Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18-01-2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:145, 22/00752

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18-01-2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:145, 22/00752

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18 januari 2023
Datum publicatie
13 juli 2023
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2023:145
Zaaknummer
22/00752
Relevante informatie
Art. 225 Gemw

Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting. Verwijzingszaak naar aanleiding van het arrest van 11 maart 2022 (ECLI:NL:HR:2022:346). Het hof stelt vast dat belanghebbende voor het eerste uur parkeerbelasting heeft voldaan en dat daarom de naheffingsaanslag parkeerbelasting dient te worden vernietigd.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 22/00752

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de rechtbank) van 13 december 2019, nummer UTR 19/2089, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente [plaat] ,

hierna: de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de bestreden uitspraak op bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden uitspraak op bezwaar in stand blijven.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover het betreft de beslissing omtrent de proceskostenveroordeling en de uitspraak van de rechtbank voor het overige bevestigd.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 11 maart 20221 (hierna: het verwijzingsarrest) het beroep in cassatie gegrond verklaard, de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vernietigd, maar uitsluitend voor zover daarin de uitspraak van de rechtbank is bevestigd, en het geding verwezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het hof) ter verdere behandeling van de zaak met inachtneming van het verwijzingsarrest.

1.6.

Zowel belanghebbende als de heffingsambtenaar heeft naar aanleiding van het verwijzingsarrest een conclusie ingediend.

1.7.

De zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2022 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [A] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar 1] , [heffingsambtenaar 2] en [heffingsambtenaar 3] .

1.8.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat zijn auto op 2 februari 2019 stond op de [adres] in [plaat] , een door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaat] (hierna: het College) aangewezen plaats waar met betaling van parkeerbelasting maximaal een uur mag worden geparkeerd. Op het in de naheffingsaanslag vermelde tijdstip stond de auto daar langer dan een uur.

2.2.

De Hoge Raad heeft in het verwijzingsarrest het volgende geoordeeld:

“ 3.2.1 Het tweede middel is gericht tegen het hiervoor onder 2.3.3 weergeven oordeel van het Hof. Het middel betoogt dat niet in geschil is dat voor het eerste uur parkeren parkeerbelasting was voldaan. Het middel betoogt voorts dat bij het opleggen van de naheffingsaanslag geen sprake meer was van ‘parkeren’ van de auto in de zin van artikel 225, lid 1, Gemeentewet in samenhang met de Verordening omdat parkeren na het verstrijken van de maximum parkeerduur van een uur niet meer was toegestaan en het laten staan van de auto dus in strijd was met een wettelijk voorschrift.

3.2.2

Artikel 225, aanhef en lid 1, Gemeentewet bepaalt dat in het kader van de parkeerregulering een belasting kan worden geheven ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij of krachtens belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze.

3.2.3

In dit geval heeft het College krachtens de Verordening bepaald dat op de [adres] parkeren tegen betaling op aangifte is toegestaan voor een maximale parkeerduur van een uur. Daarvan uitgaande moest belanghebbende voor het eerste uur parkeren op de [adres] parkeerbelasting op aangifte voldoen. Omdat belanghebbende niet langer dan dat uur mocht parkeren, was hij niet gehouden ook voor de tijd daarna parkeerbelasting op aangifte te voldoen.

3.2.4

Het Hof heeft aan zijn in 2.3.3 weergegeven oordeel dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd ten grondslag gelegd dat de verschuldigde parkeerbelasting niet was betaald. Indien het Hof daarmee heeft bedoeld vast te stellen dat belanghebbende in het geheel geen parkeerbelasting heeft voldaan, dus ook niet voor het eerste uur, is die vaststelling zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk in het licht van de verklaring van de heffingsambtenaar ter zitting van het Hof dat belanghebbende voor een uur had betaald. Indien het Hof heeft bedoeld vast te stellen dat belanghebbende geen parkeerbelasting had betaald voor de periode na afloop van dat eerste uur, getuigt het daarop volgende oordeel dat die parkeerbelasting terecht is nageheven van een onjuiste rechtsopvatting. Zoals in 3.2.3 is overwogen was belanghebbende niet gehouden voor de periode na ommekomst van het eerste uur parkeerbelasting op aangifte te voldoen. Naheffing van parkeerbelasting voor die periode is dan niet mogelijk omdat artikel 20 AWR de mogelijkheid tot naheffing beperkt tot belasting die op aangifte behoort te worden voldaan maar niet is betaald.

3.3

Het tweede middel slaagt. Gelet op hetgeen is overwogen in 3.2.4 kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.”

3 Geschil

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd.

3.2.

Het hof heeft de verwijzingsopdracht zo opgevat dat alleen nog feitelijk vastgesteld dient te worden of belanghebbende voor het eerste uur parkeerbelasting heeft voldaan. Indien dat het geval is, dan dient de naheffingsaanslag vernietigd te worden. Naheffing van parkeerbelasting over de periode na afloop van het eerste uur is, op grond van hetgeen de Hoge Raad in zijn rechtsoverwegingen 3.2.2 tot en met 3.2.4 heeft geoordeeld, namelijk niet mogelijk.

4 Gronden