Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 23-08-2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:2705, 22/01194

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 23-08-2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:2705, 22/01194

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23 augustus 2023
Datum publicatie
20 maart 2025
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2023:2705
Formele relaties
Zaaknummer
22/01194
Relevante informatie
Art. 40 Wet WOZ, Art. 6:22 Awb, Art. 8:114 Awb

Inhoudsindicatie

Proceskostenvergoeding. Het hof past op basis van het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2022 de waarde per punt aan, omdat de rechtbank bij de berekening van de proceskostenvergoeding ten onrechte de waarde per punt zoals vermeld in punt 1 van onderdeel B1 van de bij het Besluit proceskosten bestuursrecht behorende bijlage heeft toegepast. Omdat de Awb niet de mogelijkheid biedt de Staat in de proceskosten te veroordelen, komen de kosten voor de behandeling van het hoger beroep voor rekening van de heffingsambtenaar. Indien dit in gevallen zoals het onderhavige leidt tot ongewenste uitkomsten is het aan de wetgever daarin te voorzien.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 22/01194

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 22 april 2022, nummer SHE 20/3729, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Land van Cuijk,

hierna: de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven en daarbij de waarde van [adres] in [woonplaats] vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2020 bekendgemaakt.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in de uitspraak als volgt beslist (waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de heffingsambtenaar als verweerder):

“De rechtbank:

- (…)

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van in totaal € 1.082,-;”

2.2.

De rechtbank heeft de proceskostenvergoeding als volgt berekend:

“5. (…) Wel moet de toepassing van artikel 6:22 van de Awb er naar het oordeel van de rechtbank toe leiden dat eiser recht heeft op een vergoeding van de in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.082,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 541,- en een wegingsfactor 1) (…).”

3 Gronden

3.1.

Het hoger beroep van belanghebbende is uitsluitend gericht tegen de gehanteerde waarde per punt van de door de rechtbank toegekende proceskostenvergoeding. Tussen partijen is niet in geschil dat de rechtbank op basis van het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 20221 ten onrechte de waarde per punt zoals vermeld in punt 1 van onderdeel B1 van de bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) behorende bijlage heeft toegepast. Het hof ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen. Het hoger beroep is zodoende gegrond. Dit betekent dat de uitspraak van de rechtbank voor zover het de proceskostenvergoeding (zie punt 2.1) betreft niet in stand kan blijven en dat belanghebbende recht heeft op een hogere proceskostenvergoeding.

Tussenconclusie

3.2.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

3.3.

Het hof bepaalt met toepassing van artikel 8:114, lid 1 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), dat het door belanghebbende bij het hof betaalde griffierecht van € 136 door de griffier wordt terugbetaald, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd vanwege een onjuiste proceskostenveroordeling door de rechtbank.

Ten aanzien van de proceskosten

3.4.

De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat het niet redelijk is hem bij gegrondverklaring van het hoger beroep in de proceskosten van het hoger beroep te veroordelen, omdat geen sprake is van enige onrechtmatigheid van zijn kant.

3.5.

Omdat de Awb niet de mogelijkheid biedt de Staat in de proceskosten te veroordelen, komen de kosten voor de behandeling van het hoger beroep voor rekening van de heffingsambtenaar. Indien dit in gevallen zoals het onderhavige leidt tot ongewenste uitkomsten is het aan de wetgever daarin te voorzien.2 Het standpunt van de heffingsambtenaar dat belanghebbende de Staat aansprakelijk moet stellen voor de proceskostenvergoeding in hoger beroep, is gelet op het voorgaande onjuist.

3.6.

Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.

3.7.

Voor de procedure bij de rechtbank stelt het hof deze tegemoetkoming op 2 (punten)3 x € 837 (waarde per punt)4 x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.674.

3.8.

Voor de procedure bij het hof stelt het hof deze tegemoetkoming op 1 (punt)5 x € 837 (waarde per punt)6 x 0,25 (factor gewicht van de zaak)7 is € 209,25. Voor de behandeling van het hoger beroep gaat het hof uit van een factor gewicht van 0,25 omdat het hier (slechts) gaat om het herstel van een evidente fout bij het toekennen van de proceskostenvergoeding.

4 Beslissing