Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 03-04-2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1149, 22/00129 en 22/00130

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 03-04-2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1149, 22/00129 en 22/00130

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
3 april 2024
Datum publicatie
18 april 2024
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2024:1149
Zaaknummer
22/00129 en 22/00130
Relevante informatie
Art. 17 Wet WOZ, Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ, Art. 4 Uitv.reg. WOZ, Art. 228a Gemw, Art. 229 Gemw, Art. 15.33 WMB

Inhoudsindicatie

Woonboerderij met aanbouw en meerdere bijgebouwen, bouwjaar 1710. In geschil zijn de objectafbakening, de WOZ waarde, de afvalstoffenheffing en rioolheffing. Het hof is van oordeel dat de objectafbakening juist is gebeurd, dat de WOZ–waarde niet te hoog is vastgesteld en dat belanghebbende terecht is aangeslagen voor de afvalstoffenheffing en rioolheffing. Het hof ziet zelf geen aanleiding getuigen op te roepen of de heffingsambtenaar te gelasten geluidsopnamen over te leggen.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummers: 22/00129 en 22/00130

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 14 januari 2022, nummers SHE 20/2885 en SHE 20/3791, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] ,

hierna: de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van de onroerende zaak gelegen aan de [adres 1] in [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld. Tevens zijn daarbij:

-

De aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2020; en

-

De aanslagen afvalstoffenheffing (aangeduid met ‘vast bedrag’) en rioolheffing (aangeduid met ‘vastrecht’ en ‘m3’) voor het jaar 2020; en

-

De aanslag afvalstoffenheffing voor het jaar 2019 (aangeduid met ‘RST 240’ - betreffende de ledigingen van de restafval-container) bekendgemaakt.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de in onderdeel 1.1 bedoelde WOZbeschikking en aanslagen afvalstoffenheffing en rioolheffing bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft in twee geschriften uitspraak op bezwaar gedaan en hierin het bezwaar tegen de WOZbeschikking en de bezwaren tegen de aanslagen afvalstoffenheffing en rioolheffing, ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep in één uitspraak ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar 1] en [heffingsambtenaar 2] .

1.6.

Belanghebbende is niet ter zitting verschenen. De griffier heeft verklaard dat hij belanghebbende voor diverse hoger beroepen met verschillende wederpartijen, bij drie afzonderlijke brieven, alle van 13 november 2023, heeft uitgenodigd voor opeenvolgende zittingen op 18 januari 2024, met vermelding van datum, plaats en tijdstip van de zitting, waaronder de zitting in onderhavige zaken. De op onderhavige zaken betrekking hebbende brief, met nummer [nummer] , is aangetekend verzonden naar het door belanghebbende opgegeven adres. Tot de gedingstukken behoort een kopie van de lijst van aangetekende verzendbewijzen en een schermprint van de statusinformatie van het verzendbewijs. Hieruit volgt dat de uitnodiging voor de zitting in onderhavige zaken op 14 november 2023 (12.59 uur) op het door belanghebbende opgegeven adres is afgeleverd, en dat een handtekening voor de ontvangst is gezet.

1.7.

Belanghebbende heeft op 15 januari 2024 telefonisch contact opgenomen met de griffie van het hof. Belanghebbende heeft toen aangegeven geen uitnodiging voor de zitting te hebben ontvangen. Nadat hij tijdens dat gesprek in kennis werd gesteld van de bevindingen beschreven in 1.6 gaf belanghebbende aan dat de handtekening niet van hem is, hij niets ontvangen heeft, hij niet naar de zitting kan komen omdat hij van de trap is gevallen en dat hij dit nog schriftelijk zal bevestigen aan het hof.

1.8.

Hierop heeft het hof besloten contact op te nemen met belanghebbende voor het bieden van gelegenheid de zitting anders dan fysiek bij te wonen. De griffier heeft daartoe op 15 januari 2024 vijfmaal – op diverse tijdstippen en op beide telefoonnummers van belanghebbende – telefonisch contact gezocht met belanghebbende en, omdat hij dat contact niet kreeg, uiteindelijk de voicemail van belanghebbende ingesproken. In dit voicemailbericht heeft de griffier aangegeven dat het hof de zitting digitaal wenst te houden en daartoe graag het e–mailadres van belanghebbende ontvangt. Voor het geval belanghebbende de mondelinge behandeling om de door hem gemelde medische redenen wil uitstellen, heeft de griffier belanghebbende in het voicemailbericht verzocht om een verklaring van zijn behandelend arts over te leggen. Belanghebbende heeft op het voicemailbericht niet gereageerd.

1.9.

Bij brief van 15 januari 2024, door het hof ontvangen op 16 januari 2024, meldt belanghebbende dat hij op 18 januari 2024 niet ter zitting kan verschijnen omdat hij na recente operaties van de trap is gevallen en noemt hij het adres waarop hij verblijft, door hem aangeduid als zorgadres. Belanghebbende verzoekt een andere datum in te plannen voor de mondelinge behandeling. De griffier heeft daarop op 16 januari 2024, wederom op beide telefoonnummers van belanghebbende, telefonisch contact gezocht met belanghebbende en, omdat hij dat contact niet kreeg, de voicemail van belanghebbende ingesproken. De griffier heeft in het voicemailbericht gemeld dat het hof in belanghebbendes uitstelverzoek onvoldoende objectief verifieerbare aanknopingspunten ziet om vast te kunnen stellen dat het uitstelverzoek tijdig en op gegronde reden(en) is gedaan en dat het hof belanghebbende aanbiedt telefonisch aan de zitting deel te nemen. De griffier heeft belanghebbende in het betreffende voicemailbericht ook gemeld dat voor het inwilligen van zijn uitstelverzoek op medische gronden, het van belang is dat belanghebbende het hof zo spoedig mogelijk voorziet van bewijsstukken en verklaringen van medici betreffende zijn verhindering tot deelname aan de zitting. Belanghebbende heeft op het voicemailbericht niet gereageerd.

1.10.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.11.

Bij brief van 26 februari 2024 zijn partijen erover geïnformeerd dat de ter zitting aangekondigde uitspraakdatum met maximaal zes weken wordt verlengd.

1.12.

Belanghebbende heeft op 4 maart 2024 naar aanleiding van de in 1.11 genoemde brief telefonisch contact opgenomen met de griffie van het hof en in dat gesprek zijn ongenoegen erover geuit dat de zitting niet is uitgesteld en aangegeven dat hij zijn klachten hierover in cassatie naar voren zal brengen en dat hij ook die behandeling waarschijnlijk niet zal kunnen bijwonen vanwege eerdere operaties en een val van de trap.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak, een woonboerderij met aanbouw met bouwjaar ca. 1710 en een inhoud van ca. 899 m3, met meerdere bijgebouwen (bergingen en dierenverblijf) op een perceel van ca. 12.031 m2, waarvan 6.526 m2 tuin, 2.998 m2 weiland en 2.507 m2 bosgrond. De waarde van de onroerende zaak is door de heffingsambtenaar per de waardepeildatum 1 januari 2019 vastgesteld op € 621.000.

Belanghebbende stond op 1 januari 2019 en 1 januari 2020 in de Basisregistratie Personen ingeschreven op het adres van de onroerende zaak.

2.2.

De heffingsambtenaar heeft zich in hoger beroep ter onderbouwing van de door hem verdedigde waarde van de onroerende zaak beroepen op een bij de rechtbankovergelegd taxatierapport (hierna: het taxatierapport), na een tweetal uitpandige opnames, opgemaakt op 7 juli 2021, door [heffingsambtenaar 1] (hierna: de taxateur). In het taxatierapport is de onroerende zaak gewaardeerd op € 621.000 en vergeleken met de volgende vergelijkingsobjecten:

Referentieobject

Bouwjaar

Verkoopdatum

Verkoopprijs

[adres 2] , [plaats]

1890

06-03-2019

€ 589.000

[adres 3] , [woonplaats]

1924

08-01-2018

€ 635.000

[adres 4] , [woonplaats]

1910

02-09-2017

€ 690.000

[adres 5] , [woonplaats]

1880

21-12-2017

€ 950.000

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Is de objectafbakening juist?

II. Is de WOZwaarde per waardepeildatum 1 januari 2019 te hoog vastgesteld?

III. Is aan belanghebbende over de jaren 2019 en 2020 terecht afvalstoffenheffing in rekening gebracht?

IV. Is aan belanghebbende over 2020 terecht rioolheffing in rekening gebracht?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vermindering van de WOZwaarde naar nihil, vermindering van de aanslag onroerendezaakbelastingen naar nihil en vernietiging van de aanslagen afvalstoffenheffing en rioolheffing. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

5 Beslissing