Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 19-06-2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2011, 22/2336

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 19-06-2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2011, 22/2336

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19 juni 2024
Datum publicatie
20 juni 2024
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2024:2011
Zaaknummer
22/2336
Relevante informatie
Art. 15.33 WMB, Art. 10.21 WMB, Art. 10.22 WMB

Inhoudsindicatie

Afvalstoffenheffing, rioolheffing gebruiker en zuiveringsheffing woning. De heffingsambtenaar maakt niet aannemelijk dat sprake is van volgtijdig gebruik. De eigenaar is ten onrechte in plaats van de gebruikers aangeslagen. Aanslagen vernietigd.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 22/2336

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank) van 4 november 2022, nummer ROE 22/212 in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen,

hierna: de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 31 oktober 2021 voor het belastingjaar 2021 voor de onroerende zaken [adres 1] en [adres 2] te [plaats] (hierna: de onroerende zaken) aanslagen afvalstoffenheffing, rioolheffing gebruiker en zuiveringsheffing woning opgelegd. Voor de onroerende zaak [adres 1] is daarnaast een aanslag watersysteemheffing ingezetenen voor dat jaar opgelegd.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard voor zover het betrekking heeft op de aanslag watersysteemheffing ingezetenen 2021 en voor het overige ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2024 in ’s-Hertogenbosch. Beide partijen hebben vooraf laten weten niet op de zitting te verschijnen en zijn ook niet verschenen.

1.6.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaken. In de onroerende zaken worden studenten gehuisvest.

2.2.

De heffingsambtenaar heeft op 18 augustus 2021 met betrekking tot de onroerende zaken twee formulieren ‘Aangifte Leegstand woning 2021’ toegezonden aan belanghebbende. Belanghebbende heeft deze geretourneerd. Met betrekking tot [adres 1] heeft belanghebbende op het formulier vermeld: ‘Laatste huurder is vertrokken op 31 juli 2021 Nieuwe huurder momenteel onbekend.’. Met betrekking tot [adres 2] heeft belanghebbende op het formulier vermeld: ‘LS Staat niet leeg is verhuurd. Huurder: [huurder 1] .’.

2.3.

In een brief van 20 september 2021 heeft belanghebbende aan de heffingsambtenaar geschreven:

‘Appartement

[postcode] [adres 1] Geen bewoner op dit moment als al eerder opgegeven. Appartement staat in transitie en wacht op een nieuwe gebruiker.

[postcode] [adres 3] Huurder: [huurder 2] , geboren: [geboortedatum 1] 2000

[postcode] [adres 2] Huurder: [huurder 3] , geboren: [geboortedatum 2] 2002.’

2.4.

Op de adressen van de onroerende zaken staan geen personen in de Basisadministratie personen (BRP) ingeschreven. Op het adres [adres 1] sedert 25 juli 2018 niet meer en op het adres [adres 2] sedert 12 juli 2020 niet meer. Op het adres [adres 2] hebben in de periode 5 september 2012 tot 12 juli 2020 11 personen in de BRP ingeschreven gestaan.

2.5.

De totale hoeveelheid bij de onroerende zaken, [adres 3] , [adres 4] en nog drie onroerende zaken ingenomen water in de periode 10 januari 2021 tot 1 januari 2022 bedraagt 297 m3. Herleid op jaarbasis bedraagt het ingenomen water over 2021 304 m3.

2.6.

De Verordening reinigingsheffingen Maastricht 2021 luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:

Artikel 2. Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a. gebruik maken in hoofdstuk II Afvalstoffenheffing: gebruik maken in de zin van artikel 15.33 Wet milieubeheer.

(…)

Hoofdstuk II Afvalstoffenheffing

Artikel 3. Aard van de belasting en belastbaar feit

1. Onder de naam ‘afvalstoffenheffing’ wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.

2. De afvalstoffenheffing als bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruik van een perceel ten aanzien waarvan krachtens artikel 10.21 en artikel 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

Artikel 4. Voorwerp van de belasting

1. Voorwerp van de belasting is een perceel.

(…)

Artikel 5. Belastingplicht

De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge artikel 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt

(…)

Artikel 9. Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang voor de jaarlijkse verschuldigde afvalstoffenheffing

1. De belasting als bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieven tabel is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.’

2.7.

Artikel 15.33 Wet milieubeheer luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:

1 De gemeenteraad kan ter bestrijding van de kosten die voor haar verbonden zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen een heffing instellen, waaraan kunnen worden onderworpen degenen die, al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht, gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

2 Voor de toepassing van het eerste lid, wordt:

(…)

c. het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruikmaken door degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld, met dien verstande dat degene die het perceel ter beschikking heeft gesteld, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie het perceel ter beschikking is gesteld.’

2.8.

De Verordening rioolheffing Maastricht 2021 luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:

Artikel 3. Belastbaar feit en belastingplicht

1. De belasting wordt geheven:

(…)

b. van degene die een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd al dan niet krachtens eigendom, bezit of beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersdeel.

(…)

3.Voor het gebruikersdeel wordt:

(…)

c.het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld.

(…)

Artikel 11. Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

1. De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of voor het gebruikersdeel, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.’

2.9.

De Verordening Zuiveringsheffing Waterschap Limburg 2017 luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:

Artikel 3 Belastbaar feit en heffingsplicht

1 Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater, wordt onder de naam zuiveringsheffing een directe belasting geheven ter zake van direct of indirect afvoeren op een zuiveringstechnisch werk in beheer bij het waterschap.

2 Aan de heffing worden onderworpen:

a. ter zake het afvoeren vanuit een woonruimte of een bedrijfsruimte: degene die het gebruik heeft van die ruimte;

(…)

3. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, is heffingsplichtig:

(…)

c. in geval van het voor volgtijdig gebruik ter beschikking stellen van een woonruimte of bedrijfsruimte: degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld, met dien verstande dat degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie de ruimte ter beschikking is gesteld.

Artikel 4 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsevenredigheid

1. De heffing ter zake van woonruimten en van bedrijfsruimten als bedoeld in artikel 15 en 16 is verschuldigd bij het begin van het heffingsjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de heffingsplicht.’

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

Zijn de aanslagen afvalstoffenheffing, rioolheffing gebruiker en zuiveringsheffing woning terecht aan belanghebbende opgelegd?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, behoudens de beslissing ter zake van de aanslag watersysteemheffing ingezetenen over 2021 voor de onroerende zaak [adres 1] , en tot vernietiging van de andere aanslagen. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

5 Beslissing