gedeeltelijke afwijzing van de vordering.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover thans nog aan de orde – tenlastegelegd dat:
1.hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2010 tot en met 1 november 2010 te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of een of meerdere (andere) gemeente(n) in Nederland en/of in [plaats 4] (België) en/of [plaats 5] (België) en/of een of meerdere (andere) gemeente(n) in België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
[slachtoffer 1] heeft/hebben medegenomen met het oogmerk die [slachtoffer 1] in een ander land, te weten België, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (sub 3)
en/of
[slachtoffer 1] door dwang, door geweld of één of meer andere feitelijkheden, door dreiging met geweld of één of meer andere feitelijkheden, door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft gedwongen dan wel bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, te weten het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (sub 4)
en/of
[slachtoffer 1] door dwang, door geweld of één of meer andere feitelijkheden, door dreiging met geweld of één of meer andere feitelijkheden, door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft gedwongen dan wel bewogen hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handeling(en) van [slachtoffer 1] met of voor een derde (sub 9).
Immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) in voornoemde periode:
- een liefdesrelatie aangegaan/onderhouden met voornoemde [slachtoffer 1] en/of
- voornoemde [slachtoffer 1] onderdak verschaft en/of
- voornoemde [slachtoffer 1] (meermalen) naar een prostitutieplek vervoerd en/of
- die [slachtoffer 1] onder druk gezet en/of dreigende/agressieve taal jegens die [slachtoffer 1] geuit en/of
- voornoemde [slachtoffer 1] (meermalen) geslagen/gestompt en/of getrapt/geschopt en/of
- de werkzaamheden en/of werktijden van die [slachtoffer 1] gecontroleerd, althans haar verdiensten uit haar prostitutiewerkzaamheden gecontroleerd en/of
- die [slachtoffer 1] gezegd/voorgehouden dat het door haar met de prostitutiewerkzaamheden verdiende geld voor haar gespaard/bewaard zou worden en/of
- die [slachtoffer 1] gedwongen/bewogen (een groot deel van) haar verdiensten uit de prostitutie aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) af te staan/af te dragen;
2.hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2008 tot en met 3 mei 2009 in [plaats 3] en/of in [plaats 6] , en/of een of meerdere (andere) gemeente(n) in Nederland en/of in [plaats 4] en/of een of meerdere (andere) gemeente(n) in België en/of in Roemenië, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
[slachtoffer 2] heeft/hebben medegenomen met het oogmerk die [slachtoffer 2] in een ander land, te weten te weten vanuit Roemenië naar België en/of Nederland, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (sub 3)
Immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) in voornoemde periode:
- aan die [slachtoffer 2] verteld/voorgehouden dat zij in Nederland (in een supermarkt en/of in de horeca) zou kunnen gaan werken en/of
- voornoemde [slachtoffer 2] onderdak verschaft en/of
- die [slachtoffer 2] gedwongen seks met hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) te hebben en/of
- voornoemde [slachtoffer 2] (meermalen) naar een prostitutieplek vervoerd en/of laten vervoeren en/of
- die [slachtoffer 2] onder druk gezet en/of dreigende/agressieve taal jegens die [slachtoffer 2] geuit en/of
- die [slachtoffer 2] (dreigend) een vuurwapen getoond en/of
- die [slachtoffer 2] opgedragen/bevolen verdovende middelen (hennep en/of hasjiesj) te gebruiken en/of
- voornoemde [slachtoffer 2] (meermalen) geslagen/gestompt en/of getrapt/geschopt en/of
- een sigaret op het lichaam van die [slachtoffer 2] gedrukt en/of
- met een mes in de arm van [slachtoffer 2] gestoken/geprikt en/of
- ( de werkzaamheden van) die [slachtoffer 2] gecontroleerd, althans haar verdiensten uit haar prostitutiewerkzaamheden gecontroleerd en/of
- die [slachtoffer 2] gedwongen/bewogen (een groot deel van) haar verdiensten uit de prostitutie aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) af te staan/af te dragen;
3.hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2008 tot en met 14 april 2009 in [plaats 3] en/of in [plaats 6] en/of in een of meerdere (andere) gemeente(n) in Nederland en/of in [plaats 4] en/of een of meerdere (andere) gemeente(n) in België en/of in Roemenië, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
[slachtoffer 3] door dwang en/of geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld of één of meer andere feitelijkheden, en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van [slachtoffer 3] , (sub 1)
en/of
[slachtoffer 3] heeft/hebben medegenomen met het oogmerk die [slachtoffer 3] in een ander land, te weten vanuit Roemenië naar België en/of Nederland, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (sub 3)
en/of
[slachtoffer 3] door dwang, geweld of één of meer andere feitelijkheden, door dreiging met geweld of één of meer andere feitelijkheden, door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft gedwongen dan wel bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, te weten het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (sub 4)
en/of
[slachtoffer 3] door dwang, geweld of één of meer andere feitelijkheden, door dreiging met geweld of één of meer andere feitelijkheden, door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft gedwongen dan wel bewogen hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handeling(en) van [slachtoffer 3] met of voor een derde (sub 9).
Immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) in voornoemde periode:
- aan die [slachtoffer 3] verteld/voorgehouden dat zij in Nederland in de horeca zou kunnen gaan werken en/of die [slachtoffer 3] verteld/voorgehouden dat zij als danseres zou kunnen gaan werken en/of
- voornoemde [slachtoffer 3] onderdak verschaft en/of
- die [slachtoffer 3] gedwongen seks met hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) te hebben en/of
- voornoemde [slachtoffer 3] (meermalen) naar een prostitutieplek vervoerd en/of
- die [slachtoffer 3] onder druk gezet en/of dreigende/agressieve taal jegens die [slachtoffer 3] geuit en/of
- die [slachtoffer 3] (dreigend) een vuurwapen getoond en/of
- voornoemde [slachtoffer 3] (meermalen) geslagen/gestompt en/of getrapt/geschopt en/of
- ( meermalen) de keel van die [slachtoffer 3] heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden en/of
- ( de werkzaamheden van) die [slachtoffer 3] gecontroleerd, althans haar verdiensten uit haar prostitutiewerkzaamheden gecontroleerd en/of
- die [slachtoffer 3] gedwongen/bewogen haar verdiensten uit de prostitutie aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) af te staan/af te dragen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging
De verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – anders dan zijn raadsman – op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging, op de grond dat hij – de verdachte – geen eerlijk proces heeft gehad, doordat de door de verdediging verzochte getuigen [getuige 1] , [slachtoffer 2] en [getuige 2] niet door de verdediging konden worden ondervraagd. De verdachte heeft zich daarbij beroepen op de arresten van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EHRM) in de zaken Schatschaschwili tegen Duitsland (EHRM, 15 december 2015, nr. 9154/10, ECLI:CE:ECHR:2015:1215JUD000915410) en Keskin tegen Nederland (EHRM, 19 januari 2021, nr. 2205/16, ECLI:CE:ECHR:2021:0119JUD000220516).
Het hof overweegt hieromtrent dat op grond van vaste jurisprudentie dit verweer, voor zover al juist, niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging, maar – zoals ook de raadsman heeft betoogd – hooguit tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de genoemde getuigen. Het hof zal dit verweer daarom nader bespreken bij de verweren van de verdediging onder de kopjes ‘Vrijspraak feit 2’ en ‘Bewijsoverwegingen’.
Vrijspraak feit 2
De advocaat-generaal heeft zich voor wat betreft de vraag of het onder 2 tenlastegelegde kan worden bewezen aangesloten bij de overwegingen en de beslissingen van de rechtbank. Deze houden – samengevat – het volgende in. De rechtbank heeft de verklaringen van
[slachtoffer 2] uitgesloten van het bewijs van het onder 2 tenlastegelegde, omdat de verdediging niet de mogelijkheid heeft gehad deze getuige te ondervragen en de voor verdachte belastende verklaringen van [slachtoffer 2] niet verder (voldoende) worden ondersteund door andere bewijsmiddelen.
Volgens de rechtbank vinden de tenlastegelegde dwangmiddelen onvoldoende steun in ander bewijsmateriaal, zodat zij de verdachte heeft vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde voor zover dit correspondeert met de inhoud van sub 1o, 4o en 9o van artikel 273f Sr. Wel acht de rechtbank het onder 2 tenlastegelegde bewezen voor zover het ziet op de inhoud van sub 3 van dat artikel.
De verdediging heeft – op de gronden als nader in de pleitnotitie verwoord – geconcludeerd tot vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde. Deze gronden houden – zakelijk weergegeven – het volgende in. Primair is er geen bewijsmiddel voor het uitbuiten in relatie tot het aanwerven, medenemen of ontvoeren van [slachtoffer 2] door de verdachte en/of zijn mededader(s). Subsidiair zijn de verklaringen van [slachtoffer 2] niet bruikbaar voor het bewijs, omdat de verdediging niet de mogelijkheid heeft gehad haar te ondervragen.
Meer subsidiair zijn de verklaringen van [slachtoffer 2] niet betrouwbaar.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Bewijsuitsluiting
Het uit artikel 6, derde lid, sub d, van het EVRM voortvloeiende ondervragingsrecht houdt het recht in om getuigen à charge te (doen) ondervragen, waarbij de verdachte een ‘adequate and proper opportunity’ moet worden geboden om ‘practical and effective’ deze getuigen te kunnen ondervragen, ter toetsing van diens ‘reliability’ en ‘credibility’. Dat recht is echter niet absoluut. Ook zonder een dergelijke ondervragingsgelegenheid kunnen belastende verklaringen voor het bewijs worden gebruikt zonder dat dan sprake is van een oneerlijk strafproces. Het gebruik van belastende verklaringen voor het bewijs is in overeenstemming met het in artikel 6, eerste lid, EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, mits voldaan wordt aan het door het EHRM ontwikkelde toetsingskader (vgl. EHRM (Grote Kamer) 15 december 2011, appl. Nos. 26766/05 & 22228/06, Al-Khawaja & Tahery vs. Verenigd Koninkrijk en EHRM (Grote Kamer) 15 december 2015, appl. No. 9154/10, Schatschaschwili vs. Duitsland). Dat toetsingskader houdt de drie volgende beoordelingsaspecten in, die met elkaar verbonden zijn en samengenomen bepalen of een procedure als geheel eerlijk is geweest
1) bestond er een goede reden voor het ontbreken van een behoorlijke en effectieve ondervragingsgelegenheid en bijgevolg voor het gebruik van de in het vooronderzoek afgelegde belastende, niet door de verdediging via een ondervraging getoetste, verklaring van de getuige voor het bewijs?
2) Is de veroordeling uitsluitend of in beslissende mate gestoeld op de verklaring van de belastende getuige (‘sole or decisive rule’)?
3) Is de verdediging in voldoende mate gecompenseerd voor het ontbreken van die effectieve en behoorlijke ondervragingsgelegenheid?
Toepassing van dit door het EHRM ontwikkelde toetsingskader op het onderhavige geval brengt het hof tot de volgende beoordeling.
Het hof stelt allereerst vast dat aangeefster [slachtoffer 2] bij de politie meerdere, voor de verdachte belastende verklaringen heeft afgelegd.
In eerste aanleg heeft de verdediging verzocht om [slachtoffer 2] als getuige te doen horen bij de rechter-commissaris. Ondanks de door de politie verrichte naspeuringen naar haar verblijfplaats, zoals door de officier van justitie ter terechtzitting van de rechtbank van 17 december 2015 (nogmaals) is toegelicht, heeft dit niet tot resultaat geleid. Derhalve is het voor de verdediging in eerste aanleg niet mogelijk geworden [slachtoffer 2] als getuige bij de rechter-commissaris te horen. De verdediging heeft op de terechtzitting van de rechtbank van 17 december 2015 verklaard geen afstand te doen van het horen van deze getuige.
Ook in hoger beroep heeft de verdediging verzocht om (onder andere) [slachtoffer 2] als getuige te horen. Het hof heeft dit verzoek toegewezen en heeft de zaak daartoe verwezen naar de raadsheer-commissaris, met bepaling dat de verdediging de nadere gegevens van deze getuige dient aan te leveren.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris d.d. 20 mei 2021 blijkt – voor zover relevant – het volgende.
De toenmalige raadsvrouw van de verdachte heeft bij e-mailbericht van 28 februari 2020 er op gewezen dat de identificatiegegevens van de getuige [slachtoffer 2] te vinden zijn op p. 47 van dossier 03.2.3 (waaronder haar BSN-nummer en toenmalige woon- en verblijfplaats, te weten: [woonplaats 1] ).
Naar aanleiding van dit bericht heeft het kabinet van de raadsheer-commissaris een adresverificatie uitgezet bij de Roemeense autoriteiten op basis van voormelde (adres)gegevens.
Op 19 maart 2020 kreeg de griffier via het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) de bevestiging van de Roemeense autoriteiten dat de getuige nog geregistreerd stond op het adres in Roemenië. Om de getuige via een videoverbinding met Roemenië te horen is op 19 mei 2020 het Europees Opsporingsbevel aan de autoriteiten in Roemenië gezonden.
Op 7 december 2020 kreeg de griffier van het kabinet raadsheer-commissaris een bericht van de griffier, werkzaam bij het Court of Appeal te Constanța, Roemenië, dat de zaak met betrekking tot (onder andere) de getuige [slachtoffer 2] is afgewezen. Het kabinet van de raadsheer-commissaris heeft vervolgens aan de Roemeense rechter gevraagd om dit bericht nader te onderbouwen. Van de rechter uit Roemenië, de heer Teodor-Viorel Gheorghe kreeg het kabinet van de raadsheer-commissaris op 28 januari 2021 een e-mail dat hij via de politie ging proberen om de getuigen te traceren. Als dit zou lukken kon er daarna een verhoor plaatsvinden via een videoverbinding met Roemenië.
Op 8 februari 2021 stuurde rechter Teodor-Viorel Gheorghe de resultaten van het politieonderzoek naar (onder meer) de getuige [slachtoffer 2] . Deze getuige verbleef c.q. woonde niet (meer) in Roemenië. Getuige [slachtoffer 2] was in Italië aan het werk, maar van haar waren geen (adres)gegevens bekend.
Via rechter Teodor-Viorel Gheorghe heeft het kabinet van de raadsheer-commissaris het telefoonnummer ontvangen van de getuige [slachtoffer 2] . Hiermee is contact opgenomen, maar zij wilde het kabinet van de raadsheer-commissaris niet vertellen waar zij woonde of verbleef en ook wilde zij niet meer meewerken. Hierop verbrak zij de verbinding.
Naar aanleiding van bovenstaande informatie zag de raadsheer-commissaris in deze omstandigheden geen aanknopingspunten meer om (onder andere) de getuige [slachtoffer 2] binnen een aanvaardbare termijn te horen, waarop de zaak is teruggewezen naar de zitting.
Kortom, noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep heeft er een behoorlijke en effectieve ondervragingsgelegenheid bestaan voor de verdediging om de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de voordien bij de politie afgelegde verklaringen van de getuige
[slachtoffer 2] te toetsen. Het hof stelt vast dat de belastende verklaringen van [slachtoffer 2] niet verder (voldoende) worden ondersteund door andere bewijsmiddelen, zodat een bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde, voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen, in elk geval in beslissende mate (‘decisive’) op de verklaringen van deze getuige zou moeten worden gebaseerd.
Gelet op het vorenstaande, is het hof met de advocaat-generaal en de verdediging en in navolging van de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 2] dienen te worden uitgesloten van het bewijs.
Aan de beoordeling van het door de raadsman gestelde met betrekking tot de betrouwbaarheid van de door [slachtoffer 2] afgelegde verklaringen komt het hof dan ook niet meer toe.
Art. 273f, eerste lid, aanhef en sub 3o, Sr
Het hof gaat ervan uit dat aan de termen in de tenlastelegging dezelfde betekenis toekomt als aan die in de delictsomschrijving.
a. Algemeen juridisch kader art. 273f, eerste lid, Sr
Artikel 273f Sr luidde – ten tijde van het tenlastegelegde – als volgt:
‘1. Als schuldig aan mensenhandel wordt met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie gestraft:
1° degene die een ander door dwang, geweld of een andere feitelijkheid of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die ander heeft, werft, vervoert, overbrengt, huisvest of opneemt, met het oogmerk van uitbuiting van die ander of de verwijdering van diens organen;
2° degene die een ander werft, vervoert, overbrengt, huisvest of opneemt, met het oogmerk van uitbuiting van die ander of de verwijdering van diens organen, terwijl die ander de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt;
3° degene die een ander aanwerft, medeneemt of ontvoert met het oogmerk die ander in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling;
4° degene die een ander met een van de onder 1 genoemde middelen dwingt of beweegt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten of zijn organen beschikbaar te stellen dan wel onder de onder 1° genoemde omstandigheden enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van arbeid of diensten of zijn organen beschikbaar stelt.
5° degene die een ander ertoe brengt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling of zijn organen tegen betaling beschikbaar te stellen dan wel ten aanzien van een ander enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van die handelingen of zijn organen tegen betaling beschikbaar stelt, terwijl die ander de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt;
6° degene die opzettelijk voordeel trekt uit de uitbuiting van een ander;
7° degene die opzettelijk voordeel trekt uit de verwijdering van organen van een ander, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat diens organen onder de onder 1° bedoelde omstandigheden zijn verwijderd;
8° degene die opzettelijk voordeel trekt uit seksuele handelingen van een ander met of voor een derde tegen betaling of de verwijdering van diens organen tegen betaling, terwijl die ander de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt;
9° degene die een ander met een van de onder 1° genoemde middelen dwingt dan wel beweegt hem te bevoordelen uit de opbrengst van diens seksuele handelingen met of voor een derde of van de verwijdering van diens organen.
2. Uitbuiting omvat ten minste uitbuiting van een ander in de prostitutie, andere vormen van
seksuele uitbuiting, gedwongen of verplichte arbeid of diensten, slavernij en met slavernij of dienstbaarheid te vergelijken praktijken.
3. De schuldige wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien:
1° de feiten, omschreven in het eerste lid, worden gepleegd door twee of meer verenigde
personen;
(...)’
De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet van 9 december 2004, Stb. 645, waarbij het – later tot artikel 273f Sr vernummerde – artikel 273a Sr is ingevoerd, houdt onder meer in:
‘ALGEMEEN
1. Inleiding
Het onderhavige wetsvoorstel strekt tot uitvoering van aantal mondiale en regionale rechtsinstrumenten ter bestrijding van mensensmokkel, mensenhandel, uitbuiting van
kinderen en kinderpornografie. (...)
Mensenhandel is kort gezegd het dwingen – in ruime zin – van mensen om zich beschikbaar
te stellen tot het verrichten van (seksuele) diensten of om eigen organen beschikbaar te
stellen. (...)
Mensenhandel is (gericht op) uitbuiting. Bij de strafbaarstelling van mensenhandel staat het
belang van het individu steeds voorop. Dat belang is het behoud van zijn of haar lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid. De staat dient strafrechtelijke bescherming te bieden tegen aantasting van het recht op die integriteit en vrijheid. (...)
ARTIKELSGEWIJS (...)
Het protocol en het kaderbesluit inzake de bestrijding van mensenhandel hebben betrekking
op de bestrijding van mensenhandel met het oogmerk personen uit te buiten. Vanwege deze
wijde en algemene strekking wordt voorgesteld om de ingevolge deze instrumenten
strafbaar te stellen gedragingen te vatten in één nieuwe bepaling in titel XVIII van het
Tweede Boek, gewijd aan misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid. Voorgesteld wordt om
alle strafbaar te stellen gedragingen op te nemen in de nieuwe bepaling, en deze
gedragingen (...) te kwalificeren als mensenhandel. Nu deze nieuwe bepaling ook
mensenhandel, gericht op seksuele uitbuiting, omvat, heeft artikel 250a geen zelfstandige
betekenis meer. (...)
Het voorgestelde artikel 273a, eerste lid, ziet op mensenhandel in het algemeen, daaraan
gerelateerde vormen van uitbuiting en het trekken van profijt daaruit.’
(Zie Kamerstukken II 2003/04, 29 291, nr. 3, p. 1, 2, 15, 17 en 18).
b. Uitbuiting
Mede op grond van de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis en in aanmerking genomen dat handelen in strijd met artikel 273f, eerste lid, aanhef en onder 1o tot en met 9o, Sr wordt gekwalificeerd als ‘mensenhandel’ en in de tenlastegelegde periode is bedreigd met een gevangenisstraf van acht jaren (ingeval van alleen plegen), moet volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad worden aangenomen dat de in die onderdelen omschreven gedragingen alleen strafbaar zijn als zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij (het oogmerk van) uitbuiting kan worden verondersteld. Dit brengt mee dat die gedragingen eerst dan als ‘mensenhandel’ kunnen worden bestraft indien uit de bewijsvoering volgt dat voldaan is aan voormelde voorwaarde (vgl. Hoge Raad 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3309, Hoge Raad 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:554, rov. 2.4.2.-2.4.3., Hoge Raad 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1941, rov. 2.4.1-2.4.2 en Hoge Raad 15 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:39).
Voor bewezenverklaring van een op artikel 273f, eerste lid, Sr toegesneden tenlastelegging is derhalve vereist dat op grond van de omstandigheden van het geval (het oogmerk van) uitbuiting komt vast te staan. De vraag of – en zo ja, wanneer – sprake is van ‘uitbuiting’ in de zin van de onderhavige bepaling, is volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd (vgl. Hoge Raad 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099). Voor de invulling van de delictsomschrijving is niet nodig dat het slachtoffer daadwerkelijk wordt uitgebuit.
c. Art. 273f, eerste lid, aanhef en sub 3o, Sr: aanwerven, medenemen of ontvoeren
Onder ‘aanwerven’ wordt verstaan ‘iedere daad waardoor een persoon wordt aangeworven teneinde die persoon in een ander land tot prostitutie te brengen, zonder dat hoeft te blijken dat de wijze van aanwerving de keuzevrijheid heeft beperkt’ (vgl. Hoge Raad 18 april 2000, NJ 2000/443). Het aanwerven van een persoon in het ene land voor prostitutie in een ander land is dus strafbaar, ook al stemt de aangeworven persoon hiermee in (vgl. HR 6 juli 1999, NJ 1999/701). Daarbij is niet van belang of deze persoon al in de seksbranche werkzaam was (zie HR 7 april 1998, NJ 1998/729).
Voor ‘medenemen’ is voldoende dat het met zich mee voeren van een in de prostitutie te doen belanden persoon die vanuit het buitenland is aangeworven, plaats heeft in het kader van de overbrenging van die persoon naar een ander land. Niet noodzakelijk is derhalve dat er op het moment waarop de persoon in kwestie de grens overschrijdt, van medenemen sprake is. Ook op andere momenten gedurende de overbrenging kan van ‘medenemen’ sprake zijn (Hoge Raad 20 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3425 en ECLI:NL:PHR:2005:AU3425).
d. Het oordeel van het hof
Nu de verklaringen van aangeefster / getuige [slachtoffer 2] zijn uitgesloten van het bewijs, dient het hof te bezien of het onder 2 tenlastegelegde op basis van de overige bewijsmiddelen in het dossier wettig en overtuigend kan worden bewezen. Naar het oordeel van het hof is dat niet het geval. Zo kan op basis van de overige bewijsmiddelen onvoldoende worden vastgesteld wat de aard en de duur van de tewerkstelling was, of en zo ja, in hoeverre dat beperkingen voor [slachtoffer 2] meebracht en wat het economisch voordeel was wat met haar tewerkstelling is behaald. Ook overigens is niet komen vast te staan dat sprake was van het oogmerk van uitbuiting.
e. Conclusie
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.hij in de periode van 1 juli 2010 tot en met 1 november 2010 in Nederland en België,
[slachtoffer 1] heeft medegenomen met het oogmerk die [slachtoffer 1] in een ander land, te weten België, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (sub 3)
en
[slachtoffer 1] door dwang, door geweld, door dreiging met geweld, door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie heeft gedwongen dan wel bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, te weten het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (sub 4)
en
[slachtoffer 1] door dwang, door geweld, door dreiging met geweld, door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie heeft gedwongen dan wel bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van [slachtoffer 1] met of voor een derde (sub 9).
Immers heeft hij, verdachte, in voornoemde periode:
- een liefdesrelatie onderhouden met voornoemde [slachtoffer 1] en
- voornoemde [slachtoffer 1] onderdak verschaft en
- voornoemde [slachtoffer 1] meermalen naar een prostitutieplek vervoerd en
- die [slachtoffer 1] onder druk gezet en dreigende/agressieve taal jegens die [slachtoffer 1] geuit en
- voornoemde [slachtoffer 1] (meermalen) geslagen/gestompt en/of getrapt/geschopt en
- de werkzaamheden en/of werktijden van die [slachtoffer 1] gecontroleerd, althans haar verdiensten uit haar prostitutiewerkzaamheden gecontroleerd en
- die [slachtoffer 1] gezegd/voorgehouden dat het door haar met de prostitutiewerkzaamheden verdiende geld voor haar gespaard/bewaard zou worden en
- die [slachtoffer 1] gedwongen/bewogen haar verdiensten uit de prostitutie aan hem, verdachte, af te staan/af te dragen;
3.
hij in de periode van 1 december 2008 tot en met 14 april 2009 in Nederland en/of in België en/of in Roemenië, tezamen en in vereniging met een ander,
[slachtoffer 3] door misleiding, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven en vervoerd en overgebracht en gehuisvest, met het oogmerk van uitbuiting van [slachtoffer 3] (sub 1),
en
[slachtoffer 3] heeft medegenomen met het oogmerk die [slachtoffer 3] in een ander land, te weten vanuit Roemenië naar België en/of Nederland, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (sub 3)
en
[slachtoffer 3] door dreiging met geweld, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie heeft gedwongen dan wel bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, te weten het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (sub 4)
en
[slachtoffer 3] door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie heeft gedwongen dan wel bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van [slachtoffer 3] met of voor een derde (sub 9).
Immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader in voornoemde periode:
- aan die [slachtoffer 3] verteld/voorgehouden dat zij in Nederland in de horeca zou kunnen gaan werken en/of die [slachtoffer 3] verteld/voorgehouden dat zij als danseres zou kunnen gaan werken en
- voornoemde [slachtoffer 3] onderdak verschaft en
- die [slachtoffer 3] gedwongen seks met hem, verdachte, en zijn mededader te hebben en
- voornoemde [slachtoffer 3] naar een prostitutieplek vervoerd en
- dreigende/agressieve taal jegens die [slachtoffer 3] geuit en
- die [slachtoffer 3] (dreigend) een vuurwapen getoond en
- die [slachtoffer 3] gedwongen/bewogen haar verdiensten uit de prostitutie aan hem, verdachte, af te staan/af te dragen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
In de hiernavolgende bewijsmiddelen wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar:
I. het eindproces-verbaal van de politie Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, OPS-dossiernummer 2219120020 Vlinderdoder, proces-verbaalnummer 20131001.0900.20379, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beiden brigadier van de politie Eenheid Oost-Brabant en werkzaam bij de Dienst Regionale Recherche – Eindhoven , gesloten op 7 november 2013, met als bijlagen in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en/of andere geschriften.
Dit dossier omvat 9 genummerde ordnermappen, waarvan een aantal zelfstandig genummerd is. De zaaksdossiers betreffende feit 1 en 3 bevinden zich in map 5 respectievelijk map 6. De hierna genoemde paginanummers corresponderen met de paginanummering van deze mappen. De verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] bevinden zich in map 4. De hierna genoemde paginanummers bij zijn verklaringen corresponderen met de paginanummering in deze map.
II. De stukken van de rechter-commissaris, inhoudende een proces-verbaal verhoor betreffende de verklaring van [slachtoffer 3] bij de rechter-commissaris d.d. 23 april 2015.
Alle bewijsmiddelen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
Met betrekking tot feit 1:
Aangifte [slachtoffer 1] d.d. 13 juli 2011 (bron I, map 5)
(...)
[p. 46] (...) Ik denk dat ik toen 2 weken bij [verdachte] [het hof begrijpt hier en hierna telkens: de verdachte] woonde en tot op dat moment was het niet over prostitutie gegaan. Omdat ik de huur van mijn eigen huisje aan [woonplaats 2] niet betaald had, kon ik daar niet meer naar terug en moest ik wel bij [verdachte] blijven. Maar hij wilde ook dat ik bleef. [verdachte] en ik deden de dagen daarop samen dingen zoals weed roken en boodschappen. Ik werd nog meer verliefd op [verdachte] . Ik hield van hem maar vertrouwde hem niet zo, gewoon, mannen in het algemeen. [verdachte] had geen werk. Ik weet niet of hij een uitkering had. Na een paar dagen zei [verdachte] dat hij een club wist via [medeverdachte 2] , waar ik wel kon werken. [medeverdachte 2] kende de eigenaar schijnbaar. De club was in [plaats 5] , België. Meer kan ik me over dat eerste gesprek met [verdachte] over de club niet herinneren.. Ik had [verdachte] al over mijn schulden verteld, hij wist inmiddels alles van me. De eerste keer brachten [medeverdachte 2] en [verdachte] mij naar de club toe. De club heet volgen mij ‘ [seksclub] ’. [medeverdachte 2] liep met me naar binnen, [verdachte] bleef in de auto zitten. Ik kan me niet meer herinneren dat we in de auto afspraken gemaakt hebben. [medeverdachte 2] sprak de eigenaar van de club, [medeverdachte 3] , aan. Ik moest in de club wachten. Toen legde [medeverdachte 3] mij alles uit, dat de klant een meisje uitkoos, je ze eerst wat moest laten drinken en dan pas naar boven gaan. Daarna kon ik beginnen, wat ik op de eerste avond meteen heb gedaan. Ik hoefde nog geen ID te laten zien. Van de opbrengst van de drankjes die een klant dronk, kreeg ik de helft. Ik hoefde geen kamerhuur te betalen. De
klant betaalde vooraf aan [medeverdachte 3] . Aan het einde van de avond kreeg ik dan via [medeverdachte 3] betaald. Maar ik kan me van de prijzen qua seks niets meer herinneren, wel dat ik daar per avond ongeveer een 300-400 euro verdiende. Ik kreeg via [medeverdachte 3] uitbetaald voordat ik naar huis ging. Ik kan me niet herinneren hoe laat ik die eerste avond ben begonnen. Wel dat ik meestal werkte tot 04.00-06.00 uur ‘s nachts. Iedere avond bracht en haalde [medeverdachte 2] mij. Ik denk dat ik 3-4 dagen in die club heb gewerkt.
[p. 47] Het door mij verdiende geld gaf ik de dag erna aan [verdachte] . Volgens mij vroeg hij daarnaar. Ik gaf het hem uit gewoonte. Ik woonde toen nog bij hem in [plaats 1] . Omdat de club niets was en ik nog steeds geen legitimatie had laten zien daar, ging ik daar weg. Ik wilde mijn ID ook niet laten zien, dan werd ik geregistreerd en zo. Dat vertrek daar had ik met [verdachte] besproken en dat vond hij goed. [verdachte] kwam toen op het idee dat ik in [plaats 4] kon gaan werken. Ik kan me niet herinneren of ik diezelfde dag of hoeveel dagen later ik in [plaats 4] ben gaan werken. Met [verdachte] en [medeverdachte 2] ben ik op een gegeven moment naar [plaats 4] gegaan. Dat was met de auto van [medeverdachte 2] , toen een donkergrijze Volkswagen, vermoedelijk Passat, met Belgische kentekenplaten.
[verdachte] wilde dat ik ook een appartementje in [plaats 4] zou hebben, dan hoefde er niet elke dag twee keer op en neer gereden worden vanuit Nederland naar België. [verdachte] had ergens een krantje gehaald en zo vond hij een appartementje voor mij. [verdachte] liet [medeverdachte 2] bellen voor het
appartementje, omdat [medeverdachte 2] een Belg is. Het appartementje was in [plaats 4] , [plaats 4] op [adres 2] . Ik kon er dezelfde dag nog in. Samen met [verdachte] heb ik het appartement bekeken en tekende ik een contract. Ik kreeg geld van [verdachte] en ik moest zo de huur betalen aan de verhuurder. Dat was in een keer 1.100,- [het hof begrijpt: euro]. De huur was 500,- [het hof begrijpt: euro], de garage 50,- [het hof begrijpt: euro] en het totale bedrag was ook de borg. [verdachte] wilde er een garage bij waar hij zijn auto in kon parkeren. Het kan zijn dat het geld wat ik van [verdachte] kreeg voor de huur het door mij verdiende geld was. Van de verhuurder heb ik later nog een keer een brief gekregen omdat ik nog huur moest betalen over de maand september en oktober 2010. Ik heb daar alleen huur voor augustus 2010 betaald en denk daarom dat ik in augustus 2010 voor [verdachte] heb gewerkt.
Daarna reden we door naar de ramen van het [adres 5] aan het Valkenplein te [plaats 4] . [verdachte] en [medeverdachte 2] noteerden telefoonnummers van lege ramen, waarop ik die moest
bellen. Maar dat werd niets, toen ben ik zelf rond gaan rondlopen en bellen. Ik moest ’s nachts werken, dat waren de beste tijden. Ik ben sowieso een nachtmens en werk het liefst ‘s nachts, maar [verdachte] wist ook dat ik dan beter kon verdienen. Ik vond toen een geschikt raam en ik sprak met de verhuurders, een man en een vrouw, af dat ik op donderdag in dezelfde week kon beginnen. Ook werd er afgesproken dat ik € 600,- aan raamhuur zou betalen, voor een week van 7 avonden en nachten. Ik zou dan werken van 20.00-08.00 uur. Condooms en linnengoed waren niet inbegrepen. [verdachte] zorgde voor de condooms, ik denk ongeveer een doos in de 2 weken van 100 stuks, die leeg ging.
[p. 48] Volgens mij waren de prijzen daar 50 euro voor een kwartier tot 20 minuten. Dit was voor pijpen, neuken en één keer klaarkomen. 100 euro voor een halfuur en 200 euro voor een uur. Soms gaf ik dan wel korting. Drie kwart van de tijd bleven de klanten een halfuur. Soms deed ik wat extra, zoals anaal en pijpen zonder condoom, dat was 50 euro extra. Dat betekent dat ik dus gemiddeld 75 x l00 euro verdiende. Dat is 7.500 euro per 2 weken. Een kwart van de tijd verdiende ik gemiddeld 200 euro per klant omdat het of langer duurde of ik iets extra’s deed. Dat is dus 25 x 200 is 5.000 euro per 2 weken. Samengevat verdiende ik dus 12.500 euro per 2 weken, is 25.000 euro per maand.
Na het huren van het appartement en het eerste bezoek aan het raam zijn we terug naar [plaats 1] gereden. Waarschijnlijk was dat een maandag, een paar dagen voordat ik zou beginnen. (...) Die donderdag heeft [verdachte] me naar [plaats 4] gebracht, volgens mij in de groene Golf. Hij bracht me naar het appartement. Ik kan me ook niet meer herinneren wat we die middag hebben gedaan, maar wel dat [verdachte] me die avond naar het raam heeft gebracht. Volgens mij ging [verdachte] daarna terug naar zijn huis in [plaats 3] , ik denk naar [betrokkene 1] . [verdachte] en ik sms’ten vaak:
1) bijna altijd op het moment dat ik ging werken;
2) [verdachte] sms’te ook tegen de tijd dat hij ging slapen, rond 02.00 uur, of het druk was en wat ik
verdiend had;
3) ik moest hem sms’en als het rustig was, bijvoorbeeld vanaf 06.00 uur. Ik sms’te dan dat ik ging stoppen;
4) tevens sms’te ik [verdachte] als ik in de taxi stapte wanneer ik na het werk naar mijn appartement
ging;
5) ook sms’te ik [verdachte] als ik thuis in het appartement was en ging slapen.
Deze laatste sms’jes stuurde ik wat later, omdat ik eerst een jointje wilde roken en [verdachte] zou
denken dat ik langer aan het werk was geweest dan ik daadwerkelijk deed. Ik loog een beetje tegen hem qua tijd omdat ik bang was dat [verdachte] boos zou worden dat ik te vroeg met werken gestopt was. Al deze sms’jes moest ik [verdachte] sturen, hij vond dat ik hem op de hoogte moest houden. Hij zei dat hij dat wilde omdat hij dan in de gaten kon houden of alles goed met me was. Zou dat niet het geval zijn, dan kon hij iemand sturen zei hij. Van [verdachte] moest ik heen en terug met de taxi. Ook zou het voor mijn eigen veiligheid zijn dat ik met een taxi ging. Maar volgens [verdachte] moest het er zo ook op lijken dat ik zelfstandig werkte. Van de taxiritten moest ik van [verdachte] de briefjes bewaren zodat hij ook daadwerkelijk kon zien dat ik met de taxi was gegaan en niet met een klant. [verdachte] was bang dat ik er met een klant vandoor zou gaan en dan niet meer voor hem zou [p. 49] werken. De taxiritten kosten tussen de 8-12 euro en 10-l5 euro, dat lag aan het bedrijf. Gemiddeld kostte de taxi mij 22,50 euro per dag. [verdachte] kwam elke dag het door mij verdiende geld ophalen. Ik moest van hem het geld op tafel in het appartement leggen, zodat hij het alleen maar hoefde te pakken en hij meteen kon zien hoeveel het was. [verdachte] had het kastje om de garage te openen. Als hij bijna in de garage was, belde hij me op zodat ik de deur moest openen omdat hij geen sleutel van het appartement had.
Ik denk dat ik een maand onafgebroken voor [verdachte] in [plaats 4] heb gewerkt. Ik denk dat ik elke dag heb gewerkt. Ik heb daar zeker 2 volle dozen condooms opgemaakt en ik derde doos die ik van [verdachte] had gekregen aangebroken, maar daar heb ik er maar een paar uit gebruikt.