Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12-04-2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1204, 21/01183
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12-04-2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1204, 21/01183
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 12 april 2023
- Datum publicatie
- 2 mei 2023
- Zaaknummer
- 21/01183
Inhoudsindicatie
WOZ. Het hof is van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog is. De rechtbank heeft de forfaitaire proceskostenvergoeding te laag vastgesteld, omdat het hogere tarief geldt en omdat er bij de rechtbank twee zittingen zijn geweest waar de gemachtigde van belanghebbende aanwezig was. De vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in beroep is ook te laag vastgesteld, omdat het coronavirus niet in algemene zin mag worden aangemerkt als bijzondere omstandigheid.
Het hof stelt de vergoeding voor de hoger beroepsprocedure zelf vast op een bedrag van € 150 voor zowel deze procedure als een andere gelijktijdig behandelde procedure aangezien het samenhangende zaken betreft. Naar het oordeel van het hof is namelijk sprake van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, lid 3, Bpb die aanleiding geven tot een lagere vergoeding. Indien met die bijzondere omstandigheden geen rekening wordt gehouden en vast zou worden gehouden aan het puntensysteem zoals opgenomen in het bpb, leidt dit namelijk zonder twijfel tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft. Het hof wijkt daarom af van het puntensysteem.
Uitspraak
Team belastingrecht
Enkelvoudige Belastingkamer
Nummer: 21/01183
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank) van 6 augustus 2021, nummer ROE 18/276 in het geding tussen belanghebbende en
Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (BsGW),
hierna: de heffingsambtenaar,
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres] in [plaats] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2017 bekendgemaakt.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het hof heeft voorafgaand aan de zitting een recente machtiging bij (de gemachtigde van) belanghebbende opgevraagd. Deze door het hof ontvangen machtiging met bijlage wordt gelijktijdig met de uitspraak aan de heffingsambtenaar verzonden.
Belanghebbende heeft voor de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de heffingsambtenaar.
De zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2023 in ’s-Hertogenbosch. Aan die zitting heeft digitaal deelgenomen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende.
Namens de heffingsambtenaar zijn [heffingsambtenaar 1] en [heffingsambtenaar 2] verschenen.
Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaak met nummer 21/01184.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2 Feiten
Belanghebbende is gebruiker van de onroerende zaak. Dit is een [hotel] .
De waarde van de onroerende zaak is door de heffingsambtenaar per waardepeildatum 1 januari 2016 (hierna: de waardepeildatum) vastgesteld op € 709.000.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak en de aanslag gehandhaafd.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, maar wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn aan belanghebbende toegekend. Daarbij heeft de rechtbank de redelijke termijn verlengd vanwege de uitbraak van het coronavirus en de gevolgen daarvan. De rechtbank heeft eveneens een proceskostenvergoeding toegekend voor de door een derde verleende rechtsbijstand. Die vergoeding is vastgesteld op € 534,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 0,5), waarbij de rechtbank van oordeel is dat sprake is van samenhangende zaken in de zin van artikel 3 Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit).
3 Geschil en conclusies van partijen
In geschil is of:
i) de WOZ-waarde van de onroerende zaak te hoog is vastgesteld,
ii) te laat is gereageerd op een beroep op betalingsonmacht bij de rechtbank, en
iii) of de rechtbank a) de proceskostenvergoeding en b) de immateriële schadevergoeding tot het juiste bedrag heeft vastgesteld.
Ter zitting heeft belanghebbende de klacht dat de taxatieverslagen niet tijdig dan wel volledig zouden zijn overgelegd ingetrokken.
Belanghebbende concludeert tot een WOZ-waarde van € 699.000 en tot het toekennen van een hogere proceskostenvergoeding en immateriële schadevergoeding. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.