Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 06-11-2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:3481, 23/54 en 23/55

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 06-11-2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:3481, 23/54 en 23/55

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
6 november 2024
Datum publicatie
27 februari 2025
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2024:3481
Formele relaties
Zaaknummer
23/54 en 23/55
Relevante informatie
Art. 227 Gemw

Inhoudsindicatie

Reclamebelasting. Aannemelijk is gemaakt dat de opbrengst van de reclamebelasting is aangewend ten behoeve van het heffingsgebied. De gemeente heeft daarom in redelijkheid mogen uitgaan van de veronderstelling dat degenen die profijt kunnen hebben van de opbrengst van de belasting in de heffing worden betrokken. Dat de ene ondernemer in het heffingsgebied meer profijt zou kunnen hebben van de besteding van de reclamebelasting dan de andere, doet aan de rechtsgeldigheid van de heffing niet af.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummers: 23/54 en 23/55

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 9 december 2022, nummers BRE 20/4945, 20/4949 en 22/736, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van Sabewa Zeeland,

hierna: de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft aanslagen reclamebelasting 2018, 2019 en 2021 opgelegd.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslagen 2018, 2019 en 2021. De heffingsambtenaar heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot 2021 gegrond verklaard (zaaknummer BRE 22/736). De rechtbank heeft de beroepen met betrekking tot 2018 en 2019 ongegrond verklaard (zaaknummers BRE 20/4945 en 20/4946).

1.4.

Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld bij het hof tegen de uitspraak van de rechtbank met betrekking tot 2018 (zaaknummer 23/54) en 2019 (zaaknummer 23/55). De heffingsambtenaar heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, geen verweerschrift ingediend.

1.5.

De zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2024 in ’s-Hertogenbosch. Belanghebbende en de heffingsambtenaar zijn niet verschenen. De griffier heeft verklaard dat belanghebbende bij brief van 23 april 2024 is uitgenodigd voor de zitting met vermelding van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Deze brief, met nummer [nummer] , is aangetekend verzonden naar het door belanghebbende opgegeven adres. Tot de gedingstukken behoort een kopie van de lijst van aangetekende verzendbewijzen en een schermprint van de statusinformatie van het verzendbewijs. Hieruit volgt dat de uitnodiging voor de zitting op 24 april 2024 op het door belanghebbende opgegeven adres is afgeleverd. De griffier heeft tevens verklaard dat zij de heffingsambtenaar, bij brief van 23 april 2024, heeft uitgenodigd voor de zitting met vermelding van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Deze brief is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst en op die datum is een notificatie gestuurd naar het door de heffingsambtenaar opgegeven e-mailadres. Hieruit volgt dat de uitnodiging voor de zitting op 23 april 2024 aan de heffingsambtenaar is afgeleverd.

1.6.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor de jaren 2018, 2019 en 2021 aanslagen reclamebelasting opgelegd. Voor het jaar 2018 betreft het € 863,50, voor het jaar 2019 € 927 en voor het jaar 2021 € 972.

2.2.

De aanslagen zijn opgelegd voor de openbare aankondiging ter grootte van 0,33 m2 op het raam van [kantoornaam] aan de [adres] te [plaats] .

2.3.

Belanghebbende is in 2018, 2019 en 2021 gebruiker geweest van het pand aan de [adres] te [plaats] , een advocatenkantoor, gelegen in het centrumgebied van [plaats] en aan het pand was een openbare aankondiging aangebracht, zichtbaar vanaf de openbare weg.

2.4.

Op basis van de Verordening reclamebelasting van de gemeente Goes voor de betreffende jaren wordt de reclamebelasting geheven voor een openbare aankondiging zichtbaar vanaf de openbare weg binnen het centrumgebied.

2.5.

De heffingsambtenaar heeft de aanslagen bij de uitspraken op bezwaar gehandhaafd.

2.6.

De rechtbank heeft het beroep tegen de aanslag 2021 gegrond verklaard omdat de heffingsambtenaar tijdens de zitting had verklaard die aanslag te zullen intrekken aangezien de uitspraak op bezwaar niet voldoende was gemotiveerd. De rechtbank heeft de uitspraak op bezwaar betreffende de aanslag 2021 en de aanslag voor dat jaar vernietigd.

2.7.

De rechtbank heeft het beroep tegen de aanslagen 2018 en 2019 ongegrond verklaard.

De heffingsambtenaar is veroordeeld tot betaling van een immateriële schadevergoeding aan belanghebbende van € 2.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn, vergoeding van het griffierecht in de zaak met betrekking tot de aanslag 2021 van € 50 en betaling van € 9 proceskosten (reiskosten) aan belanghebbende.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

Heeft de heffingsambtenaar terecht aanslagen reclamebelasting 2018 en 2019 opgelegd?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vernietiging van de aanslagen 2018 en 2019.

3.3.

De heffingsambtenaar concludeert, naar het hof begrijpt, tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

3.4.

Belanghebbende heeft tijdens de zitting bij de rechtbank verklaard dat de berekening van de aanslagen niet in geschil is.

4 Gronden

5 Beslissing