Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 02-11-2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3811, 21/00877

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 02-11-2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3811, 21/00877

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
2 november 2022
Datum publicatie
26 januari 2023
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2022:3811
Zaaknummer
21/00877
Relevante informatie
Art. 17 lid 2 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ

Inhoudsindicatie

WOZ-zaak. Waardering bouwmarkt. Aansluiten bij eigen verkoopcijfer hoewel sprake is van verkoop in verhuurde staat? Huurwaarde-kapitalisatiemethode. Correcties voor leegstand en ‘de kraag’?

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 21/00877

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V. (voorheen [naam 1] B.V.),

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van rechtbank Zeeland-West Brabant (hierna: de rechtbank) van 7 mei 2021, nummer BRE 19/171 in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente [plaats] ,

hierna: de heffingsambtenaar,

en

de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) waarbij de waarde van de onroerende zaak [adres] (hierna: de onroerende zaak) voor het jaar 2018 is vastgesteld op € 4.160.000 per waardepeildatum 1 januari 2017 (hierna: de beschikte waarde). Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen ‘gebruiker’ voor het jaar 2018 (hierna: de aanslag) bekendgemaakt.

1.2.

De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar de beschikte waarde en de aanslag gehandhaafd.

1.3.

De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft zowel de heffingsambtenaar als de Staat veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade en om die reden deze partijen tevens veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en tot vergoeding van het door belanghebbende betaalde griffierecht.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft hierop gereageerd. De heffingsambtenaar heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

1.5.

De zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2022 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] .

1.6.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is de gebruiker van de onroerende zaak. De onroerende zaak wordt gebruikt als een bouwmarkt ( [bouwmarkt] ) en bestaat uit een winkelgedeelte, kantoorruimte, opslag (totaal ca 3.950 m²) en een overkapping/luifel, met een groot parkeerterrein op de Woonboulevard [plaats] .

2.2.

Belanghebbende heeft per 1 april 2010 de onroerende zaak gehuurd voor een periode van 15 jaar. De huurovereenkomst voorziet in een geïndexeerde huurprijs. De verhuurder heeft de onroerende zaak verkocht aan een derde op 1 juli 2016 voor € 4.175.000 (hierna: de eigen verkoopprijs). De huurprijs was op dat moment € 396.500.

2.2.

Partijen hebben eerder geprocedeerd over de waarde op grond van de Wet WOZ (hierna: WOZ-waarde) van de onroerende zaak voor het jaar 2017. Bij het gerechtshof zijn partijen toen bij wijze van compromis overeengekomen dat de WOZ-waarde € 3.600.000 bedraagt. De WOZ-waarde is voor elk van de jaren 2019 tot en met 2021 (uiteindelijk) vastgesteld op datzelfde bedrag. De WOZ-waarde voor het jaar 2022 is vastgesteld op € 3.380.000.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de beschikte waarde te hoog is.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vermindering van de WOZ-waarde tot € 3.261.000. De heffingsambtenaar concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4 Gronden

5 Beslissing