Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 28-08-2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2743, 22/1508 tot en met 22/1510

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 28-08-2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2743, 22/1508 tot en met 22/1510

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28 augustus 2024
Datum publicatie
5 december 2024
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2024:2743
Formele relaties
Zaaknummer
22/1508 tot en met 22/1510
Relevante informatie
Art. 117 Wschw, Art. 122d Wschw, Art. 4:19 Awb, Art. 6:22 Awb, Art. 7:4 Awb, Art. 7:5 Awb, Art. 7:12 Awb, Art. 10:3 Awb

Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is dat de opbrengstlimiet is overschreden en oordeelt verder over diverse stellingen van formele aard.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummers: 22/1508 tot en met 22/1510

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 22 juli 2022, nummers BRE 20/732, 20/9072, 21/378, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant,

hierna: de heffingsambtenaar, en

de Minister van Justitie en Veiligheid,

hierna: de minister.

1 Ontstaan en loop van het geding

Nummer 22/1508

1.1.

De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) bij beschikking van 28 februari 2019 de waarde van het object [adres] te [vestigingsplaats] (hierna: de onroerende zaak) per waardepeildatum 1 januari 2018 vastgesteld op € 602.000. Tevens zijn daarbij de aanslagen onroerendezaakbelasting eigenaar en gebruiker en rioolheffing (van de gemeente [vestigingsplaats] ), en watersysteemheffing eigenaren en zuiveringsheffing bedrijfsruimten (van het waterschap Brabantse Delta) voor het jaar 2019 bekendgemaakt.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt.

1.3.

Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar in gebreke gesteld ten aanzien van het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar.

1.4.

In reactie hierop heeft de heffingsambtenaar belanghebbende bij dwangsombeschikking van 27 december 2019 niet-ontvankelijk verklaard.

1.5.

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op het bezwaar tegen de aanslagen watersysteemheffing eigenaren en zuiveringsheffing bedrijfsruimten (BRE 20/732).

1.6.

De heffingsambtenaar heeft bij dwangsombeschikking van 5 februari 2020 vastgesteld dat vanwege overschrijding van de beslistermijn na het bezwaar tegen de aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimten een dwangsom van € 1.442 is verbeurd.

1.7.

De heffingsambtenaar heeft op 14 februari 2020 uitspraak op het in 1.2. bedoelde bezwaar gedaan en het bezwaar deels gegrond en voor het overige ongegrond verklaard. De waarde van de onroerende zaak is per de waardepeildatum 1 januari 2018 nader bepaald op € 408.000, de aanslagen voor het jaar 2019 zijn dienovereenkomstig verlaagd en belanghebbende is een proceskostenvergoeding van € 522 toegekend.

Nummers 22/1509 en 22/1510

1.8.

De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet WOZ bij beschikking van 29 februari 2020 de waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2019 vastgesteld op € 402.000. Tevens zijn daarbij de aanslagen onroerendezaakbelasting eigenaar en gebruiker en rioolheffing (van de gemeente [vestigingsplaats] ), en watersysteemheffing eigenaren en zuiveringsheffing bedrijfsruimten (van het waterschap Brabantse Delta) voor het jaar 2020 bekendgemaakt.

1.9.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt.

1.10.

Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar in gebreke gesteld ten aanzien van het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar.

1.11.

In reactie hierop heeft de heffingsambtenaar belanghebbende bij dwangsombeschikking van 11 september 2020 niet-ontvankelijk verklaard.

1.12.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt.

1.13.

De heffingsambtenaar heeft op 11 september 2020 uitspraak op het in 1.9. bedoelde bezwaar gedaan en het bezwaar tegen de aanslagen watersysteemheffing eigenaren en zuiveringsheffing bedrijfsruimten voor het jaar 2020 ongegrond verklaard.

1.14.

De heffingsambtenaar heeft op 10 december 2020 uitspraak op het in 1.12. bedoelde bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard. Daarbij is vastgesteld dat vanwege overschrijding van de beslistermijn na het bezwaar tegen de aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimten voor het jaar 2020 een dwangsom van € 1.442 is verbeurd.

1.15.

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de in 1.13. en 1.14. bedoelde uitspraken op bezwaar (rechtbank: BRE 20/9072 en BRE 21/378).

Nummers 22/1508 tot en met 22/1510

1.16.

De rechtbank heeft het beroep ten aanzien van het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, het beroep met zaaknummer BRE 21/378 gegrond verklaard voor zover geen vergoeding van de kosten van bezwaar is toegekend, de beroepen voor het overige ongegrond verklaard en nevenbeslissingen gegeven ten aanzien van de vergoeding van immateriële schade, het griffierecht en de proceskosten.

1.17.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.18.

De zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens belanghebbende [A] en [B] en haar gemachtigde [gemachtigde] , en namens de heffingsambtenaar [heffingsambtenaar] . Op deze zitting zijn de onderhavige zaken gelijktijdig behandeld.

1.19.

Belanghebbende heeft tijdens de zitting drie pleitnota’s voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.

1.20.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.21.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt gezonden.

2 Feiten

2.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 28 februari 2019 de waarde van de onroerende zaak op grond van de Wet WOZ per waardepeildatum 1 januari 2018 vastgesteld. Tevens zijn daarbij onder andere de aanslagen watersysteem heffing eigenaren en zuiveringsheffing bedrijfsruimten van het waterschap Brabantse Delta voor het jaar 2019 opgelegd.

2.2.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 29 februari 2020 de waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2019 vastgesteld. Tevens zijn daarbij onder andere de aanslagen watersysteemheffing eigenaren en zuiveringsheffing bedrijfsruimten (van het waterschap Brabantse Delta) voor het jaar 2020 bekendgemaakt.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil in hoger beroep met nummer 22/1508 betreft het antwoord op de volgende vragen:

  1. Is de Verordening watersysteemheffing waterschap Brabantse Delta 2019 verbindend? Het geschil spitst zich daarbij toe op de vraag of bij de vaststelling van de tarieven van de watersysteemheffing de opbrengstlimiet is overschreden.

  2. Is artikel 4:19 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geschonden?

  3. Is de heffingsambtenaar tweemaal een dwangsom van € 1.442 verschuldigd vanwege het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de aanslag watersysteemheffing eigenaren 2019 en de aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimten 2019?

3.2.

Het geschil in hoger beroep met nummer 22/1509 betreft het antwoord op de volgende vragen:

Zijn de Verordening watersysteemheffing waterschap Brabantse Delta 2020 en de Verordening zuiveringsheffing waterschap Brabantse Delta 2020 verbindend?

Dient alsnog te worden beslist op het beroep op schending van de inzageplicht (7:4, lid 2, Awb) en op het beroep op het onvoldoende gemotiveerd zijn van de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de aanslagen watersysteemheffing eigenaren en zuiveringsheffing bedrijfsruimten (7:12, lid 1, Awb) en zo ja, slagen deze beroepen?

3.3.

Het geschil in hoger beroep met nummer 22/1510 betreft het antwoord op de volgende vragen:

Is de in 1.14 bedoelde uitspraak op bezwaar gedaan in strijd met artikel 10:3, lid 3, Awb?

Heeft de heffingsambtenaar de hoorplicht geschonden (7:5 Awb)?

Is de heffingsambtenaar tweemaal een dwangsom van € 1.442 verschuldigd vanwege het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de aanslag watersysteemheffing eigenaren 2020 en de aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimten 2020?

Is artikel 4:19 Awb geschonden?

3.4.

In alle zaken (22/1508 tot en met 22/1510) is verder in geschil het antwoord op de volgende vragen:

Heeft de rechtbank ten onrechte nagelaten te beslissen op het verzoek om wettelijke rente?

Moet de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd omdat deze niet op de juiste wijze in het openbaar is uitgesproken?

Heeft de rechtbank de vergoeding van immateriële schade te laag vastgesteld?

Heeft de rechtbank de vergoeding van de proceskosten en het griffierecht te laag vastgesteld?

3.5.

Belanghebbende concludeert in hoger beroep in de zaken met nummers 22/1508 en 22/1509 tot vernietiging van de in geschil zijnde aanslagen en tot toewijzing van de nevenvorderingen. In het hoger beroep met nummer 22/1510 concludeert belanghebbende tot terugwijzing naar de heffingsambtenaar en tot toewijzing van de nevenvorderingen.

3.6.

De heffingsambtenaar refereert zich aan het oordeel van het hof ten aanzien van de vraag of alsnog wettelijke rente over een aantal door de rechtbank toegewezen bedragen is verschuldigd en concludeert voor het overige tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

5 Beslissing