Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 30-08-2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:2773, 21/01525
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 30-08-2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:2773, 21/01525
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 30 augustus 2023
- Datum publicatie
- 20 oktober 2023
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2021:5378, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- 21/01525
Inhoudsindicatie
In geschil is de woz-waarde van een winkel/kantoor/horecapand en of sprake is van schending van artikel 8:42 Awb. Het hof constateert vooraf dat gemachtigde in hoger beroep misbruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van het beroep op betalingsonmacht. Vervolgens oordeelt het hof dat de heffingsambtenaar artikel 8:42 Awb niet heeft geschonden omdat de door gemachtigde ter zitting bij het hof verlangde stukken geen stukken zijn die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de geschilpunten die gemachtigde voorafgaand aan de zitting voldoende duidelijk kenbaar heeft gemaakt. Ook oordeelt het hof dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog is. Het hoger beroep is desondanks gegrond omdat de rechtbank – gelet op Hoge Raad 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752 – bij de proceskostenveroordeling van een te lage waarde per punt is uitgegaan.
Uitspraak
Team belastingrecht
Enkelvoudige Belastingkamer
Nummer: 21/01525
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 25 oktober 2021, nummer BRE 18/21 in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van Sabewa Zeeland,
hierna: de heffingsambtenaar
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de Staat.
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) over het jaar 2017 een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres 1] in [plaats] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen (hierna: de aanslag) voor het jaar 2017 bekendgemaakt.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft geen verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken (een ‘pinpointbrief’ met bijlagen) ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de heffingsambtenaar.
De zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2023 in ’s-Hertogenbosch door middel van een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel (Microsoft Teams). Op de zitting is verschenen, D.A.N. Bartels, als gemachtigde van belanghebbende (hierna: Bartels), en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 21/01526 en 21/01527 met dezelfde partijen en vertegenwoordigers.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2 Feiten
Belanghebbende heeft de onroerende zaak in eigendom. Het betreft een winkel/kantoor/horecapand met een totale oppervlakte van 332 m² en een perceeloppervlakte van 301 m². Het pand is gebouwd in 1880 en is in 2005 verbouwd.
De waarde van de onroerende zaak is door de heffingsambtenaar per de waardepeildatum 1 januari 2016 (hierna: de waardepeildatum) vastgesteld op € 298.000. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak en de aanslag gehandhaafd.
De heffingsambtenaar verwijst ter onderbouwing van de vastgestelde waarde naar het taxatierapport van 6 maart 2018, opgesteld door taxateur [taxateur] , waarbij de waarde in het economische verkeer is vastgesteld op € 314.000. De waarde is daarbij bepaald middels de huurwaardekapitalisatiemethode. Aan de waardebepaling zijn de marktgegevens ten grondslag gelegd van de referentieobjecten [adres 2] en [adres 3] , beide in [plaats] . Daarnaast is ter illustratie de huurwaarde van [adres 4] , eveneens in [plaats] , vermeld.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, de heffingsambtenaar respectievelijk de Staat veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 375 respectievelijk € 2.625, de heffingsambtenaar en de Staat veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende, ieder tot een bedrag van € 267 en gelast dat de heffingsambtenaar en de Staat ieder een bedrag van € 169 aan griffierecht aan belanghebbende vergoeden.
3 Geschil en conclusies van partijen
In geschil is of:
- sprake is van schending van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb);
- COVID-19 reden is de waarde naar beneden bij te stellen.
Ter zitting bij het hof heeft Bartels in de onderhavige zaak en de zaken met nummers 21/01526 en 21/01527 voorts aangegeven dat bij de door de rechtbank toegekende proceskostenvergoeding van een te lage puntwaarde is uitgegaan.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en bepleit in hoger beroep als compromissoire oplossing een waarde van € 269.000 en herrekening van de toegekende proceskostenvergoeding naar een puntwaarde van € 837. De heffingsambtenaar concludeert tot handhaving van de WOZ-beschikking en de aanslag.