Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27-03-2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1046, 22/01248
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27-03-2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1046, 22/01248
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 27 maart 2024
- Datum publicatie
- 18 april 2024
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2022:1984, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- 22/01248
Inhoudsindicatie
WOZ-zaak. De heffingsambtenaar heeft in hoger beroep met het eigen huurcijfer en de bottom-up berekening van de kapitalisatiefactor aannemelijk gemaakt dat de vastgestelde waarde van het object (een [bestemming]) niet te hoog is. Dit brengt met zich mee dat de rechtbank de heffingsambtenaar ten onrechte heeft veroordeeld in de (proces)kosten van belanghebbende voor zover die (proces)kosten betrekking hebben op de bezwaar- en beroepsprocedure ten aanzien van dit object. Het hof vernietigt de beslissing van de rechtbank over de (proces)kosten en stelt de (proces)kostenvergoeding opnieuw vast. Daarbij wordt de (proces)kostenvergoeding met toepassing van artikel 2, lid 3, Bpb vastgesteld op de bedragen waarover tussen partijen reeds voor het instellen van hoger beroep overeenstemming was bereikt en daarop in mindering te brengen de bedragen die kunnen worden toegerekend aan de procedure met betrekking tot het object waarover het hof heeft geoordeeld dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Hoger beroep ongegrond. Incidenteel hoger beroep gegrond.
Uitspraak
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 22/01248
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
en het incidentele hoger beroep van
de heffingsambtenaar van de gemeente Heusden,
hierna: de heffingsambtenaar,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 19 mei 2022, nummer SHE 20/2452 en SHE 20/2453, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar.
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) beschikkingen gegeven (hierna: de WOZbeschikkingen) en daarbij de waarde van [adres 1] in [plaats] (hierna: object 1) en de waarde van [adres 2] in [plaats] (hierna: object 2) voor het belastingjaar 2020 vastgesteld. Tevens zijn de aanslagen onroerendezaakbelastingen bekendgemaakt.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
De heffingsambtenaar heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Belanghebbende heeft schriftelijk gereageerd op het incidentele hoger beroep.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
De zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar 1] , [heffingsambtenaar 2] en [heffingsambtenaar 3] .
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2 Feiten
Object 1 ( [adres 1] in [plaats] )
Belanghebbende is gebruiker van object 1. Uit dien hoofde heeft belanghebbende een WOZ-beschikking en een aanslag ontvangen.
Object 1 is een [bedrijf] uit 2017, gelegen in het centrum van [plaats] . Het maakt deel uit van een geïntegreerd bouwcomplex van twee bouwlagen (een begane grond en een eerste verdieping). Het object ligt op de begane grond; de eerste verdieping bestaat uit appartementen. Het object heeft een bruto vloeroppervlakte (BVO) van in totaal 1.778 m2 en omvat een winkel-/verkoopruimte van 1.678 m2 en een laad-/losruimte van 100 m2.
De waarde van object 1 is door de heffingsambtenaar per waardepeildatum 1 januari 2019 vastgesteld op € 3.024.000.
Belanghebbende heeft op 11 maart 2020 bezwaar gemaakt en de gronden van het bezwaar bij brief van 31 maart 2020 aangevuld. Op 7 juli 2020 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.
Bij uitspraak van 27 juli 2020 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft op 4 september 2020 beroep ingesteld bij de rechtbank.
De heffingsambtenaar heeft in de beroepsfase een taxatierapport van 13 april 2021 overgelegd. De taxateur heeft de waarde van object 1 per de waardepeildatum vastgesteld op (afgerond) € 3.024.000, berekend op basis van een getaxeerde huurwaarde van € 267.652 en een kapitalisatiefactor (hierna: KF) van 11,3.
De heffingsambtenaar heeft in de hoger beroepsfase een (nieuwe) bottom-up berekening van de KF overgelegd, berekend op basis van het eigen huurcijfer van € 294.309. Uit deze berekening blijkt een KF van 12,6.
Object 2 ( [adres 2] in [plaats] )
Belanghebbende is gebruiker van object 2. Uit dien hoofde heeft belanghebbende een WOZ-beschikking en een aanslag ontvangen.
Object 2 is eveneens een [bedrijf] , stamt uit 1996 en is verbouwd in 2019. Het bedrijfsobject is gelegen in het centrum van [plaats] . Het maakt deel uit van een geïntegreerd bouwcomplex van twee bouwlagen (een begane grond en een eerste verdieping). Het object ligt op de begane grond; de eerste verdieping bestaat uit appartementen. Het object heeft een BVO van in totaal 1.857 m2, twee opslag-/magazijnruimtes van 189 m2 en 148 m2 en drie kantoorruimtes van respectievelijk 51 m2, 17 m2 en 27 m2.
De waarde van object 2 is door de heffingsambtenaar per waardepeildatum 1 januari 2019 vastgesteld op € 1.754.000.
Belanghebbende heeft op 18 maart 2020 bezwaar gemaakt en de gronden van het bezwaar bij brief van 31 maart 2020 aangevuld. Op 7 juli 2020 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.
Bij uitspraak van 27 juli 2020 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft op 4 september 2020 beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de waarde van object 1 verminderd naar € 2.700.000, de waarde van object 2 verminderd naar € 1.450.000, de aanslagen dienovereenkomstig verminderd, bepaald dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht van (in totaal) € 708 vergoedt en de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.700,50.
De rechtbank heeft de proceskostenvergoeding van € 2.700,50 als volgt berekend:
“17. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, ziet zij aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiseres heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.700,50 (2 punten voor het indienen van de bezwaarschriften en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 269 en wegingsfactor 1, 2 punten voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van de dupliek met een waarde per punt van € 541 en wegingsfactor 1). Ook moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.”
Belanghebbende heeft op 23 juni 2022 en 28 juni 2022 e-mailberichten naar de heffingsambtenaar gestuurd waarin wordt verzocht om bij uitbetaling van de door de rechtbank toegekende proceskostenvergoeding rekening te houden met het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752. Daarnaast verzoekt belanghebbende om voor zowel de hoorzitting in de bezwaarfase als het verschijnen ter zitting van de rechtbank twee punten in plaats van één punt te rekenen. De heffingsambtenaar heeft op 29 juni 2022 per brief toegezegd het standpunt van belanghebbende te volgen, behalve voor wat betreft het rekenen van twee punten voor het verschijnen ter zitting van de rechtbank. In de brief is vermeld dat de volgende proceskosten aan (de gemachtigde van) belanghebbende worden uitbetaald:
2 x 1 punt indienen bezwaarschrift € 538
2 x 1 punt hoorzitting bezwaarfase € 538
2 x 1 punt indienen beroepschrift € 1.518
1. x 1 punt hoorzitting beroepsfase € 759
1. x 0,5 punt indienen dupliek € 379,50
Totaal proceskosten € 3.732,50
Partijen hebben ter zitting bevestigd dat de heffingsambtenaar het bedrag aan (de gemachtigde van) belanghebbende heeft overgemaakt.
3 Geschil en conclusies van partijen
In geschil is het antwoord op de volgende vragen:
Principaal hoger beroep:
( i) Heeft de rechtbank bij het bepalen van de proceskostenvergoeding ten onrechte één punt voor het verschijnen ter zitting toegekend?
Incidenteel hoger beroep:
( ii) Is de door de rechtbank in goede justitie bepaalde waarde van object 1 te laag?
Belanghebbende heeft tijdens de zitting van het hof verklaard dat het hoger beroep uitsluitend ziet op de vraag of de rechtbank twee punten voor het verschijnen ter zitting had moeten toekennen.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank voor zover het de beslissing omtrent het niet-toekennen van twee punten voor het verschijnen ter zitting betreft.
De heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank voor zover het beslissing omtrent de waarde van object 1 betreft.