Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 07-08-2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2525, 22/1651
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 07-08-2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2525, 22/1651
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 7 augustus 2024
- Datum publicatie
- 17 oktober 2024
- Zaaknummer
- 22/1651
Inhoudsindicatie
WOZ-beschikking. Het hof stelt vast dat de hoorplicht door de heffingsambtenaar is geschonden. Nu belanghebbende geen enkele inhoudelijke grond heeft aangevoerd en er geen verschil van mening was over de relevante feiten, heeft belanghebbende, naar het oordeel van het hof, geen nadeel ondervonden van het achterwege blijven van de hoorzitting. Het schenden van de hoorplicht wordt daarom gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Awb.
Belanghebbende heeft verzocht om een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. In onderhavig geval is het financiële voordeel dat belanghebbende krijgt indien het door hem ingenomen standpunt in de WOZ-procedure wordt gehonoreerd, niet vast te stellen. Volgens het hof ontbreekt spanning en frustratie in deze zaak, waarin belanghebbende niet duidelijk heeft gemaakt wat volgens hem materieel in geschil is. Het hof wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade dan ook af.
Uitspraak
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 22/1651
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van Rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 5 september 2022, nummer SHE 21/2188, in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Eindhoven,
hierna: de heffingsambtenaar.
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van de woningen [adres 1] en [adres 2] vastgesteld. Op hetzelfde biljet zijn de aanslagen onroerendezaakbelastingen eigenaar woning en de aanslagen rioolheffing eigenaar voor het jaar 2019 bekendgemaakt.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen.
Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend en belanghebbende heeft daarop met nadere stukken gereageerd.
De zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn namens de heffingsambtenaar [heffingsambtenaar 1] en [heffingsambtenaar 2] verschenen. Namens belanghebbende is niemand verschenen. Belanghebbende is uitgenodigd om ter zitting te verschijnen bij brief van het hof van 20 maart 2024, met vermelding van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Op 27 maart 2024 heeft het hof vervolgens een brief met de naam: ‘gewijzigd tijdstip mondelinge behandeling’ aan partijen gestuurd met de volgende inhoud:
‘In de eerder aan u gestuurde uitnodiging voor de mondelinge behandeling heeft het gerechtshof u bericht dat de zitting op vrijdag 28 juni 2024 om 12.00 uur begint. Om organisatorische redenen is de aanvangstijd gewijzigd naar 10.45 uur.’
Deze brief, met track & trace-code [code] , is aangetekend verzonden naar het door belanghebbende opgegeven adres van zijn gemachtigde [gemachtigde] . Tot de gedingstukken behoort een kopie van de lijst van aangetekende verzendbewijzen en een schermprint van de statusinformatie van het verzendbewijs. Hieruit volgt dat de brief is afgehaald op een PostNL-locatie op 28 maart 2024.
Op de zitting van 28 juni 2024, om 10.45 uur, zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaak met nummer 22/2253.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2 Feiten
Belanghebbende is eigenaar van de woningen.
Belanghebbende is gehuwd met [de man] (hierna: [de man] ) en deze heeft namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de beschikking. In het bezwaarschrift is vermeld:
‘Betreft: bezwaarschrift tegen uw beschikking d.d. 28 februari 2019 met kenmerk [kenmerk] (subjectnr. [subjectnummer] )
Geachte heer, mevrouw,
Namens [belanghebbende] te [woonplaats] , cliënt, maak ik, op nog nader aan te geven gronden,
bezwaar tegen uw opgemelde beschikking. Er wordt om een nadere termijn gevraagd teneinde de gronden aan te vullen.
Cliënt verzoekt in ieder geval om een vergoeding op grond van artikel 7:15 Awb wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Daarnaast verzoek ik u om telefonisch te worden gehoord ter zake van dit bezwaarschrift. Tot slot verzoek ik u mij namens cliënt om, mede in het licht van het beginsel van hoor en wederhoor, alle zaakstukken in dit dossier te doen toekomen zodat deze bestudeerd kunnen worden.’
De heffingsambtenaar heeft op 4 juli 2019 uitspraak op bezwaar gedaan, waarin het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard omdat het bezwaarschrift niet de gronden van het bezwaar bevat. Die uitspraak op bezwaar is door de rechtbank vernietigd.1 De rechtbank heeft de heffingsambtenaar opgedragen opnieuw uitspraak op bezwaar te doen.
Na die opdracht van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar op 8 juli 2021 een uitnodiging voor een hoorzitting aan [de man] gestuurd. In de uitnodiging staat:
‘Betreft Uitnodiging hoorzitting
Geachte heer [de man] ,
U hebt namens [belanghebbende] bezwaar gemaakt tegen de WOZ-beschikking 2019
met nummer [kenmerk] . Rechtbank Oost-Brabant heeft mij opgedragen opnieuw uitspraak
op bezwaar te doen.
U hebt in het bezwaar verzocht om te worden gehoord. Hieronder treft u een aantal
voorstellen aan voor een hoorzitting. Ik verneem graag op welke datum u gehoord wilt
worden.
Dinsdag 13 juli 10.00 uur
Vrijdag 16 juli 15.00 uur
Woensdag 21 juli 15.00 uur
Vrijdag 23 juli 15.00 uur
Woensdag 28 juli 15.00 uur
Maandag 2 augustus 10.00 uur
Mocht u het bezwaar nog willen aanvullen, dan ontvang ik die nadere motivering graag
uiterlijk 22 juli 2021. In de bijlage treft u de taxatieverslagen van de woningen.’
Bij de stukken bevindt zich een e-mail van 8 juli 2021 van de heffingsambtenaar aan [de man] , met de uitnodiging. Bij de stukken bevindt zich eveneens een verzendbewijs met een track & trace-code van een aangetekend te verzenden pakket dat door PostNL is aangenomen op 8 juli 2021. De heffingsambtenaar heeft gesteld dat de brief met de uitnodiging in dit pakket zat en dat hij dit pakket niet retour heeft ontvangen.
Op de uitnodiging voor de hoorzitting is niet gereageerd. Evenmin zijn de gronden van het bezwaar aangevuld.
In de onderhavige uitspraak op bezwaar, van 2 augustus 2021, heeft de heffingsambtenaar vermeld dat [de man] per brief van 8 juli 2021 is uitgenodigd voor een hoorzitting en in de gelegenheid is gesteld het bezwaar aan te vullen, maar dat de heffingsambtenaar daar geen reactie op heeft ontvangen en dat [de man] daarom niet is gehoord. Na een inhoudelijke heroverweging is het bezwaar door de heffingsambtenaar ongegrond verklaard.
3 Geschil en conclusies van partijen
Het geschil in hoger beroep betreft het antwoord op de vraag of de hoorplicht door de heffingsambtenaar is geschonden. Meer specifiek is in geschil of de gemachtigde bij brief of e-mail van 8 juli 2021 concreet is uitgenodigd voor een hoorzitting en, daaraan voorafgaand, of belanghebbende deze uitnodiging digitaal of per post heeft ontvangen. Bijkomend is in geschil of belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Belanghebbende concludeert tot een gegrond hoger beroep en vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en verzoekt het hof zelf in de zaak te voorzien.
De heffingsambtenaar concludeert tot een ongegrond hoger beroep.