Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 14-06-2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1957, 22/00042 en 22/00043
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 14-06-2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1957, 22/00042 en 22/00043
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 14 juni 2023
- Datum publicatie
- 7 september 2023
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2021:5989, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- 22/00042 en 22/00043
- Relevante informatie
- Art. 224 Gemw, Art. 11 AWR
Inhoudsindicatie
Toeristenbelasting. Het hof oordeelt dat het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel slaagt en vernietigt de aanslagen toeristenbelasting 2016.
Uitspraak
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 22/00042 en 22/00043
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 15 november 2021, nummers SHE 20/1968 en 20/1969, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant,
hierna: de heffingsambtenaar.
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft de volgende aanslagen toeristenbelasting opgelegd:
- -
-
de aanslag toeristenbelasting 2016 (aanslagnummer [nummer 1] : ‘chalets [B.V. 1] ’) ter hoogte van € 15.438,50 (zaaknummer: 22/00042);
- -
-
de aanslag toeristenbelasting 2016 (aanslagnummer [nummer 2] : ‘chalets [B.V. 2] ’) ter hoogte van € 53.858,20 (zaaknummer: 22/00043).
De aanslagen toeristenbelasting 2016 met aanslagnummers [nummer 1] en [nummer 2] worden hierna genoemd: de aanslagen.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2023 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen, als gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde] , en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar 1] .
Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.
2 Feiten
Op de locatie [adres] in [vestigingsplaats] is naast of achter het ter plaatse aanwezige [belanghebbende] een chaletpark.
Belanghebbende verhuurde in 2016 aan de uitzendbureaus [B.V. 1] B.V. en [B.V. 2] B.V. (hierna gezamenlijk: de uitzendbureaus) ongeveer 170 tot 180 chalets. Deze uitzendbureaus huurden de chalets ten behoeve van overnachtingsplekken voor arbeidsmigranten.
In (onder meer) de jaren 2013 en 2014 zijn aan de uitzendbureaus aanslagen toeristenbelasting opgelegd ter zake van het bieden van verblijf in de chalets aan de arbeidsmigranten.
Op instigatie van de heffingsambtenaar is in 2017 een discussie gevoerd over de vraag wie als belastingplichtige voor de toeristenbelasting kan worden aangemerkt ter zake van de chalets die door belanghebbende aan de uitzendbureaus zijn verhuurd ten behoeve van overnachtingsplekken voor arbeidsmigranten. De heer [heffingsambtenaar 2] heeft, namens de heffingsambtenaar, op 15 december 2017 een e-mailbericht aan belanghebbende gestuurd met – voor zover van belang – de volgende inhoud:
“Vorige week donderdag 7 december 2017 heeft er overleg plaatsgevonden over de toeristenbelasting voor de chalets van [belanghebbende] . Bij dit gesprek waren dhr. [A] , dhr. [gemachtigde] , dhr. [B] en ondergetekende aanwezig. (…)
Uw standpunt
U heeft ingebracht dat [belanghebbende] niet de belastingplichtige is voor de belastingjaren 2015, 2016 en 2017. U bent van mening dat dit de diverse uitzendorganisaties die de chalets hebben gehuurd zijn. U verwijst daarbij naar een arrest uit 2016 (Hoge Raad).
U heeft duidelijk aangegeven geen vaststellingsovereenkomst te gaan tekenen voor de jaren 2015, 2016 en 2017. Wel wilt u een vaststellingsovereenkomst aangaan voor 2018 en verder waarbij [belanghebbende] wordt aangemerkt als belastingplichtige. U ziet daarvoor graag een voorstel zodat ze deze kunnen bespreken met hun huurders (uitzendbureaus). (…)
Wat is er afgesproken?
Ik zal het arrest nader gaan bestuderen en een terugkoppeling geven wat het definitieve standpunt is van BSOB ( [vestigingsplaats] ). Mocht het zou zijn dat de uitzendbureaus inderdaad aangemerkt hadden moeten worden dan gaan we dat alsnog doen. Mevr. [A] zal de nodige informatie (huurgegevens) hiervoor aanleveren. Ik maak dan tevens een berekening o.b.v. deze huurgegevens met de bijbehorende grondslagen (forfait). Deze zal hij ook met jou ( [vestigingsplaats] ) bespreken. (…)
Voortgang
Ik heb vanmorgen met dhr. [gemachtigde] gesproken. Aangegeven dat ik zijn mening rondom de belastingplicht kan volgen maar dat de hoge raad de AG niet geheel volgt. Het arrest en conclusie van de AG geven wel een mooi handvat om de belastingplicht te bepalen in deze specifieke situatie vast te stellen. Om dit te kunnen bepalen verzoek ik u de huurovereenkomsten met de uitzendbureaus toe te sturen. Na ontvangst en bestudering van de overeenkomsten zal er door BSOB een standpunt ingenomen worden over de belastingplicht. Ik ga ervan uit dat dit nog voor 31 december 2017 zal gebeuren.
Wanneer het voorgaande duidelijk is dan zal in januari 2018 vervolg worden gegeven aan de overeenkomst voor 2018 en verder.”
Met dagtekening 30 november 2018 is (onder meer) de aanslag toeristenbelasting 2016 aan belanghebbende opgelegd naar een te betalen bedrag van € 19.200,50. Daarbij is uitgegaan van 17.455 overnachtingen. Deze aanslag heeft betrekking op de geboden gelegenheid tot het houden van verblijf in het hotel en vier chalets op seizoenstandplaatsen en correspondeert met de door belanghebbende ingediende aangifte toeristenbelasting voor het belastingjaar 2016. Op het tegen deze aanslag gemaakte bezwaar is bij uitspraak op bezwaar van 11 mei 2019 beslist. Het daartegen ingestelde beroep is door de rechtbank bij uitspraak van 16 maart 20201 ongegrond verklaard. Het hof heeft deze uitspraak op 10 september 20202 bevestigd. Die procedure is daarmee tot een einde gekomen.
De heffingsambtenaar heeft aan de uitzendbureaus, voor zover hier van belang, op 31 december 2018 aanslagen toeristenbelasting opgelegd over het belastingjaar 2016. De (bezwaar- en/of beroeps)procedure die is gevoerd over de aan deze uitzendbureaus opgelegde aanslagen betrof hoofdzakelijk de vraag wie aangemerkt moet worden als belastingplichtige voor de aanslagen toeristenbelasting: de uitzendbureaus of de verhuurder [belanghebbende] De procedure met betrekking tot [B.V. 1] B.V. heeft geleid tot de uitspraak van de rechtbank van 5 december 2019.3 De beroepen van [B.V. 1] B.V. zijn gegrond verklaard, omdat het uitzendbureau ten onrechte als belastingplichtige voor de toeristenbelasting was aangemerkt. De aanslag toeristenbelasting 2016 is door de rechtbank vernietigd. Er zijn tegen de uitspraak van de rechtbank geen rechtsmiddelen aangewend. Het bezwaar van [B.V. 2] B.V. tegen de aanslag toeristenbelasting 2016 is bij uitspraak op bezwaar van 14 februari 2020 op dezelfde gronden gegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft de aan [B.V. 2] B.V. opgelegde aanslag toeristenbelasting 2016 vernietigd.
Omdat de wettelijk termijn van drie jaren voor het opleggen van de aanslag, als bedoeld in artikel 11, lid 3, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), dreigde te verstrijken, zonder dat op dat moment al vaststond wie belastingplichtig was, heeft de heffingsambtenaar aan de rechtspersonen [belanghebbende] en [B.V. 3] B.V., die volgens de heffingsambtenaar potentieel één van de belastingplichtigen zouden zijn, ter behoud van rechten aanslagen toeristenbelasting voor het belastingjaar 2016 opgelegd.
De aanslagen toeristenbelasting voor de belastingjaren 2016 (en 2017) die zijn opgelegd aan [B.V. 3] B.V. met dagtekening 6 en 21 december 2019 zijn bij uitspraak op bezwaar van 29 juni 2020, aangevuld met de uitspraak op bezwaar van 22 juli 2020, door de heffingsambtenaar vernietigd. Bij uitspraak van 30 juni 20214 heeft de rechtbank de beroepen die door [B.V. 3] B.V. zijn ingesteld gegrond verklaard voor zover bij de uitspraak op bezwaar aan [B.V. 3] B.V. geen kostenvergoeding voor de bezwaarfase was toegekend.
De aanslagen zijn met dagtekening 30 december 2019 opgelegd. De aanslag met aanslagnummer [nummer 1] ziet op de in 2016 aan [B.V. 1] B.V. verhuurde chalets (14.035 overnachtingen) en de aanslag met aanslagnummer [nummer 2] ziet op de aan [B.V. 2] B.V. verhuurde chalets (48.962 overnachtingen). Belanghebbende heeft tegen de aanslagen tijdig bezwaar gemaakt en heeft zijn bezwaar tegen die aanslagen aangevuld met gronden. Op 24 juni 2020 heeft een telefonisch hoorgesprek plaatsgevonden.
Nadat de heffingsambtenaar op 11 mei 2020 per e-mail heeft verzocht informatie te verstrekken over wie formeel de verhuurder was van de chalets op het terrein van [belanghebbende] , heeft (de gemachtigde van) belanghebbende op 19 mei 2020 aangegeven dat niet [B.V. 3] B.V. de verhuurder is, maar [belanghebbende]
De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
3 Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de aanslagen terecht aan belanghebbende zijn opgelegd.
Het geschil spitst zich toe op de volgende vragen:
-
Staat het vertrouwensbeginsel in de weg aan de heffing van toeristenbelasting bij belanghebbende over het belastingjaar 2016 ter zake van aan de uitzendbureaus verhuurde chalets?
-
Mocht aan belanghebbende een tweede en derde (primitieve) aanslag toeristenbelasting opgelegd worden?
-
Indien vraag 2 ontkennend dient te worden beantwoord: kunnen de aanslagen worden geconverteerd in navorderingsaanslagen?
De hoogte van de aanslagen is niet in geschil. Evenmin is (nog) in geschil dat belanghebbende in 2016 ter zake van de aan de uitzendbureaus verhuurde chalets de belastingplichtige voor de toeristenbelasting was.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en – naar het hof begrijpt – vernietiging van de aanslagen.
De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.