Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10-07-2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2231, 22/1345

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10-07-2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2231, 22/1345

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10 juli 2024
Datum publicatie
13 augustus 2024
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2024:2231
Formele relaties
Zaaknummer
22/1345
Relevante informatie
Art. 22 Wet WOZ

Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft het beroep om inhoudelijke redenen gegrond verklaard, maar heeft daarbij geen aparte (proces)kostenvergoeding voor het verzoek om vergoeding van immateriële schade toegekend. Belanghebbende betoogt in hoger beroep dat zij recht heeft op een aparte vergoeding voor dat verzoek. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank terecht geen aparte vergoeding toegekend, omdat het verzoek om immateriële schade in een dergelijk geval opgaat in de proceshandeling ‘beroep/verweerschrift’. Het hof ziet om een gelijke reden evenmin aanleiding om een punt toe te kennen voor de inhoudelijke behandeling van dat verzoek ter zitting bij de rechtbank. Het onderzoek ter zitting bij de rechtbank betrof het beroep dat was aangetekend tegen een WOZ-beschikking, waarbij het verzoek om vergoeding van immateriële schade slechts een nevenvordering is geweest.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 22/1345

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 6 juli 2022, nummer AWB 20/8487 in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Oisterwijk,

hierna: de heffingsambtenaar,

en

de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),

hierna: de minister.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres] in [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2020 bekendgemaakt.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de heffingsambtenaar.

1.6.

De zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar is verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende. De heffingsambtenaar is niet verschenen. De griffier heeft verklaard dat zij de heffingsambtenaar bij brief van 15 januari 2024 heeft uitgenodigd voor de zitting met vermelding van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Deze brief, met Track&Trace code [code] , is aangetekend verzonden naar het door de heffingsambtenaar opgegeven adres. Tot de gedingstukken behoort een schermprint van de statusinformatie van het verzendbewijs. Hieruit volgt dat de uitnodiging voor de zitting op 16 januari 2024 op het door de heffingsambtenaar opgegeven adres is afgeleverd.

1.7.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan partijen is verzonden.

1.8.

Op 16 april 2024 heeft het hof partijen medegedeeld dat het onderzoek is heropend en vervolgens is verwezen naar de meervoudige kamer. Partijen zijn in deze brief tevens op de hoogte gebracht dat een nadere zitting achterwege wordt gelaten, tenzij één van de partijen verklaart dat hij op een zitting van de meervoudige kamer wilt worden gehoord.

1.9.

Het hof heeft op 4 juli 2024 vastgesteld dat partijen niet hebben verklaard dat zij op een zitting van de meervoudige kamer willen worden gehoord en heeft daarop het onderzoek gesloten. Partijen zijn diezelfde dag schriftelijk op de hoogte gebracht dat het onderzoek is gesloten, waarbij tevens is aangekondigd dat op 10 juli 2024 uitspraak zal worden gedaan.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft in beroep op 3 juni 2022 een verzoek om vergoeding van immateriële schade ingediend bij de rechtbank. Het verzoek vermeldt als onderwerp:

“onzelfstandig verzoek om immateriële Schadevergoeding.”

2.2.

Het verzoek vermeldt het volgende ten aanzien van de vergoeding van proceskosten:

“Ik verzoek u dan ook i.v.m. de overschrijding van de redelijke termijn immateriële schadevergoeding toe te kennen en de daarbij behorende proceskostenvergoeding o.b.v. het besluit proceskosten uit de Awb.”

2.3.

In haar uitspraak van 6 juli 2022 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard omdat partijen zich ter zitting op standpunt hebben gesteld dat de WOZ-waarde dient te worden verminderd tot € 309.000. De rechtbank heeft belanghebbende vervolgens een vergoeding van (proces)kosten toegekend, waarbij punten zijn toegekend voor het ingediende bezwaarschrift, de hoorzitting, het beroepschrift en de zitting.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de rechtbank een vergoeding van proceskosten had moeten toekennen voor het verzoek om vergoeding van immateriële schade en voor de zitting waarop dat verzoek is behandeld.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank voor zover daarin geen proceskostenvergoeding voor het ingediende verzoek om vergoeding van immateriële schade (1 punt) en de behandeling van dat verzoek ter zitting (1 punt) met toepassing van een wegingsfactor van 0,25. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 november 20231 het volgende overwogen:

“5.1 In de omstandigheid dat belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure wordt toegekend, vindt de Hoge Raad aanleiding om de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de kosten van het geding in cassatie.

5.2.

Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand neemt de Hoge Raad voortaan tot uitgangspunt dat i) een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend2, en ii) op een dergelijk verzoek van toepassing is wegingsfactor 0,25 (zeer licht) zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.”

4.2.

Het hof benadrukt dat een verzoek om vergoeding van immateriële schade vormvrij is en daarmee kan worden gedaan in het beroepschrift, in een apart schriftelijk verzoek of tijdens een zitting. In het hiervoor geciteerde arrest is slechts beslist dat in het geval sprake is van een ongegrond beroep, maar recht bestaat op een vergoeding van immateriële schade, dat dan recht bestaat op een vergoeding van proceskosten voor het betreffende verzoek door het toekennen van één punt met een wegingsfactor van 0,25. In andere gevallen waarin het beroep op inhoudelijke gronden gegrond wordt verklaard en in verband daarmee een proceskostenvergoeding wordt toegekend, bestaat geen recht op een afzonderlijke vergoeding voor het verzoek om vergoeding van immateriële schade.

4.3.

In dit geval heeft de rechtbank het beroep om inhoudelijke redenen gegrond verklaard en heeft daarbij geen aparte (proces)kostenvergoeding voor het verzoek om vergoeding van immateriële schade toegekend. Naar het oordeel van het hof is dat gelet op het voorgaande terecht, omdat het verzoek om immateriële schade in een dergelijk geval opgaat in de proceshandeling ‘beroep/verweerschrift’. Het hof ziet om een gelijke reden evenmin aanleiding om een punt toe te kennen voor de inhoudelijke behandeling van dat verzoek ter zitting bij de rechtbank. Het onderzoek ter zitting bij de rechtbank betrof het beroep dat was ingesteld tegen een WOZ-beschikking, waarbij het verzoek om vergoeding van immateriële schade slechts een nevenvordering is geweest.

Tussenconclusie

4.4.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.5.

Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.6.

Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing