Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 28-08-2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2740, 22/1167

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 28-08-2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2740, 22/1167

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28 augustus 2024
Datum publicatie
5 december 2024
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2024:2740
Formele relaties
Zaaknummer
22/1167
Relevante informatie
Art. 3:72 BW, Art. 8:24 Awb, Art. 8:115 Awb

Inhoudsindicatie

Erfgename heeft een machtiging afgegeven met betrekking tot de WOZ-waarde per waardepeildatum 1 januari 2019. Zij overlijdt voordat de uitspraak op bezwaar is gedaan. De gemachtigde stelt namens haar beroep in. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat de machtiging is geëindigd door het overlijden. Het hof oordeelt dat de erfgename als rechtsopvolgster van haar moeder gerechtigd is de bezwaar- en beroepsprocedure voort te zetten. Het hof acht aannemelijk dat de erfgename de bedoeling heeft gehad om de procedure voort te zetten. Zij had echter gemachtigde ten tijde van het instellen van het beroep niet gemachtigd daartoe. Omdat de erfgename met het afgeven van de machtiging achteraf de ten tijde van het instellen van het beroep ontbrekende machtiging heeft bekrachtigd, is het beroep ontvankelijk.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 22/1167

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 19 april 2022, nummer SHE 20/3612, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van het Land van Cuijk,

hierna: de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van de [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2020 bekendgemaakt.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak is beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Partijen zijn uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van de zaak op 13 oktober 2023. Belanghebbende heeft uitstel van deze mondelinge behandeling gevraagd, dat heeft het hof toegekend.

1.6.

Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend. Vervolgens heeft het hof bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2 Feiten

2.1.

[eflaatster] (hierna: erflaatster) was op 1 januari 2020 eigenaar van de woning.

2.2.

De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 31 januari 2020 de waarde van de onroerende zaak per de waardepeildatum 1 januari 2019 vastgesteld op € 393.000. Erflaatster heeft op 25 februari 2020 een machtiging afgegeven aan [gemachtigde] (hierna: de gemachtigde) om namens haar onder meer bezwaar, beroep en hoger beroep of cassatie in te stellen. Erflaatster heeft bij de machtiging met pen geschreven “Sec. voor jaar 2020” en “Alleen voor bezwaar WOZ-waarde 2020”. Op 6 maart 2020 heeft de gemachtigde namens haar bezwaar gemaakt.

2.3.

Op 23 juli 2020 is erflaatster overleden. Haar erfgename is haar dochter [dochter] , zij wordt ook aangeduid als [persoon] (in deze uitspraak aangeduid als: erfgename of belanghebbende).

2.4.

Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 3 november 2020 heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak en de aanslag gehandhaafd. De uitspraak op bezwaar is te naam gesteld op de erven van [eflaatster] .

2.5.

Op 10 december 2020 heeft de gemachtigde het volgende per email geschreven:

“Geachte heer/mevrouw [eflaatster] ,

Onlangs hebben wij u de uitspraak op het bezwaarschrift voor het kenmerk 2020-79340 van gemeente [woonplaats] (NB), verstuurd.

Inmiddels heeft één van onze taxateurs de uitspraak beoordeeld en komen wij tot de conclusie dat het zinvol is om een beroepschrift in te dienen bij de rechtbank. Aangezien wij het niet eens zijn met de uitspraak van de gemeente, dienen wij namens u een beroepschrift in. De waarde is naar onze mening namelijk nog steeds te hoog vastgesteld.

Ook deze procedure kost u niets en er wordt van u geen actie verwacht.

Uiteraard wordt u op de hoogte gehouden van het verloop van de procedure en bestaat de mogelijkheid in te loggen in uw online dossier.”

2.6.

Op dezelfde dag antwoordt de erfgename als volgt:

“Dank! Ik word graag op de hoogte gehouden van het verdere proces.

[persoon] ”

2.7.

Op 15 december 2020 heeft de gemachtigde namens erflaatster beroep ingesteld. De gemachtigde heeft daarbij de door erflaatster afgegeven machtiging meegestuurd. De rechtbank heeft de gemachtigde op 9 februari 2022 verzocht om een verklaring van erfrecht en om een machtiging van alle erfgenamen van erflaatster over te leggen. Bij brief van 15 februari 2022 heeft de gemachtigde de verklaring van erfrecht en een op 14 februari 2021 door de erfgename ondertekende machtiging overgelegd. In deze machtiging heeft de erfgename volmacht gegeven aan gemachtigde om in de huidige bezwaar WOZ-beschikking (lopende procedure) namens haar op te treden.

2.8.

De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

2.9.

Erfgename heeft op 1 november 2023 schriftelijk het volgende verklaard:

“Ik was ervan op de hoogte dat mijn moeder bezwaar had laten aantekenen tegen de WOZ­ beschikking van 2020. Ik heb haar geholpen bij het afgeven van de machtiging, het invullen van de stukken en het toesturen van foto's etc. Het contact met [gemachtigde] is van begin af aan voornamelijk via mij verlopen, uiteraard in overleg met mijn moeder. Ik ben ervan uitgegaan dat het bezwaar, na overlijden van mijn moeder, zou worden voortgezet op mijn naam en dat [gemachtigde] automatisch geïnformeerd zou worden hierover. (…)

Op zowel de door mijn moeder ondertekende machtiging als vervolgens op de door mij ondertekende machtiging heb ik handmatige aanpassingen aangebracht. In 2020 heb ik - in overleg met mijn moeder- erbij geschreven "Alleen voor bezwaar WOZ-waarde 2020" en in 2021schreef ik "huidige bezwaar WOZ-beschikking (lopende procedure)". In beide gevallen werd bedoeld dat [gemachtigde] gemachtigd werd om procedure; te voeren tegen de in 2020 opgelegde beschikking.

Hiermee werd expliciet niet bedoeld, dat er alleen bezwaar mocht worden gemaakt. Mijn moeder en vervolgens ik zijn van begin af aan akkoord geweest met het doorlopen van alle mogelijke procedures, zo lang deze maar gericht waren tegen de WOZ-beschikking van 2020. Ik (en destijds mijn moeder) wilde met de handgeschreven opmerking uitsluiten dat er ook bezwaar/beroep/hoger beroep zou kunnen worden ingesteld tegen een WOZ-beschikking van 2021 en de opvolgende jaren. (…)

De machtiging van 2021, waarop de naam [persoon] is opgenomen, is inderdaad door mij ondertekend. [voornaam] is mijn roepnaam.”

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is of de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en terugwijzing naar de rechtbank ter behandeling van de zaak. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

5 Beslissing