Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 05-07-2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:2188, 21/01512

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 05-07-2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:2188, 21/01512

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
5 juli 2023
Datum publicatie
12 oktober 2023
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2023:2188
Formele relaties
Zaaknummer
21/01512
Relevante informatie
Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ, Art. 4 Uitv.reg. WOZ

Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil of de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde van een dagverblijf te hoog is. Het geschil spitst zich erop toe of de heffingsambtenaar in de onderbouwing van de correctie wegens technische veroudering van het tot het dagverblijf behorende bedrijfsgebouw ten onrechte is uitgegaan van:

a. de gemiddelden van de in het archetype opgenomen (bandbreedten van) restwaarden van de ruwbouw, de afbouw en de installaties;

b. een op de peildatum resterende technische levensduur van de installaties van 5 jaar.

Niet in geschil is dat de heffingsambtenaar de richtsnoeren van de taxatiewijzer tot uitgangspunt mocht nemen. Belanghebbende heeft vervolgens niet aannemelijk gemaakt dat van de taxatiewijzer moest worden afgeweken.

De heffingsambtenaar heeft de technische levensduur van de installaties verlengd met 5 jaar. Belanghebbende heeft de juistheid van deze verlenging betwist, maar dat leidt niet tot een waardeverlaging. Het hof oordeelt dat de waarde van het dagverblijf niet op een te hoog bedrag is vastgesteld. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Aan belanghebbende wordt een immateriële schadevergoeding toegekend.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 21/01512

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 21 oktober 2021, nummer BRE 18/5995, in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de Samenwerking Belastingen Walcheren en Schouwen-Duiveland,

hierna: de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven en daarbij de waarde van [adres 1] in [plaats 1] (hierna: het dagverblijf) per de peildatum 1 januari 2017 vastgesteld. Ook is de aanslag onroerendezaakbelastingen (hierna: ozb) voor het jaar 2018 bekendgemaakt.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft aanvullende stukken gedateerd 23 februari 2023 ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de heffingsambtenaar.

1.6.

De zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2023 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, samen met [taxateur 1] , taxateur, en, namens de heffingsambtenaar, [taxateur 2] , taxateur.

1.7.

Aan het einde van de zitting heeft het hof het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is gebruiker van het dagverblijf, waarin zorg wordt verleend aan mensen met een beperking. Het dagverblijf zit in een bedrijfsgebouw dat op een bedrijventerrein ligt. Het bedrijfsgebouw is in 1999 gebouwd en heeft een bruto vloeroppervlakte van 645 m2 en een perceel van 1.500 m2.

2.2.

De waarde van het dagverblijf is door de heffingsambtenaar per de peildatum vastgesteld op € 605.000 en op deze waarde is de aanslag ozb gebruiker niet-woning gebaseerd.

2.3.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de vastgestelde waarde en de aanslag ozb gehandhaafd.

2.4.

In de beroepsfase hebben beide partijen taxatierapporten ingebracht. Het taxatierapport van de heffingsambtenaar dateert van 22 oktober 2018 en is opgemaakt door taxateurs [taxateur 3] en [taxateur 4] . De taxateurs hebben het pand inpandig opgenomen op 25 september 2018. In dit rapport is de volgende tabel opgenomen:

2.5.

De heffingsambtenaar heeft voor de waardebepaling van het dagverblijf de kengetallen gebruikt van het archetype ‘Dagverblijf voor ouderen of verstandelijk gehandicapten’ uit de ‘Taxatiewijzer Verzorging’ van 1 mei 2017. Uit de kengetallen per 1 januari 2017 blijkt een restwaarde voor de ruwbouw van 25-35%, voor de afbouw van 20-35% en voor de installaties van 15-20%. Ter nadere onderbouwing van de restwaarde(n) heeft de heffingsambtenaar gewezen op drie regionale en drie landelijke transacties van onder meer dagverblijven en zorginstellingen.

2.6.

Bij de waardering van de installaties is de heffingsambtenaar uitgegaan van een verlenging van de technische levensduur met vijf jaar. Dit heeft geleid tot een meerwaarde van € 34.704.

2.7.

Het taxatierapport van belanghebbende dateert van 21 september 2018 en is opgemaakt door taxateur [taxateur 1] . In dit rapport is de waarde op de peildatum vastgesteld op € 378.000. In hoger beroep heeft taxateur [taxateur 1] die waarde bijgesteld en is deze bepaald op € 536.000. De volgende tabel geldt ter onderbouwing van die laatste waarde:

2.8.

Ter onderbouwing van de door belanghebbende voorgestane restwaarde(n) is een rapport ‘restwaarde dagverblijven’ van [A] bijgevoegd. In dit rapport zijn landelijke transactiecijfers van zes dagverblijven geanalyseerd.

2.9.

In de taxatie van belanghebbende is geen sprake van een verlenging van de technische levensduur.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Tussen partijen is in geschil of de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde van het dagverblijf te hoog is. Het geschil spitst zich erop toe of de heffingsambtenaar in de onderbouwing van de correctie wegens technische veroudering van het tot het dagverblijf behorende bedrijfsgebouw ten onrechte is uitgegaan van:

a. de gemiddelden van de in het archetype opgenomen (bandbreedten van) restwaarden van de ruwbouw, de afbouw en de installaties;

b. een op de peildatum resterende technische levensduur van de installaties van 5 jaar.

3.2.

Belanghebbende heeft in hoger beroep om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn verzocht. Ook heeft zij een proceskostenvergoeding gevraagd, inclusief vergoeding van de kosten van het taxatierapport en verlet- en reiskosten van de taxateur.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vermindering van de WOZwaarde tot € 536.000 en tot toewijzing van de nevenvorderingen. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

5 Beslissing