Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 04-10-2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3340, 200.306.890_01

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 04-10-2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3340, 200.306.890_01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
4 oktober 2022
Datum publicatie
10 oktober 2022
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2022:3340
Zaaknummer
200.306.890_01

Inhoudsindicatie

Borgtocht door middellijk bestuurder/aandeelhouder vennootschap in het kader van overeenkomst met betrekking tot betalingsregeling voor bestaande schuld en voortzetting verhuur auto’s. Geen toestemming echtgenoot. Vermelding in overeenkomst dat borgtocht is verstrekt ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van de vennootschap, werkt niet tegenover de echtgenoot. Borgtocht aangegaan toen vennootschap in financiële moeilijkheden verkeerde en voortbestaan onzeker was. Niet ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf. Als overeenkomst voordeel voor vennootschap opleverde, wordt dit niet anders.

Uitspraak

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.306.890/01

arrest van 4 oktober 2022

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te ’ [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. W. Plessius te ‘s-Hertogenbosch,

tegen

[de B.V.] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [de B.V.] ,

advocaat: mr. P.A. Vos te Amsterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 4 februari 2022 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 10 november 2021, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats

‘s-Hertogenbosch, gewezen tussen [de B.V.] als eiseres en [appellant] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/366261 / HA ZA 20-868)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het tussenvonnis van 17 februari 2021 dat daaraan voorafging.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding in hoger beroep, met productie 1

-

de memorie van grieven in principaal hoger beroep, met producties A en B en 3 tot en met 15

-

de memorie van antwoord in principaal hoger beroep en van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, met een wijziging van eis, met producties 1 tot en met 6

-

de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, met producties 16 en 17

-

de akte uitlating producties van [de B.V.]

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De feiten

In dit hoger beroep neemt het hof tot uitgangspunt de feiten die de rechtbank heeft vastgesteld in onderdeel 2 van het bestreden vonnis. Voor zover relevant vult het hof de opsomming aan met enkele andere feiten die tussen partijen vaststaan.

3.1.

[de B.V.] verhuurt auto’s.

3.2.

[appellant] is bestuurder en enig aandeelhouder van [x] Holding B.V. (hierna:

de holding). De holding was bestuurder en enig aandeelhouder van [B.V. 2] (hierna: [B.V. 2] ). [B.V. 2] had een bedrijf in de verhuur van (bestel)auto’s en gebruikte daarvoor de domeinnaam [domeinnaam 1]

3.3.

[de B.V.] en [B.V. 2] hebben op 12 april 2013 een overeenkomst gesloten, op grond waarvan [de B.V.] auto’s verhuurde aan [B.V. 2] , steeds voor korte perioden. [B.V. 2] verhuurde deze auto’s aan haar klanten.

3.4.

Op 1 mei 2019 had [B.V. 2] een schuld uit hoofde van de huur van auto’s van [de B.V.] van € 140.327,63. Op of rond 1 juli 2019 hebben [de B.V.] (‘schuldeiser’), [B.V. 2] (‘schuldenaar’) en [appellant] (‘borg’) een overeenkomst ondertekend met het opschrift ‘schuldbekentenis, pandakte & borgtocht’. Deze overeenkomst luidt onder meer:

‘(C) Schuldenaar Schuldeiser verzocht heeft: (I) de Schuld en daarover te

vervallen rente in termijnen te mogen aflossen; en (II) de

Huurovereenkomst voort te zetten, in ruil, voor de in deze Overeenkomst

door Schuldenaar te verstrekken pandrechten en in ruil voor de in deze

Overeenkomst door Borg verstrekte borgtocht voor de schulden van

Schuldenaar aan Schuldeiser’.

De overeenkomst bevat onder meer een regeling voor het afbetalen van de schuld van [B.V. 2] in maandelijkse termijnen van € 3.500,-, met een vergoeding van een rente van 8% per jaar en het verstrekken van zekerheden aan [de B.V.] door [B.V. 2] en [appellant] voor het voldoen van de schuld. Deze zekerheden bestonden uit het verlenen van pandrechten op vorderingen van [B.V. 2] en een borgstelling door [appellant] . Over deze pandrechten en borgtocht is onder meer bepaald:

Pandrechten

Overeenkomst tot verpanden en verpanding

9. De Schuldenaar verbindt zich hierbij tot verpanding aan de Schuldeiser van

zijn huidige en toekomstige Vorderingen en geeft deze Vorderingen hierbij,

voor zover het toekomstige Vorderingen betreft bij voorbaat, aan de

Schuldeiser in pand. De Schuldeiser aanvaardt deze verpanding.

(...)

Bevoegdheid tot verpanding en eerste in rang

11. De Schuldenaar verklaart dat hij tot de verpanding bevoegd is (...).

(...)

Domeinnamen

14. Onder het Pandrecht vallen mede alle Vorderingen van Schuldenaar jegens

SIDN met betrekking tot de volgende domeinnamen: [domeinnaam 1]

Schuldeiser zal- een kopie van deze Overeenkomst aan SIDN sturen ter registratie

van dit Pandrecht ten laste van genoemde domeinnamen.

Borgtocht

Reikwijdte Borgtocht

15. Borg verstrekt deze Borgtocht ten behoeve van de normale uitoefening van

het bedrijf van Schuldenaar, waarvan hij indirect enig bestuurder en enig

aandeelhouder is. De Borgtocht geldt voor al hetgeen Schuldenaar aan

Schuldeiser nu of te eniger tijd verschuldigd mocht zijn uit hoofde van deze

Overeenkomst en/of de Huurovereenkomst, echter tot geen hoger bedrag

dan EUR 140.327,63 (honderd veertig duizend drie honderd zeven en twintig

Euro en drie en zestig Euro cent), te vermeerderen met de rente daarover

berekend op basis van het door Schuldenaar verschuldigde rentepercentage, en alle kosten op de invordering vallend.

(...)

Borg is bekend met financiële situatie Schuldenaar

19. Borg verklaart bekend te zijn met de financiële positie van Schuldenaar en met de inhoud van de verbintenissen van Schuldenaar jegens Schuldeiser. Schuldeiser heeft aan Borg doel en strekking van de borgstelling medegedeeld. Borg verklaart de mogelijke consequenties van de borgstelling ten volle te beseffen.’

3.5.

[B.V. 2] heeft niet voldaan aan haar verplichtingen uit de overeenkomst van 1 juli 2019. Bij brief van 27 oktober 2020 heeft [de B.V.] [appellant] tot betaling aangesproken uit hoofde van de borgtocht.

3.6.

Op 28 oktober 2019 heeft de holding 20% van haar aandelen in [B.V. 2] verkocht en overgedragen aan [B.V. 3] (hierna: [B.V. 3] ).

3.7.

Op 4 november 2020 heeft [de B.V.] ten laste van [appellant] diverse conservatoire beslagen gelegd.

3.8.

Bij brief van 19 november 2020 heeft de echtgenote van [appellant] aan [de B.V.] meegedeeld dat zij geen toestemming had verleend voor de borgtocht en dat zij een beroep deed op de vernietigingsgrond die in art. 1:89 BW is opgenomen.

4 De procedure in eerste aanleg

5 De beoordeling in hoger beroep

6 De uitspraak