Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 08-11-2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:3703, 23/00052

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 08-11-2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:3703, 23/00052

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
8 november 2023
Datum publicatie
22 februari 2024
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2023:3703
Zaaknummer
23/00052
Relevante informatie
Art. 22 Wet WOZ, Art. 2 BPB

Inhoudsindicatie

Belanghebbende verzoekt om volledige vergoeding van de kosten van de conclusie van repliek bij de rechtbank en stelt daartoe dat de heffingsambtenaar in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld.

Het hof is van oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op een integrale proceskostenvergoeding.

Het hoger beroep is ongegrond.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 23/00052

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank) van 13 december 2022, nummers ROE 22/28, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen,

hierna: de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven en daarbij de waarde van de woning [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning) per de peildatum 1 januari 2020 vastgesteld. Ook is de aanslag onroerendezaakbelasting eigenaar voor het jaar 2021 bekendgemaakt.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft - na navraag door het hof - verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van de woning.

2.2.

Ter onderbouwing van de waarde voor 2021 (peildatum 1 januari 2020) heeft de heffingsambtenaar een taxatierapport (met matrix) overgelegd, waarin de woning op € 237.000 is gewaardeerd. In het taxatierapport zijn verkochte vergelijkbare panden opgenomen.

2.3.

Belanghebbende heeft in zijn bij de rechtbank ingediende conclusie van repliek op de waardebepaling van de heffingsambtenaar gereageerd. Tevens is gevraagd om vergoeding van de integrale kosten van deze conclusie van repliek.

2.4.

De heffingsambtenaar heeft bij conclusie van dupliek een aangepaste matrix overgelegd, waarin (deels) is tegemoetgekomen aan het standpunt van belanghebbende in de conclusie van repliek. De heffingsambtenaar concludeert tot een waarde van € 208.000.

2.5.

De waarde van de woning is door de heffingsambtenaar bij beschikking vastgesteld op € 255.000 en bij uitspraak op bezwaar verminderd naar € 229.000. De rechtbank heeft de waarde van de woning verminderd naar € 208.000. De rechtbank heeft de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.897,50 (gebaseerd op 2,5 punt, met een waarde van € 759 per punt, voor het indienen van het beroepschrift, de conclusie van repliek en het verschijnen ter zitting).

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is of voor het indienen van de conclusie van repliek bij de rechtbank een integrale proceskostenvergoeding van € 2.420 moet worden toegekend.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vergoeding van € 2.420 en vernietiging van de uitspraak van de rechtbank op dit onderdeel. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

5 Beslissing