Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 22-05-2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1730, 22/1370
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 22-05-2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1730, 22/1370
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 22 mei 2024
- Datum publicatie
- 23 mei 2024
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2022:3085, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- 22/1370
Inhoudsindicatie
Art. 30a, lid 4 en lid 5, Wet WOZ. De rechtbank heeft een proceskostenvergoeding toegekend in verband met de toepassing van artikel 6:22 Awb. Wegingsfactor 0,5. Waarde per punt. Het hof stelt de proceskostenvergoeding opnieuw vast. Verzoek om uitbetaling op rekening van de gemachtigde in plaats van de bankrekening van belanghebbende. Niet de belastingrechter maar de burgerlijke rechter is bevoegd een oordeel te geven over de wijze van uitbetaling van de proceskostenvergoeding.
Uitspraak
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 22/1370
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 23 juni 2022, nummer BRE 20/8647, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Schouwen-Duiveland,
hierna: de heffingsambtenaar.
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2019 van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 366.000 (de beschikking). Tegelijk met deze beschikking is de aanslag in de onroerende-zaakbelastingen voor het jaar 2020 (de aanslag) opgelegd.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, de heffingsambtenaar opgedragen het griffierecht van € 48 aan belanghebbende te vergoeden en de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 541.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een nader stuk ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] . De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. Ter zitting is een verwijzing naar een meervoudige kamer ter sprake gebracht. Partijen hebben voor dat geval verklaard geen prijs te stellen op een nadere zitting.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Het hof heeft de zaak vervolgens verwezen naar een meervoudige kamer1 en heeft partijen van die verwijzing op de hoogte gebracht.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.
2 Feiten
Bij beschikking van 26 februari 2020 is de waarde van de woning voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 366.000. Tegelijk met deze beschikking is de aanslag ten bedrage van € 494,46 opgelegd.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld door middel van de matrix en de daarin opgenomen vergelijkingsobjecten. Ten aanzien van de verschillen in kwaliteit, onderhoud, uitstraling, doelmatigheid en voorzieningen (de zogenoemde KOUDV-factoren) tussen de woning en de vergelijksobjecten heeft de rechtbank geoordeeld:
“5.4 De heffingsambtenaar heeft daarnaast rekening gehouden met verschillen in de KOUDV van de woning en de vergelijkingsobjecten. Uit de matrix blijkt op welke wijze deze onderdelen zijn beoordeeld. In het verweerschrift heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat de KOUDV door middel van een inpandige opname zijn vastgesteld. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de heffingsambtenaar de kwaliteit te laag heeft beoordeeld.
Uit de matrix blijkt echter niet tot welke verschillende correcties op de waarde van de inhoud van de woning en de vergelijkingsobjecten de verschillen in KOUDV hebben geleid. Pas in het verweerschrift heeft de heffingsambtenaar die correcties voldoende inzichtelijk en controleerbaar gemaakt. Dat betekent dat de heffingsambtenaar het voorgaande pas in beroep voldoende heeft gemotiveerd, terwijl belanghebbende ook in bezwaar heeft verzocht om de KOUDV-factoren en de manier waarop de verschillen zijn verdisconteerd. De heffingsambtenaar heeft daar ten onrechte in de uitspraak op bezwaar niet op gereageerd. De rechtbank ziet aanleiding om dit motiveringsgebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat niet is gebleken van benadeling van belanghebbende. In beroep heeft de heffingsambtenaar de beoordeling immers alsnog voldoende inzichtelijk gemaakt en belanghebbende is in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren.”
De rechtbank heeft ten aanzien van de proceskosten en het griffierecht geoordeeld:
“6.2 Omdat de rechtbank toepassing heeft gegeven aan artikel 6:22 van de Awb, ziet de rechtbank aanleiding om de heffingsambtenaar op te dragen het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden. De rechtbank zal de heffingsambtenaar daarnaast veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep vast op € 541,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 541,-, en wegingsfactor 0,5). Omdat de vergoeding alleen plaatsvindt in verband met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht, is de wegingsfactor voor het gewicht van de zaak gesteld op 0,5 (licht).”
Belanghebbende heeft een volmacht verleend aan de gemachtigde om hem in de procedure te vertegenwoordigen. De volmacht luidt:
“[Belanghebbende] verleent hierbij volmacht aan [de gemachtigde] (…), om hem/haar te vertegenwoordigen in alle zaken betreffende de aanslag lokale belastingen en de daarop vermelde WOZ-beschikking(-en).
Deze volmacht houdt in hoofdzaak in:
• (…);
• Bestuursorganen verzoeken tot het vergoeden van door volmachtgever geleden (proces)schade;
• (…).
Dit alles met het recht van substitutie, (…).
Wanneer wij namens u succesvol bezwaar maken bepaalt de wet dat uw gemeente de door ons gemaakte kosten vergoedt. Dit recht wordt uitgewerkt in de artikelen 7:15, 8:75 Awb en het BPB. Ondergetekende draagt bij dezen dan ook alle bestaande en toekomstige vorderingen uit hoofde van bovenvermelde proceskostenvergoeding, alsmede de bestaand en toekomstige vorderingen uit hoofde van artikel 4:17 Awb, over aan [de gemachtigde] en gelast hierbij iedere relevante gemeente om deze vergoeding rechtstreeks aan [de gemachtigde] over te maken op (…). Indien het bezwaarschrift ongegrond wordt verklaard is dat voor rekening en risico van [de gemachtigde]. Het teveel betaalde aan lokale heffingen dient rechtstreeks op rekeningnummer van volmachtgever te worden overgemaakt. (…).”
3 Geschil en conclusies van partijen
In hoger beroep is uitsluitend in geschil de hoogte van de door de rechtbank aan belanghebbende toegekende vergoeding van de proceskosten voor de beroepsfase. In het bijzonder gaat het daarbij om de volgende vragen:
-
heeft de rechtbank ten onrechte wegingsfactor 0,5 toegepast?;
-
heeft de rechtbank ten onrechte een waarde per punt toegekend van € 541?
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank wat betreft de vergoeding van de proceskosten en tot veroordeling van de heffingsambtenaar in de kosten van beroep en hoger beroep. Verder verzoekt belanghebbende te bepalen dat uitbetaling van de proceskostenvergoeding rechtstreeks aan de gemachtigde dient plaats te vinden.
De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.