Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 28-01-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:207, 200.337.598_01

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 28-01-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:207, 200.337.598_01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28 januari 2025
Datum publicatie
28 april 2025
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2025:207
Formele relaties
Zaaknummer
200.337.598_01

Inhoudsindicatie

toetsing aan Didam-arresten - slechts één van de drie door het Waterschap geformuleerde selectiecriteria voldoet aan het vereiste van objectiviteit, toetsbaarheid en redelijkheid - het Waterschap mocht na toetsing niet redelijkerwijs aannemen dat er slechts één serieuze gegadigde was voor de aankoop van twee percelen.

Uitspraak

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.337.598/01

arrest in kort geding van 28 januari 2025

in de zaak van

Waterschap [XX],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als: het Waterschap,

advocaat: mr. J.A.M. van Heijningen te 's-Hertogenbosch,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. H.S. Memelink te Zevenbergen.

op het bij exploot van dagvaarding van 7 februari 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 12 januari 2024, door de voorzieningenrechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen het Waterschap als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/398039 / KG ZA 23-539)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding in hoger beroep;

-

de memorie van grieven met producties;

-

de memorie van antwoord;

-

de mondelinge behandeling, waarbij beide partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd;

-

de bij brief van 26 augustus 2024 door het Waterschap toegezonden productie 30, die bij de mondelinge behandeling door het hof aan de gedingstukken is toegevoegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

De zaak in het kort en de beslissing van het hof

Ter uitvoering van zijn taak is het Waterschap voornemens een aantal percelen van Stichting Brabants Landschap (BL) in eigendom te verwerven, door verkoop/ruil van zeventien van zijn eigen percelen. Het Waterschap heeft daartoe met BL een ruil-/verkoopovereenkomst gesloten, onder de opschortende voorwaarde dat er sprake is van een onherroepelijke uitspraak van de rechter dat een betreffende derde geen aanspraak kan maken op de grondtransactie. Vervolgens heeft het Waterschap een aankondiging gepubliceerd van het voornemen tot het verkopen van diverse percelen, waaronder de percelen [perceel A] en [perceel B] , die grenzen aan het perceel van [geïntimeerde] . Het Waterschap heeft daarbij aangegeven dat bij deze transactie geen openbare selectieprocedure hoeft te worden gehouden, omdat bij voorbaat vaststaat dat alleen BL in aanmerking komt voor de koop. [geïntimeerde] is het daarmee niet eens. Hij is van mening dat hij ook als gegadigde voor de percelen [perceel A] en [perceel B] moet worden aangemerkt. Ook hij kan en wil de percelen beheren

en onderhouden conform de eisen die het Waterschap daaraan stelt conform het

projectplan Waterwet. Met een beroep op het Didam-arrest vordert hij daarom dat het Waterschap de percelen alleen via een openbare selectieprocedure mag verkopen.

De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de door het Waterschap ingeroepen uitzondering op het Didam-arrest niet van toepassing is en heeft de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen. Het hof bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter.

3 De beoordeling

De voor deze zaak relevante feiten

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

[geïntimeerde] exploiteert een (kleinschalig) akkerbouwbedrijf. Hij beschikt daartoe – onder andere – als eigenaar over de percelen die kadastraal bekend staan als [gemeente A] , [kadastrale aanduiding A] , nummers [perceel G] en [perceel H] .

3.1.2.

In het gebied waar [geïntimeerde] zijn onderneming drijft, stroomt [beek A] .

[beek A] is gelegen in natuurgebied [ZZ] en [YY] en maakt

daarmee zowel onderdeel uit van een Natura 2000-gebied als van het Natuur Netwerk

Brabant (NNB). Op grond van de verplichting tot soortbehoud in de Wet Natuurbescherming (Wnb) moeten in dit gebied ecologische verbindingszones (EVZ) worden aangelegd, corridors, ter bescherming van de EVZ-doelsoorten.

3.1.3.

In 2006 is een aanvang gemaakt met realisering van een EVZ die circa 3,8 km lang

zal zijn. Om tot realisering van de EVZ te komen heeft het Waterschap al vanaf 2006 daarvoor noodzakelijke percelen in eigendom verworven, waaronder in 2010 de percelen [perceel A] en [perceel B] van [geïntimeerde] . Deze percelen zijn gelegen langs [beek A] en binnen de EVZ en grenzen direct aan de eerder genoemde percelen H611 en [perceel H] van [geïntimeerde] .

3.1.4.

Na verkoop en levering door [geïntimeerde] van de percelen [perceel A] en [perceel B] aan het Waterschap in 2010 heeft zijn zoon (hierna ook te noemen [geïntimeerde] ) het Waterschap vanaf 2021 benaderd met de vraag of hij de betreffende percelen weer zelf kon gebruiken voor een door hem voorgestane landgoedontwikkeling die hij aanduidt als ' [naam A] '. De bedoeling van [geïntimeerde] is om de waterschapspercelen [perceel A] en [perceel B] onder meer te gebruiken als akker voor het telen van Sorghumgraan en begrazing door Hereford runderen. [geïntimeerde] heeft het Waterschap in dat kader een "Inrichtingsplan [naam A] " toegezonden en vervolgens een "concept Inrichtingsplan [perceel A] - [perceel B] " waarin hij zijn plannen over inrichting, beheer en onderhoud van zijn landgoed-ontwikkeling op de waterschappercelen [perceel A] een [perceel B] uiteen heeft gezet. [geïntimeerde] wil daarmee voldoen aan de (subsidie-)voorwaarden voor realisering van een landgoed op grond van de Natuurschoonwet 1928 (NSW). [geïntimeerde] heeft de percelen bovendien nodig om een aaneengesloten gebied van 5 hectare te vormen op grond waarvan het landgoed voor erkenning onder de NSW in aanmerking komt. Het Waterschap heeft zich op het standpunt gesteld dat de landgoedontwikkeling en de inrichting van de percelen [perceel A] en [perceel B] volgens de door [geïntimeerde] overgelegde inrichtingsplannen niet in overeenstemming waren met de vereiste inrichting van de EVZ.

3.1.5.

Op 2 februari 2022 heeft [geïntimeerde] bij het Waterschap het "Inrichtingsvoorstel aan

[beek A] , [perceel A] - [perceel B] - [perceel I] Ecologische Verbindingszone [zone A]

", ingediend. Bij e-mailbericht van 27 september 2022 heeft het Waterschap dit

inrichtingsvoorstel van [geïntimeerde] , onder verwijzing naar de eisen en doelstellingen van de EVZ en het beleid van het Waterschap, afgewezen.

3.1.6.

Bij brief van 19 december 2022 gericht aan de watergraaf van het Waterschap heeft [geïntimeerde] (wederom) aangegeven dat hij een NSW-landgoed wil realiseren en dat hij daarvoor de waterschapspercelen [perceel A] en [perceel B] wil gebruiken. [geïntimeerde] heeft daartoe wederom een inrichtingsvoorstel ingediend. Dit inrichtingsvoorstel is door het Waterschap bij brief van 16 januari 2023 gemotiveerd afgewezen.

3.1.7.

Het Waterschap heeft conform artikel 5.4 van de Waterwet voor aanleg en wijziging

van de waterstaatswerken met als doel realisering van EVZ een ontwerp-projectplan

vastgesteld. Voor de vaststelling van het projectplan is door het Waterschap de uniforme

openbare voorbereidingsprocedure gevolgd. Het Waterschap heeft een informatieavond over

het ontwerp-projectplan georganiseerd die op 11 oktober 2021 heeft plaatsgevonden.

Tijdens deze informatieavond zijn de achtergronden, eisen en gestelde voorwaarden voor

realisering van de EVZ toegelicht. [geïntimeerde] was bij deze informatiebijeenkomst aanwezig.

3.1.8.

Het Waterschap werkt ter realisering van de EVZ en ter uitvoering van zijn taak samen met de Provincie, gemeente, BL en particuliere initiatieven. Het Waterschap en BL hebben in het 'Projectplangebied' (EVZ) percelen grond in eigendom die deels aan elkaar grenzen.

3.1.9.

De EVZ waarbinnen de percelen [perceel A] en [perceel B] zijn gelegen en waarvan [beek A]

onderdeel uitmaakt, bestaat uit een natte natuurzone (hierna: NNZ) en een droge

natuurzone (hierna: DNZ). De EVZ heeft, te rekenen vanaf [beek A] , een gemiddelde breedte van circa 25 m. De NNZ-zone heeft een gemiddelde breedte van 10 m

te rekenen vanaf [beek A] . De hiervoor genoemde circa 10 m worden aangeduid

als "oeverpercelen", zijnde perceelgedeelten die direct grenzen aan de A watergang en welke het Waterschap in eigendom wil behouden. Het Waterschap wil verder de oeverpercelen, voor zover deze nog niet zijn eigendom zijn, verwerven, beheren en onderhouden. De resterende 15 m (DNZ) hoeft niet door het Waterschap te worden beheerd.

Deze perceelgedeelten kunnen beter door een andere deskundige terreinbeheerder worden

beheerd conform de eisen/voorwaarden waaraan een EVZ dient te voldoen en zoals

vastgelegd in de hiervoor vermelde regelingen, plannen en beleid, welke mede hun weerslag

hebben in het door het Waterschap vastgestelde ontwerp-projectplan. Het Waterschap behoudt, beheert en onderhoudt aldus de NNZ van de percelen [perceel A] en [perceel B] en is voornemens het droge deel (DNZ) van de percelen [perceel A] en [perceel B] ter breedte van 15 m te

ruilen met de (natte) oeverpercelen die in eigendom zijn van BL. Waar hierna wordt gesproken over "de percelen [perceel A] en [perceel B] ", wordt bedoeld het droge gedeelte van [perceel A] en [perceel B] .

3.1.10.

Het Waterschap heeft daartoe op 31 maart 2023 een 'ruil/verkoopovereenkomst' gesloten met BL. Deze overeenkomst is aangegaan onder de opschortende voorwaarde dat

er sprake is van een onherroepelijke uitspraak van de rechter dat een betreffende derde geen

aanspraak kan maken op de grondtransactie.

3.1.11.

Op [datum A] (Waterschapsblad [publicatienummer A] ) heeft het Waterschap een aankondiging gepubliceerd van een voornemen tot het verkopen van diverse percelen, waaronder de percelen [perceel A] en [perceel B] . Op [datum B] (Waterschapsblad [publicatienummer B] ) heeft het Waterschap deze aankondiging ingetrokken, onder publicatie van een aangepaste aankondiging van ditzelfde voornemen, met een nadere onderbouwing voor de transactie. In de aangepaste aankondiging is – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

"Het waterschap is van mening dat bij voorgenoemde transactie geen openbare selectieprocedure vereist is omdat in deze situatie bij voorbaat vaststaat, althans redelijkerwijs mag worden aangenomen, dat op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria slechts aspirant-koper in aanmerking komt voor aankoop. De motivatie is als volgt:

l. Alleen aspirant-koper is in staat om de benodigde gronden voor de waterloop en de

natuurvriendelijke oevers aan het Waterschap te leveren. Ter compensatie worden bovengenoemde percelen door het Waterschap aan aspirant-koper aangeboden;

2. De percelen worden als één geheel als natuurgronden beheerd door één partij conform de

doelstellingen van de EVZ;

3. De percelen grenzen grotendeels aan de gronden van de aspirant-koper."

3.1.12.

[geïntimeerde] is bij brief van zijn advocaat van 8 mei 2023 opgekomen tegen het voornemen van het Waterschap om de percelen [perceel A] en [perceel B] te verkopen/ruilen met BL zoals vermeld in de aankondiging van [datum B] .

3.1.13.

Het Waterschap heeft naar aanleiding daarvan besloten de hiervoor genoemde aankondiging van [datum B] in te trekken en de voorgenomen verkoop op te schorten.

Bij e-mailbericht van 10 mei 2023 heeft de advocaat van het Waterschap het volgende laten

weten aan [geïntimeerde] :

(...)

"Vooralsnog wordt de verkoop van onderhavige percelen 'on hold' gezet. Hetzelfde geldt voor de in onderhavige publicatie gestelde termijn van 20 dagen. Met uw cliënt is afgesproken dat de suggesties die hij tijdens voornoemd gesprek heeft gedaan, nader beoordeeld zullen worden door onze projectleider in samenspraak met o.a. een ecoloog en de door uw cliënt benaderde deskundige van de [bedrijf A] .

Afgesproken is tevens dat uw cliënt zijn 'aanvullingen' vervolgens formeel aan het waterschap kenbaar zal maken. Het waterschap zal alsdan beoordelen of deze wel of niet verenigbaar zijn met het huidige plan dan wel daarvoor een verrijking kunnen betekenen.

Vanwege de opschorting van de verkoop en de daarmee samenhangende termijn alsmede de thans

lopende gesprekken en de omstandigheid dat partijen afspraken hebben gemaakt over nader onderzoek naar de haalbaarheid van de suggesties van uw cliënt, ontbreekt voor dit moment het

spoedeisend belang voor een kort geding. Het waterschap stelt daarom voor eventuele voorbereidingen voor het kort geding op te schorten. Om die reden leek het mij ook niet zinvol om nu verhinderdata op te geven."

(...)

3.1.14.

Het Waterschap heeft [geïntimeerde] bij e-mailbericht van 24 mei 2023 vervolgens het

ontwerp-projectplan toegezonden en het daarbij behorende kaartmateriaal waarin de voorwaarden/eisen voor beheer en onderhoud van de perceelgedeelten [perceel A] en [perceel B] (DNZ)

gelegen in de EVZ zijn vermeld. Het Waterschap heeft daarbij aangegeven graag in gesprek

te gaan om de ideeën van [geïntimeerde] te bespreken. Daarbij heeft het Waterschap de volgende

randvoorwaarden gesteld:

"1. Het waterschap blijft ten alle tijden eigenaar van de A watergang ( [beek A] );

2. De natte zone (10 meter) direct grenzend aan de beek blijft in eigendom en beheer bij het

waterschap;

3. Er zullen geen fysieke verbindingen in de vorm van bruggen of andere oversteek vormen

toegestaan worden;

4. Op de watergang en de natte zone kan geen zakelijk recht gevestigd worden;"

3.1.15.

Op 7 juni 2023 heeft het Waterschap het ontwerp-projectplan gepubliceerd.

3.1.16.

[geïntimeerde] heeft het Waterschap op 19 juli 2023 een aangepast Inrichtingsvoorstel

versie 2.0 toegezonden.

3.1.17.

Het Waterschap heeft dit Inrichtingsvoorstel versie 2.0 beschouwd als een zienswijze op het ontwerp-projectplan en zowel intern als extern laten beoordelen. Zowel de interne als de externe beoordeling leiden tot de conclusie dat het Inrichtingsvoorstel versie 2.0 van [geïntimeerde] niet voldoet aan het projectplan en de eisen voor beheer en onderhoud van percelen binnen de EVZ.

3.1.18.

Bij "nota van zienswijzen projectplan Waterwet [projectplan A] " van 1 september 2023 heeft het Waterschap – onder meer – de door [geïntimeerde] ingediende zienswijze (het Inrichtingsvoorstel versie 2.0.) afgewezen.

3.1.19.

Op [datum C] (Waterschapsblad [publicatienummer C] ) heeft het Waterschap een kennisgeving gepubliceerd dat het dagelijks bestuur van Waterschap [XX]

in zijn vergadering van 3 oktober 2023 het definitieve projectplan [projectplan A] (hierna: het projectplan) heeft aangenomen. Tegen het projectplan is geen beroep ingesteld.

3.1.20.

Op [datum D] (Waterschapsblad [publicatienummer D] ) heeft het Waterschap een aankondiging gepubliceerd van een voornemen tot het verkopen van diverse percelen (hierna: [Transactie A] ). In de aankondiging is – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

"(...) Zowel het waterschap als aspirant-koper hebben diverse percelen in eigendom, in en grenzend aan het projectgebied. (...) Aspirant-koper zal deze gronden tezamen met de reeds bij hem in eigendom zijnde natuurgronden, als één geheel gaan beheren passend bij de doelstellingen van de EVZ. (...)

Het waterschap is van mening dat bij voornoemde transactie geen openbare selectieprocedure

vereist is, omdat in deze situatie bij voorbaat vaststaat althans redelijkerwijs mag worden aangenomen, dat op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria uitsluitend aspirant-koper in aanmerking kan komen voor aankoop van bovengenoemde percelen. De motivatie is als volgt:

1. Alleen aspirant-koper is in staat om de benodigde gronden voor de waterloop en de natuurvriendelijke oevers ter realisatie van het project ' [projectplan A] ' aan

waterschap te leveren. In ruil daarvoor worden bovengenoemde percelen van het waterschap

aan aspirant-koper geleverd;

2. Aspirant-koper is bekend met de doelstellingen van het project ' [projectplan A] '.

Bedoelde percelen worden aan aspirant-koper geleverd onder de voorwaarde dat deze beheerd

en onderhouden moeten worden conform de eisen die het waterschap daaraan stelt conform het

projectplan waterwet. Dit zal gebeuren tezamen met de aangrenzende eigendommen van

aspirant-koper welke onderdeel uitmaken van ' [projectplan A] '."

3.1.21.

De voorgenomen verkoop zoals aangekondigd op [datum D] betreft de op 31 maart 2023 tussen het Waterschap en BL gesloten koop-/ruilovereenkomst. Uit de door het Waterschap als productie 17 overgelegde "ruilovereenkomst (met toegift)" volgt dat BL een viertal percelen in ruil afstaat aan het Waterschap en het Waterschap op zijn beurt een zeventiental percelen in ruil afstaat aan BL, waarbij BL een toegift dient te betalen van € 30.870,--.

3.1.22.

Bij brief van 24 oktober 2023 heeft de advocaat van [geïntimeerde] bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen verkoop/ruil van percelen als bedoeld in de aankondiging van [datum D] . [geïntimeerde] heeft het Waterschap daarbij verzocht om serieus te heroverwegen de gronden middels een selectieprocedure aan te bieden, zodat ook [geïntimeerde] kan meedingen naar de gronden. Daarbij heeft [geïntimeerde] – onder meer – aangegeven dat hij zich heeft neergelegd bij het definitieve projectplan en dat hij bereid en in staat is conform het projectplan het beheer en onderhoud te plegen van de betreffende percelen.

3.1.23.

Het Waterschap heeft aan het verzoek van [geïntimeerde] om de betreffende percelen middels een selectieprocedure aan te bieden geen gehoor gegeven.

De procedure bij de voorzieningenrechter

3.2.

In deze procedure vordert [geïntimeerde] – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

1. het Waterschap te verbieden verdere uitvoering te geven aan verkoop/ruiling van

[Transactie A] conform de Aankondiging van [datum D] ,

2. het Waterschap te gebieden om, voor zover hij nog tot verkoop over wenst te gaan, een (openbare) selectieprocedure te organiseren zoals bedoeld in het Didam-arrest van de Hoge Raad,

3. het Waterschap te veroordelen tot betaling van € 5.000,-- per dag of gedeelte daarvan dat hij met nakoming van het in dezen te wijzen vonnis in gebreke blijft,

subsidiair:

elke andere voorziening te treffen die de voorzieningenrechter passend acht,

zowel primair als subsidiair:

het Waterschap te veroordelen in de proceskosten met inbegrip van de nakosten.

3.2.1.

Aan zijn primaire vordering heeft [geïntimeerde] – met een beroep op het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778 (hierna te noemen: het Didam-arrest) – het volgende ten grondslag gelegd. Het Waterschap heeft jegens hem onrechtmatig gehandeld door BL als enige serieuze gegadigde aan te merken voor de koop van de percelen [perceel A] en [perceel B] en, in strijd met het gelijkheidsbeginsel, geen mededingingsruimte te bieden aan hem als potentiële gegadigde door de percelen niet via een openbare selectieprocedure te koop aan te bieden. Volgens [geïntimeerde] voldoet de gevolgde verkoopprocedure met betrekking tot [Transactie A] niet aan de uitgangspunten van het Didam-arrest, waarin bepaald is dat verkoop van een onroerende zaak door een overheidslichaam dient te verlopen via een openbare selectieprocedure met objectieve, toetsbare en redelijke selectiecriteria. Anders dan het Waterschap stelt, is in deze zaak de uitzondering op dit uitgangspunt dat er slechts één serieuze gegadigde is die in aanmerking komt voor de aankoop van de betreffende percelen niet van toepassing. [geïntimeerde] wil meedingen naar de koop van de percelen [perceel A] en [perceel B] . Hij is bereid en in staat aan de voorwaarden die gelden voor een EVZ te voldoen. De percelen van [geïntimeerde] zijn aangrenzend aan de percelen [perceel A] en [perceel B] en [geïntimeerde] beschikt over de juiste kwalificaties (Bosgroepen gecertificeerd) om het beheer en onderhoud conform de voorwaarden voor een EVZ uit te voeren. Het Waterschap heeft niet aangetoond dat BL op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria de enige serieuze gegadigde is voor de verwerving van de betreffende percelen. Door de gronden al bij koopovereenkomst van 31 maart 2023 aan BL te ruilen/verkopen, zonder [geïntimeerde] in staat te stellen om deel te nemen aan een selectieprocedure ten aanzien van deze gronden, handelt het Waterschap in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Nu het Waterschap geen gehoor heeft gegeven aan het verzoek van [geïntimeerde] om de percelen middels een selectieprocedure aan te bieden, heeft [geïntimeerde] een spoedeisend belang bij de ingestelde vorderingen.

3.2.2.

Het Waterschap heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.3.

In het bestreden vonnis van 12 januari 2024 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat de door de Hoge Raad in het Didam-arrest geformuleerde uitzondering van toepassing is. Op grond daarvan heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen. De voorzieningenrechter heeft het Waterschap verboden om verdere uitvoering te geven aan de verkoop/ruiling van [Transactie A] conform de aankondiging van [datum D] en het Waterschap veroordeeld om, voor zover hij nog tot verkoop/ruiling van de percelen [perceel A] en [perceel B] wenst over te gaan, daartoe een (openbare) selectieprocedure zoals bedoeld in het Didam-arrest te organiseren, onder verbeurte van een dwangsom. De voorzieningenrechter heeft het Waterschap ten slotte veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerde] , het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen.

3.4.

Het Waterschap heeft de voorzieningenrechter verzocht om verbetering van het bestreden vonnis, in die zin dat het verbod om verdere uitvoering te geven aan [Transactie B] komt te vervallen, zodat het Waterschap enkel de percelen [perceel A] en [perceel B] via een openbare selectieprocedure dient aan te bieden en [Transactie A] voor het overige doorgang kan laten vinden. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis 5 februari 2024 geoordeeld dat er geen sprake is van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent en heeft het verzoek van het Waterschap afgewezen. Het is de eigen keuze van het Waterschap geweest om de voorgenomen verkoop van de percelen [perceel A] en [perceel B] op te nemen in één, meerdere grondpercelen omvattende, transactie. Het verbod om uitvoering te geven aan de transactie geldt daarom voor de gehele [Transactie A] .

De procedure in hoger beroep

Procesbevoegdheid

3.5.

[geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat het procesbesluit van het Waterschap niet binnen de daarvoor op grond van artikel 86 lid 4 van de Waterschapswet geldende termijn is bekrachtigd door het algemeen bestuur van het Waterschap, zodat er geen bevoegdheid bestaat om te procederen in hoger beroep en het hoger beroep als ingetrokken moet worden beschouwd. Het Waterschap voert aan dat de procesbevoegdheid door het algemeen bestuur is gedelegeerd aan het dagelijks bestuur, zodat bekrachtiging op grond van artikel 86 lid 4 van de Waterschapswet niet meer vereist is en dat dit artikel slechts van toepassing is op bestuursrechtelijke procedures. Het hof volgt het Waterschap daarin. In de memorie van toelichting bij artikel 86 lid 4 van de Waterschapswet staat: "Van het vereiste van de bekrachtiging achteraf door het algemeen bestuur, zullen in elk geval moeten zijn uitgezonderd de hierbedoelde rechtshandelingen die worden verricht door het dagelijks bestuur in procedures die door dat bestuur zijn ingesteld op grond van delegatie door het algemeen bestuur." Ingevolge artikel 2 onder k van het Besluit van het algemeen bestuur van het Waterschap [XX] houdende regels omtrent bestuurlijke bevoegdheden Bestuurlijke bevoegdhedenregeling 2010 is (onder meer) de bevoegdheid tot het voeren van rechtsgedingen door het algemeen bestuur gedelegeerd aan het dagelijks bestuur van het Waterschap. Daarbij komt dat artikel 86 lid 4 van de Waterschapswet niet van toepassing is op rechtsgedingen in burgerlijke zaken (HR 14 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5517).

Spoedeisend belang

3.6.

Nu het Waterschap onbetwist heeft gesteld dat hij zo snel mogelijk [Transactie A] dient uit te voeren om de oeverpercelen van BL te kunnen verwerven, zodat tijdig aan de Kaderrichtlijn Water kan worden voldaan en sancties vanuit de overheid en/of de Europese Unie worden voorkomen, acht het hof voldoende aannemelijk dat in deze zaak een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Daarmee heeft het Waterschap spoedeisend belang bij een beoordeling in hoger beroep.

De grieven en de omvang van het hoger beroep

3.3.

Het Waterschap heeft in hoger beroep tien grieven aangevoerd. Het waterschap heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de eerste aanleg en het hoger beroep.

Het Waterschap heeft subsidiair verzocht dat het hof, mocht het hof oordelen dat de percelen [perceel A] en [perceel B] via een openbare selectieprocedure te koop moeten worden aangeboden, zal bepalen dat [Transactie A] ten aanzien van de overige vijftien percelen doorgang kan vinden en het bestreden vonnis in die zin (gedeeltelijk) zal vernietigen.

3.7.

[geïntimeerde] heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van het Waterschap in de proceskosten van het hoger beroep.

3.8.

Het Waterschap beoogt met zijn grieven dat het hof alle toegewezen vorderingen van [geïntimeerde] opnieuw beoordeelt. Het hof zal de grieven hierna gezamenlijk bespreken.

De overwegingen

3.9.

[Transactie A] betreft een privaatrechtelijke transactie tussen het Waterschap en BL. In beginsel is het Waterschap als privaatrechtelijke partij vrij om te bepalen met wie hij een koopovereenkomst wil sluiten met betrekking tot een zaak die hem in eigendom toebehoort. Ingevolge artikel 3:14 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geldt daarbij dat de transactie niet mag worden uitgeoefend in strijd met de geschreven of ongeschreven regels van publiekrecht. Hiertoe behoren ook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het gelijkheidsbeginsel.

3.10.

De Hoge Raad heeft op 26 november 2021 in het zogenoemde Didam-arrest (ECLI:NL:HR:2021:1778) eisen geformuleerd bij de toepassing van het gelijkheidsbeginsel bij de verkoop van een aan een overheidslichaam toebehorende onroerende zaak. De Hoge Raad overweegt als volgt:

-

Als hoofdregel geldt dat een overheidslichaam op grond van het gelijkheidsbeginsel (in de context van het bieden van gelijke kansen) mededingingsruimte moet bieden als het overheidslichaam van plan is om een aan hem in eigendom toebehorende onroerende zaak te verkopen en er meerdere (potentiële) gegadigden zijn voor de aankoop van die onroerende zaak of redelijkerwijs te verwachten is dat er meerdere gegadigden zullen zijn. Deze mededingingsruimte moet worden geboden door een transparante selectieprocedure te organiseren. In dat geval dient het overheidslichaam met inachtneming van de hem toekomende beleidsruimte criteria op te stellen aan de hand waarvan de koper wordt geselecteerd. Deze criteria moeten objectief, toetsbaar en redelijk zijn. (rov. 3.1.4)

-

Om gelijke kansen te realiseren dient het overheidslichaam te zorgen voor een passende mate van openbaarheid met betrekking tot de beschikbaarheid van de onroerende zaak, de selectieprocedure, het tijdschema en de toe te passen selectiecriteria. Het overheidslichaam moet hierover tijdig voorafgaand aan de selectieprocedure duidelijkheid scheppen door informatie over deze aspecten bekend te maken op zodanige wijze dat (potentiële) gegadigden daarvan kennis kunnen nemen. (rov. 3.1.5)

-

In afwijking van de hoofdregel hoeft deze mededingingsruimte door middel van een selectieprocedure niet te worden geboden als bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de aankoop.Het overheidslichaam moet in dat geval zijn voornemen tot verkoop tijdig voorafgaand aan de verkoop op zodanige wijze bekend maken dat eenieder daarvan kennis kan nemen. Het overheidslichaam moet daarbij motiveren waarom naar zijn oordeel op grond van de hiervoor bedoelde criteria bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat er slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt. (rov. 3.1.6)

3.11.

De Hoge Raad heeft op 15 november 2024 het zogenoemde Didam II-arrest (ECLI:NL:HR:2024:1661) gewezen. Hierin overweegt de Hoge Raad onder meer:

-

Een koopovereenkomst die in strijd met de Didam-regels is gesloten, is niet op die grond nietig of vernietigbaar. Een overheidslichaam dat in strijd met de Didam-regels overgaat tot verkoop van een onroerende zaak, handelt in beginsel onrechtmatig jegens een (potentiële) gegadigde die bij die verkoop ten onrechte geen gelijke kans heeft gekregen en kan op die grond schadeplichtig zijn jegens die gegadigde. Onder omstandigheden kan aanleiding bestaan om het overheidslichaam te verbieden om tot verkoop of levering over te gaan. (rov. 3.1.6)

-

In het geval dat bij voorbaat vaststaat, of redelijkerwijs mag worden aangenomen, dat op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de aankoop, zal het overheidslichaam zijn voornemen tot verkoop tijdig bekend moeten maken. Daarbij moet het overheidslichaam motiveren waarom naar zijn oordeel slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt. Deze regel strekt ertoe een gegadigde die meent volgens de gestelde criteria in aanmerking te komen voor aankoop, of die meent dat de criteria niet aan de daaraan te stellen eisen voldoen, alsnog de mogelijkheid te bieden op een gelijke kans bij aankoop van de onroerende zaak. Ook in het geval dat een overheidslichaam een plan heeft ontwikkeld waarin zakelijke (objectieve) voorwaarden zijn gesteld waaraan volgens hem slechts één partij zal kunnen voldoen, zal het overheidslichaam zich tijdig voorafgaand aan de verkoop aan deze regel moeten houden. (rov. 3.1.6)

3.12.

Het Waterschap heeft op [datum A] een aankondiging gepubliceerd van het voornemen tot het verkopen van diverse percelen, waaronder de percelen [perceel A] en [perceel B] . Op [datum B] is een aangepaste aankondiging gepubliceerd van het voornemen tot het verkopen van diverse percelen, waarbij de aankondiging van [datum A] is komen te vervallen. Vervolgens heeft het Waterschap de aangepaste aankondiging van [datum B] ingetrokken en de voorgenomen verkoop opgeschort. Op [datum D] heeft het Waterschap een nieuwe aankondiging gepubliceerd van het voornemen tot het verkopen van diverse percelen, waaronder de percelen [perceel A] en [perceel B] ( [Transactie A] ). In deze zaak ligt enkel de (laatste) aankondiging van [datum D] ter beoordeling voor.

3.13.

In deze zaak gaat het om de vraag of het Waterschap, gelet op de Didam-arresten, ten aanzien van de (voorgenomen) [Transactie A] kon volstaan met de aankondiging van [datum D] (hierna: de aankondiging) of dat hij aan [geïntimeerde] als potentiële gegadigde de gelegenheid had moeten bieden om middels een openbare selectieprocedure mee te dingen naar de verwerving van de percelen [perceel A] en [perceel B] . Daartoe moet eerst worden beoordeeld of de door het Waterschap gehanteerde selectiecriteria voldoen aan de daaraan te stellen eisen volgens de Didam-arresten. Indien dat (geheel dan wel gedeeltelijk) het geval is, moet worden beoordeeld of toetsing aan deze criteria tot de conclusie kan leiden dat op voorhand vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat alleen BL als serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de verwerving van de percelen [perceel A] en [perceel B] .

3.14.

Het Waterschap stelt dat in de aankondiging drie criteria worden genoemd, waaraan de (aspirant-)koper moet voldoen om de in [Transactie A] genoemde gronden (waaronder [perceel A] en [perceel B] ) van het Waterschap in eigendom te verkrijgen:

  1. de aspirant-koper is in staat om de door het Waterschap voor de waterloop en natuurvriendelijke oevers benodigde gronden te leveren (genoemd in de aankondiging onder 1.);

  2. de percelen genoemd in [Transactie A] worden aan de aspirant-koper geleverd onder de voorwaarde dat deze percelen, tezamen met de aangrenzende eigendommen van aspirant-koper die deel uitmalen van de EVZ, worden beheerd en onderhouden conform de eisen van het Waterschap zoals geformuleerd in het projectplan (genoemd in de aankondiging onder 2.);

  3. de aspirant-koper zal de aan hem over te dragen gronden als één geheel gaan beheren passend bij de doelstellingen van de EVZ (genoemd in de toelichting/inleiding van de aankondiging).

Criterium 1: leveren oeverpercelen

3.15.

Om zijn wettelijke taken uit te oefenen en de " [projectplan A] " te kunnen realiseren, dient het Waterschap de oeverpercelen langs [beek A] in eigendom te verwerven. Hiertoe behoren ook de oeverpercelen met kadastrale aanduiding [gemeente A] [perceel C] , [perceel D] , [perceel E] en [perceel F] , die thans in eigendom zijn van BL (hierna: de oeverpercelen). Met [Transactie A] beoogt het Waterschap de oeverpercelen van BL te verwerven. Het Waterschap stelt daarom als selectiecriterium voor [Transactie A] dat de aspirant-koper in staat is de oeverpercelen te leveren.

3.16.

Het hof overweegt dat het Waterschap de oeverpercelen nodig heeft om de EVZ te kunnen realiseren. Zonder medewerking van BL kan het Waterschap dan ook zijn wettelijke taak niet uitoefenen. De aan het Waterschap toekomende beleidsvrijheid laat het in beginsel toe dat het Waterschap grondposities – van hemzelf en/of van een derde – inzet om zijn publieke taken en doelstellingen te kunnen realiseren. In zoverre mag de grondpositie van BL een rol spelen in de selectiecriteria en kan het Waterschap verlangen dat de aspirant-koper in staat is de door het Waterschap ter uitoefening van zijn taken benodigde oeverpercelen in eigendom aan het Waterschap te leveren. In dit geval is de door BL voor levering van de oeverpercelen verlangde tegenprestatie volgens de stellingen van het Waterschap overdracht van de in [Transactie A] vermelde percelen, waaronder [perceel A] en [perceel B] .

3.17.

Hoewel het onder 1. genoemde selectiecriterium daarmee weliswaar voldoende objectief en toetsbaar is, is het hof van oordeel dat er in dit geval geen sprake is van een redelijk selectiecriterium. Al sinds ten minste september 2022 is het Waterschap met [geïntimeerde] in gesprek over een mogelijke aankoop van de percelen [perceel A] en [perceel B] . Vervolgens heeft het Waterschap op 31 maart 2023 met BL de koop-/ruilovereenkomst gesloten, waarvan de percelen [perceel A] en [perceel B] deel uitmaken. Desondanks is het Waterschap hierna met [geïntimeerde] in gesprek gebleven over de mogelijkheid van aankoop van de percelen [perceel A] en [perceel B] . Het Waterschap heeft in de memorie van grieven en tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep toegelicht dat de insteek was dat indien [geïntimeerde] aan de door het Waterschap gestelde voorwaarden voldeed, hij in aanmerking kwam voor de aankoop van de percelen [perceel A] en [perceel B] en de percelen dan "uit de transactie met BL zouden worden gelicht". BL ging hiermee akkoord. Hieruit volgt dat verkoop van de percelen [perceel A] en [perceel B] aan BL voor het Waterschap niet noodzakelijk was om tot de aankoop van de - niet zijn eigendom zijnde - oeverpercelen te kunnen komen: de levering van de oeverpercelen van BL aan het Waterschap zou kennelijk ook doorgang kunnen vinden zonder overdracht van de percelen [perceel A] en [perceel B] aan BL. In dat licht is het hof van oordeel dat het Waterschap, met het criterium dat een aspirant-koper, om in aanmerking te komen voor verwerving van de percelen [perceel A] en [perceel B] , in staat moet zijn om de oeverpercelen te kunnen leveren, geen redelijk selectiecriterium heeft gehanteerd.

Criterium 2: beheer en onderhoud conform het Projectplan

3.18.

Het Waterschap heeft daarnaast als criterium geformuleerd dat de over te dragen gronden worden geleverd onder de voorwaarde dat de percelen beheerd en onderhouden moeten worden conform de eisen van het (destijds nog definitief vast te stellen) Projectplan. Het betreft een door het Waterschap aan de transactie gestelde (beleids)voorwaarde, waaraan slechts achteraf, na de selectie en voltooiing van de transactie, kan worden voldaan. In deze vorm is geen sprake van een vooraf, op het moment van de selectie te hanteren voorwaarde op het punt van beheer en onderhoud, waarvan op voorhand toetsbaar vast staat of de potentiële gegadigde daaraan wel of niet voldoet.

3.19.

Het hof overweegt dat bij de selectie slechts zou kunnen worden getoetst of de gegadigde in staat is om aan de voorwaarde te kunnen voldoen en bereid is zich aan de gestelde voorwaarde te committeren. Uit het dossier en het tussen partijen gevoerde debat blijkt dat partijen reeds lange tijd met elkaar in gesprek zijn over welke wijze van inrichting en beheer van de percelen [perceel A] en [perceel B] passend is bij de doelstellingen van de EVZ. Aanvankelijk heeft [geïntimeerde] verschillende plannen voor een alternatieve inrichting van de percelen gepresenteerd, met daarbij de door hem voorgestane, bij die alternatieve inrichting passende wijze van beheer. Vanaf in ieder geval september 2022 heeft [geïntimeerde] de wens geuit de percelen [perceel A] en [perceel B] in eigendom te verwerven en hebben partijen ook in dat kader gesproken over de wijze van beheer van de percelen. [geïntimeerde] heeft onbetwist gesteld dat hij is aangesloten bij ' [bedrijf A] ' en gecertificeerd natuurbeheerder is, zodat hij gekwalificeerd is om de percelen op de juiste wijze te beheren. Het Waterschap heeft in juni 2023 in het "ontwerp-Projectplan Waterwet [projectplan A] " en in oktober 2023 in het definitieve Projectplan vastgelegd op welke wijze de EVZ zal worden ingericht en aan welke eisen het daarbij behorende beheer dient te voldoen. Nu partijen dit kennelijk steeds als zodanig hebben opgevat, zal het hof het criterium onder 2. ook begrijpen als "aspirant-koper is in staat en bereid de percelen te beheren en onderhouden conform de eisen van het Projectplan". Het hof is van oordeel dat het criterium op deze wijze kwalificeert als objectief, toetsbaar en redelijk selectiecriterium.

Criterium 3: gronden als één geheel beheren

3.20.

Het Waterschap betoogt dat hij, naast de hiervoor besproken criteria, nog een derde selectiecriterium heeft geformuleerd: het criterium dat aspirant-koper de percelen tezamen met de reeds bij hem in eigendom zijnde natuurgronden als één geheel zal gaan beheren. Dit criterium is volgens het Waterschap terug te vinden in toelichting/inleiding van de aankondiging, in de eerste alinea. Hoewel het Waterschap enkel naar de toelichting verwijst, merkt het hof op dat eenzelfde tekst ook vermeld is onder criterium 2: "tezamen met de aangrenzende eigendommen van aspirant-koper die deel uitmalen van de EVZ".

3.21.

Het Waterschap heeft in de aankondiging gemotiveerd waarom, toetsend aan de door hem geformuleerde selectiecriteria, slechts BL in aanmerking komt voor aankoop van de percelen genoemd in [Transactie A] . Onder "De motivatie is als volgt:" worden slechts de twee hiervoor besproken criteria genoemd. Het hof is van oordeel dat het Waterschap op deze wijze aan potentiële gegadigden niet voldoende duidelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij, naast de twee genummerde en onder de motivatie benoemde criteria, nog een derde, ongenummerd en op een geheel andere plaats in tekst vermeld criterium heeft geformuleerd. Daarmee voldoet het derde criterium reeds niet aan de Didam-arresten. Ook indien in dit verband zou worden gewezen op de tekst onder 2. in de aankondiging, is onvoldoende kenbaar dat het hier om een zelfstandig derde criterium gaat.

3.21.1.

Daarbij geldt hetzelfde als hiervoor onder 3.18. ten aanzien van het criterium onder 2. is overwogen: er is sprake van een achteraf te vervullen (beleids)voorwaarde en niet een selectiecriterium, waarvan op voorhand kan worden getoetst of de potentiële gegadigde daaraan wel of niet voldoet.

3.21.2.

Ten slotte is het derde criterium niet eenduidig geformuleerd en daarmee onvoldoende transparant. Uit de aankondiging blijkt niet of bedoeld is (1) dat alleen een aspirant-koper in aanmerking komt die reeds natuurgronden in bezit heeft (waaraan BL voldoet en [geïntimeerde] niet), of (2) dat dit gelezen moet worden als (beleids)voorwaarde. In het eerste geval valt dit niet te rijmen met het feit dat het Waterschap steeds met [geïntimeerde] in gesprek is gebleven over aankoop van de percelen [perceel A] en [perceel B] , terwijl duidelijk was dat hij niet aan dit criterium voldeed. Het hof verwijst in dit verband ook naar hetgeen hij in 3.17. heeft overwogen. Het Waterschap heeft ook niet gemotiveerd waarom enkel een gegadigde die reeds natuurgronden bezit, voor de transactie in aanmerking zou kunnen komen, waarmee niet aannemelijk is dat sprake is van een redelijk selectiecriterium. Nu BL wel aan dit criterium voldoet, heeft het er alle schijn van dat dit criterium achteraf is toegeschreven naar BL als (enige serieuze) gegadigde.

In het tweede geval is er geen sprake van een vooraf te hanteren selectiecriterium, maar een achteraf te vervullen (beleids)voorwaarde.

Conclusie selectiecriteria

3.22.

Gelet op het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat het Waterschap in de aankondiging van [datum D] slechts één objectief, toetsbaar en redelijk selectiecriterium heeft geformuleerd, te weten het criterium dat de aspirant-koper bereid en in staat is de te verwerven gronden te onderhouden en beheren conform de eisen van het Waterschap zoals geformuleerd in het Projectplan (criterium 2.).

Slechts één serieuze gegadigde?

3.23.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of het Waterschap, op grond van het hiervoor bedoelde selectiecriterium onder 2., tot de conclusie kon komen dat vast staat of redelijkerwijs te verwachten is dat enkel BL aan dit selectiecriterium voldoet. Het hof komt tot het oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.

3.24.

Het Waterschap stelt het volgende. Sinds 2019 heeft [geïntimeerde] verschillende plannen voorgelegd aan het Waterschap voor inrichting en beheer van de percelen [perceel A] en [perceel B] . Hij wilde de percelen inrichten als akker voor het telen van Sorghumgraan, als weide om Hereford-runderen te laten grazen en als kruiden- en faunarijke akker en de percelen beheren en onderhouden. Ook wilde [geïntimeerde] de percelen in eigendom verwerven, om een landgoed te kunnen realiseren. Het Waterschap heeft hierover met [geïntimeerde] vele contacten gehad en gesprekken gevoerd en alle plannen van [geïntimeerde] serieus beoordeeld, maar kwam steeds tot de conclusie dat de door [geïntimeerde] gewenste inrichting en beheer van de percelen [perceel A] en [perceel B] niet voldeed aan de vereisten voor de EVZ. Aangezien [geïntimeerde] niet aan de eisen voor inrichting en beheer voldeed, heeft het Waterschap de koop-/ruilovereenkomst gesloten met BL en de aankondiging tot het voornemen van verkoop/ruil met BL gepubliceerd. [geïntimeerde] heeft hiertegen bezwaar gemaakt en wilde nog een kans krijgen een inrichtingsvoorstel te doen dat aan de eisen van het Waterschap voldeed. Het Waterschap heeft de aankondiging ingetrokken en de voorgenomen verkoop/ruil opgeschort en heeft [geïntimeerde] uitgenodigd voor een gesprek om hem nogmaals de kans te geven aan te tonen dat hij aan de criteria van het Waterschap kon voldoen. Voorafgaand aan dit gesprek heeft het Waterschap aan [geïntimeerde] duidelijk gemaakt dat niet meer gesproken zal worden over de wensen van [geïntimeerde] voor een alternatieve inrichting van de percelen [perceel A] en [perceel B] , maar dat het Waterschap met hem wil verkennen of hij de EVZ, nadat deze door het Waterschap is ingericht, als particulier natuurbeheerder kan en wil beheren op de wijze zoals door het Waterschap voorgeschreven in de op 20 april 2023 vastgestelde Beheer- en Onderhoudsrichtlijn (onderdeel van het later vastgestelde Projectplan). De eigendomsoverdracht van de percelen [perceel A] en [perceel B] was daarbij ook bespreekbaar. Het gesprek heeft plaatsgevonden op 9 mei 2023 en daarin is afgesproken dat [geïntimeerde] een aangepast inrichtingsvoorstel kon doen, wat zou worden getoetst aan het ontwerp-Projectplan. Als zijn voorstel daaraan voldeed, konden de percelen [perceel A] en [perceel B] aan [geïntimeerde] worden verkocht, zo niet, dan zou de verkoop aan BL doorgang vinden. Het Waterschap heeft het aangepaste voorstel van [geïntimeerde] intern beoordeeld en ook laten toetsen door een extern bureau, hieruit bleek dat het voorstel niet aan de door het Waterschap gestelde eisen voldeed. Hierna mocht het Waterschap redelijkerwijze aannemen dat [geïntimeerde] was afgehaakt en BL de enige serieuze gegadigde was voor de aankoop van de percelen [perceel A] en [perceel B] . Het Waterschap is vervolgens overgegaan tot de aankondiging van [Transactie A] .

3.24.1.

Het Waterschap stelt zich op het standpunt dat aan [geïntimeerde] voldoende kans is geboden aan te tonen dat hij bereid is te voldoen aan de door het Waterschap aan verkoop gestelde eis van beheer volgens het Projectplan. Nu [geïntimeerde] dit keer op keer niet aannemelijk heeft kunnen of willen maken, kan van het Waterschap niet worden verlangd dat hij [geïntimeerde] steeds opnieuw een kans blijft bieden. Het Waterschap mocht er in oktober 2023 van uitgaan dat [geïntimeerde] niet bereid was om de percelen te beheren volgens de in het Projectplan gestelde eisen, zodat het Waterschap redelijkerwijs mocht aannemen dat BL de enige gegadigde was die aan het selectiecriterium zou voldoen.

3.25.

Het hof stelt het volgende vast. Het Waterschap richt de natuurgronden – waaronder de percelen [perceel A] en [perceel B] – in, op de wijze die past bij de doelstellingen en vereisten van de EVZ. [geïntimeerde] wilde de mogelijkheid krijgen op de percelen [perceel A] en [perceel B] Sorghumgraan te telen, Hereford-runderen te laten grazen en een kruiden- en faunarijke akker in te zaaien. Hij wilde daarnaast de percelen beheren en onderhouden, aanvankelijk als natuurbeheerder voor het Waterschap en later als eigenaar van de percelen [perceel A] en [perceel B] . [geïntimeerde] heeft daartoe in 2019 "Inrichtingsplan [naam A] " en in 2022 "Inrichtingsvoorstel aan [beek A] " aan het Waterschap voorgelegd. Aan deze (definitieve) voorstellen zijn verschillende conceptversies en gewijzigde versies voorafgegaan en ook het Waterschap heeft suggesties gedaan voor aanpassing van de plannen. Jarenlang hebben er vele gesprekken plaatsgevonden tussen [geïntimeerde] en het Waterschap. Het Waterschap heeft alle voorstellen afgewezen, omdat de plannen van [geïntimeerde] niet te combineren waren met de realisering, bescherming en het behoud van de natuurwaarden van de EVZ. Uiteindelijk heeft het Waterschap een ontwerp gemaakt voor de inrichting en het beheer van de EVZ, waaronder de percelen [perceel A] en [perceel B] (het latere Projectplan).

3.25.1.

Op 21 april 2023 stuurde de [manager A] van het Waterschap het volgende bericht aan een medewerker van [vereniging A] :

"(...) Je kunt dit bericht doorzetten naar dhr. [geïntimeerde] .

Ik ga graag in gesprek met dhr. [geïntimeerde] (...)

Inzake het te voeren gesprek met dhr. [geïntimeerde] wil ik helder zijn. De inrichtingsdoelen van de EVZ zijn vastgelegd en niet ‘onderhandelbaar’. Afgelopen jaar/jaren is gesproken over de wensen vanuit het gebied en bereidheid om deze mee te nemen in het planontwerp, dat door het waterschap wordt gemaakt in samenspraak met de gemeente. Enkele voorstellen zijn ingepast, omdat deze bijdragen aan versterking van de doelrealisatie. De voorstellen van dhr. [geïntimeerde] passen niet in hetgeen passend is bij de doelstelling. Dit is per brief kenbaar gemaakt enkele maanden geleden. (...) Het ontwerp van de EVZ is inmiddels gereed en wordt voor de zomer dit jaar in procedure gebracht. Ik sta open voor een gesprek met dhr. [geïntimeerde] als gegadigde beheerder van de EVZ. (...) Het GOB heeft het inrichtingsplan beoordeeld en akkoord gegeven. Inzake het te voeren gesprek is geen ruimte voor een afwijkende inbreng en kijk op de inrichting en het beheer van de EVZ. Die gesprekken zijn gevoerd. Voornemen is het eigendom van de grond (voorafgaand of na aan inrichting) over te dragen aan de toekomstig beheerder. (...) Als dhr. [geïntimeerde] interesse heeft in het beheer dan gaan we in gesprek. Ik steun van harte particuliere inbreng in het beheer van Brabantse natuur."

3.25.2.

Op 24 april 2023 heeft de [manager A] per e-mail aan [geïntimeerde] bericht:

"(...) Ik ga ervan uit dat mijn mail gericht aan [de medewerker van [vereniging A] ] van afgelopen vrijdag integraal is doorgestuurd. Hierin heb ik de verwachtingen helder gemaakt inzake het doel van de bespreking. Het gaat dus om te verkennen of u als particulier natuurbeheerder de EVZ kunt/wil gaan beheren zoals door het waterschap uitgewerkt. Het inrichtingsplan is toegelicht op de informatieavond. U was daarbij heb ik begrepen van de projectleider. Uw voorstellen inzake de inrichting zijn beoordeeld en per brief is aangegeven welke we hebben meegenomen en wat niet haalbaar is. Ik zie ook om die reden af van een toelichting ter plaatse en een inhoudelijk gesprek over de inrichting van ons plan en uw wensen.

Het te voeren gesprek heeft als doel dat u kunt aangeven of en waarom u de natuurbeheerder van de door het waterschap in te richten EVZ kan/wil worden. De meer zakelijke kant. Een eigendomsoverdracht van het 'droge deel’ van de EVZ is bespreekbaar. Het 'natte deel blijft eigendom en in beheer van het waterschap. Het waterschap heeft Brabants Landschap als beheerder op het oog voor het 'droge' deel en daarmee ook de eigendomsoverdracht. Brabants Landschap geeft ruimte om met u in gesprek te gaan de mogelijkheid te verkennen als particulier beheerder. Ik sta daar ook voor open.

Het inrichtingsplan gemaakt door het waterschap gaat voor de zomer in de inspraak. Indien u wenst, kunt u formeel zienswijzen op het inrichtingsplan kenbaar maken. Alle stukken die hierbij horen zijn tegen die tijd opvraagbaar.

Ik verneem graag of u de doelstelling van het te voeren gesprek onderschrijft."

3.25.3.

Op 9 mei 2023 heeft het hiervoor bedoelde gesprek plaatsgevonden. Uit het achteraf door het Waterschap opgestelde gespreksverslag blijkt het volgende:

"(...)

[ [manager A] ] licht het doel van het gesprek toe, in aanvulling op zijn email van 24 april jl aan [ [geïntimeerde] ].

Het gesprek wordt aangegaan om te bezien of [ [geïntimeerde] ] met zijn inrichtingsvoorstel alsnog in aanmerking kan komen voor aankoop van de percelen [perceel A] en [perceel B] (ged.). Een eerder daartoe door [ [geïntimeerde] ] ingediend inrichtingsvoorstel voor de percelen [perceel A] en [perceel B] is door het waterschap gemotiveerd afgewezen. Het doel is om te kijken in hoeverre [ [geïntimeerde] ] deze EVZ percelen na aankoop kan en wil beheren conform het door het waterschap uitgewerkte ontwerp projectplan.

[ [geïntimeerde] ] geeft, ondersteund door [regiomanager [bedrijf A] ], een toelichting op zijn eerder ingediende inrichtingsvoorstel. Daarbij geeft hij aan het idee te hebben dat er door het waterschap nooit serieus naar het plan is gekeken en dat hij van mening is dat het plan een goed alternatief kan zijn voor de inrichting en beheer zoals het waterschap die voor ogen heeft.

[ [manager A] ] reageert hierop dat er wel degelijk serieus gekeken is naar het plan van [ [geïntimeerde] ] maar dat dit in de beleving van [ [geïntimeerde] ] mogelijk niet zo is. Er wordt aangegeven, zoals ook schriftelijk eerder al is aangegeven, dat het plan van [ [geïntimeerde] ] relevant afwijkt ten aanzien van de natuurdoelstelling van het ontwerp projectplan. [ [manager A] ] geeft aan bereid te zijn nogmaals een (gewijzigd) inrichtingsvoorstel van [ [geïntimeerde] ] in overweging te willen nemen waarmee [ [geïntimeerde] ] in de gelegenheid wordt gesteld om aan te tonen dat hij een kwalitatief goed alternatief biedt voor de inrichting en beheer zoals het waterschap die voor ogen heeft.

Hieraan zijn enkele randvoorwaarden gekoppeld:

- Het waterschap zal enkel de 15m droge EVZ-strook in eigendom aan [ [geïntimeerde] ] kunnen

overdragen, de 10m natte EVZ blijft te allen tijde in eigendom van het waterschap;

- De hoofddoelstelling is en blijft een goed functionerende EVZ. Het plan van [ [geïntimeerde] ] zal

daarop gericht moeten zijn en een vergelijkbaar of beter alternatief moeten zijn voor ons ontwerp projectplan. Extra landschapselementen en of voorstellen ter verbetering van de waterhuishouding buiten de projectbegrenzing zullen door het waterschap daarin mee worden genomen.

(...)

[ [manager A] ] geeft aan dat de ingezette procedure met betrekking tot het vaststellen van het ontwerp projectplan in de tussentijd gewoon door zal gaan. Hij adviseert [ [geïntimeerde] ] om zijn aangepaste inrichtingsvoorstel tijdens de inspraakprocedure als een zienswijze in te dienen.

Op basis van deze zienswijze wordt bepaald in hoeverre tot eventuele verkoop aan [ [geïntimeerde] ]

van de percelen [perceel A] en [perceel B] kan worden overgegaan. Daarnaast is [ [geïntimeerde] ] er op deze

manier van verzekerd dat zijn voorstel meegenomen wordt in de formele procedure rondom

de vaststelling van het definitieve projectplan.

Het gesprek wordt in goede sfeer afgerond en eenieder zal zich nu richten op de afgesproken acties."

3.25.4.

Hierna heeft [geïntimeerde] op 19 juli 2023 het "Inrichtingsvoorstel aan [beek A] versie 2.0" (hierna: het Inrichtingsvoorstel 2.0) ingediend. Het Waterschap heeft dit voorstel, na interne en externe toetsing, afgewezen en op [datum D] de aankondiging van de verkoop/ruil met BL gepubliceerd.

3.26.

Het hof overweegt als volgt. Het Waterschap is lange tijd met [geïntimeerde] in gesprek geweest over de voorstellen van [geïntimeerde] voor een alternatieve inrichting van de percelen [perceel A] en [perceel B] . In de door hem ingediende plannen doet [geïntimeerde] voorstellen voor een bepaalde door hem gewenste, alternatieve inrichting van de percelen [perceel A] en [perceel B] en de – bij die specifieke door hem gewenste inrichting behorende – wijze van beheer en onderhoud. Het Waterschap is [geïntimeerde] lange tijd tegemoet gekomen en heeft hem ruime kansen geboden om te komen met een voorstel voor een alternatieve inrichting van de percelen [perceel A] en [perceel B] die voldoet aan de eisen van de EVZ. Het Waterschap moet voldoen aan zijn wettelijke taken en is daarbij ook gebonden aan een tijdpad. Het Waterschap diende daarom op enig moment concrete stappen te zetten om te komen tot inrichting, beheer en onderhoud van de natuurgronden ter realisatie van de EVZ. In die zin is begrijpelijk en alleszins te rechtvaardigen dat het Waterschap begin 2023 een einde maakte aan de pogingen van [geïntimeerde] om tot een alternatieve inrichting van de percelen [perceel A] en [perceel B] te komen. Hoewel niet duidelijk is of het hiervoor onder 3.26.1. genoemde e-mailbericht ook daadwerkelijk aan [geïntimeerde] is (door)gezonden, blijkt in ieder geval (ook) uit het hiervoor onder 3.26.2. genoemde e-mailbericht dat het Waterschap duidelijk aan [geïntimeerde] kenbaar heeft gemaakt dat de percelen definitief zullen worden ingericht en beheerd op de door het Waterschap bepaalde wijze. De percelen [perceel A] en [perceel B] zullen worden verkocht aan degene die de percelen kan en wil beheren volgens de door het Waterschap te stellen eisen. Tijdens het gesprek op 9 mei 2023 zal – enkel – besproken worden of [geïntimeerde] daartoe bereid is, in welk geval de percelen aan hem worden verkocht.

3.27.

Hoewel partijen dus met een heldere doelstelling voor ogen het gesprek van 9 mei 2023 ingingen, liep het gesprek uiteindelijk heel anders. In aanvulling op – en tevens in afwijking van – de hiervoor genoemde e-mailberichten wordt bij aanvang van het gesprek namens het Waterschap meegedeeld dat bekeken zal worden of [geïntimeerde] met zijn inrichtingsvoorstel alsnog in aanmerking kan komen voor aankoop van de percelen [perceel A] en [perceel B] . [geïntimeerde] krijgt vervolgens van het Waterschap de gelegenheid zijn eerder ingediende inrichtingsvoorstel nogmaals toe te lichten en hij geeft daarbij aan dat volgens hem het Waterschap nooit serieus naar zijn alternatieven voor de door het Waterschap beoogde inrichting en beheer van de percelen heeft gekeken. Het Waterschap gaat hier inhoudelijk op in, door aan te geven dat er begrip is voor het gevoel van [geïntimeerde] dat hij niet serieus genomen is en dat het Waterschap bereid is nogmaals een gewijzigd inrichtingsvoorstel in overweging te nemen, waarmee [geïntimeerde] kan aantonen dat hij een kwalitatief goed alternatief biedt voor de inrichting en beheer zoals het Waterschap die voor ogen heeft. [geïntimeerde] dient dit gewijzigde inrichtingsvoorstel bij wijze van zienswijze in de procedure voor vaststelling van het Projectplan in te dienen en dan zal aan de hand daarvan worden bepaald of tot verkoop van de percelen [perceel A] en [perceel B] aan [geïntimeerde] kan worden overgegaan. Hierna wordt het gesprek afgerond.

3.28.

Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] er, op grond van het verloop en de inhoud van het gesprek van 9 mei 2023, gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de vooraf geformuleerde uitgangspunten en beperkingen vooralsnog van tafel waren en dat hij eerst nogmaals kon proberen de door hem gewenste alternatieve inrichting met daarbij behorend beheer gerealiseerd te krijgen. Op geen enkel moment tijdens het gesprek is door het Waterschap concreet gevraagd naar een antwoord op de van tevoren aangekondigde vraag of [geïntimeerde] bereid is om, mocht zijn gewijzigde inrichtingsvoorstel worden afgewezen, de percelen alsnog te beheren, maar dan volgens het door het Waterschap opgestelde beheerplan (Projectplan). De eisen voor beheer en onderhoud zoals opgenomen in het Projectplan zijn logischerwijs afgestemd op de door het Waterschap beoogde inrichting. Het ligt voor de hand dat een alternatieve inrichting ook een alternatieve wijze van beheer en onderhoud meebrengt. In zoverre kon het Waterschap ook niet in redelijkheid verwachten dat het door [geïntimeerde] na het gesprek in zijn Inrichtingsvoorstel 2.0 opgenomen wijze van beheer, behorend bij zijn voorgestelde alternatieve inrichting, zou overeenstemmen met de wijze van beheer zoals beschreven in het Projectplan, dat nou juist is afgestemd op de inrichting zoals voorgestaan door het Waterschap.

3.29.

Het Waterschap is jarenlang met [geïntimeerde] in gesprek geweest over een alternatieve inrichting – en dus ook een daarbij passende alternatieve wijze van beheer. Van het Waterschap kan niet verlangd worden dat hij [geïntimeerde] eindeloos de mogelijkheid blijft bieden met nieuwe voorstellen voor een alternatieve inrichting te komen. Pas in aanloop naar het gesprek van 9 mei 2023 heeft het Waterschap aan [geïntimeerde] duidelijk gemaakt dat de natuurgronden zullen worden ingericht en beheerd volgens het (latere) Projectplan en dat er geen ruimte meer geboden zal worden voor alternatieve voorstellen. Het Waterschap heeft [geïntimeerde] toegezegd te zullen verkennen of hij de EVZ als particulier natuurbeheerder kan en wil gaan beheren zoals door het waterschap uitgewerkt. Deze verkenning heeft echter nooit plaatsgevonden. Uit de brief van 24 oktober 2023 blijkt dat [geïntimeerde] zich na afwijzing van het Inrichtingsvoorstel 2.0 heeft neergelegd bij het definitieve projectplan en zich alsnog bereid verklaard heeft conform het Projectplan het beheer en onderhoud te plegen van de percelen [perceel A] en [perceel B] . Gelet op het voorgaande mocht het Waterschap zonder nadere verkenning niet redelijkerwijs aannemen dat [geïntimeerde] , na afwijzing van zijn gewijzigde inrichtingsvoorstel, niet bereid was om de percelen te beheren en onderhouden volgens de vereisten van het Projectplan.

3.30.

Dit alles brengt mee dat het Waterschap niet bij voorbaat redelijkerwijs mocht aannemen dat op grond van het door hem geformuleerde criterium 2 zoals dit door het hof ook wordt begrepen (zie 3.19.), enkel BL als serieuze gegadigde in aanmerking kwam voor de aankoop van de percelen [perceel A] en [perceel B] . Het Waterschap mag de percelen [perceel A] en [perceel B] daarom niet verkopen aan BL, zonder eerst een openbare selectieprocedure te organiseren. Nu het Waterschap een koop-/ruilovereenkomst heeft gesloten met BL, is het (primair) onder 1. en 2. gevorderde toewijsbaar.

Verbod voor gehele [Transactie A] ?

3.31.

Het Waterschap heeft in de aankondiging van [datum D] drie criteria geformuleerd. Aan de hand daarvan heeft hij gemotiveerd waarom volgens hem slechts BL in aanmerking komt voor de koop van alle in [Transactie A] genoemde percelen. Het hof heeft geoordeeld dat slechts één van deze criteria voldoet aan de daaraan te stellen eisen en dat de motivering voor verkoop van de percelen aan BL als enige serieuze gegadigde ten aanzien van de percelen [perceel A] en [perceel B] geen stand houdt. Het Waterschap heeft ervoor gekozen de percelen [perceel A] en [perceel B] samen met de overige vijftien percelen als één geheel in één transactie te koop aan te bieden. Het hof volgt de voorzieningenrechter dan ook in zijn oordeel dat het verbod daarom geldt voor de gehele [Transactie A] .

3.32.

Voor zover het Waterschap tot verkoop/ruiling van de percelen [perceel A] en [perceel B] wenst over te gaan, dient hij daartoe een openbare selectieprocedure te organiseren. Het hof overweegt dat het Waterschap in dat geval de (beleids)vrijheid heeft enkel (het na beoordeling door het hof overgebleven) criterium 2 te hanteren, dan wel meer of andere criteria te formuleren, mits door het Waterschap wordt voldaan aan alle door het hof in 3.10. besproken eisen van het Didam-arrest. Voor zover het Waterschap nog tot verkoop/ruiling van de vijftien overige in [Transactie A] opgenomen percelen wenst over te gaan, zal hij ofwel ook daaromtrent een openbare selectieprocedure moeten organiseren, ofwel een nieuwe aankondiging moeten publiceren waarin hij, met inachtneming van de oordelen in dit arrest, motiveert waarom alleen BL als serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de gewijzigde transactie.

De dwangsom

3.33.

Het opleggen van een dwangsom betreft een discretionaire bevoegdheid. Het door het Waterschap aangevoerde argument dat het onjuist is om een dwangsom op te leggen, aangezien hij als overheidsorgaan rechterlijke uitspraken naleeft, overtuigt niet. Nu het Waterschap naar eigen zeggen gevolg zal geven aan de beslissingen in dit arrest, zal het Waterschap immers ook geen nadeel ondervinden van een opgelegde dwangsom. Het hof laat de dwangsomveroordeling dan ook in stand.

Bewijsaanbod

3.34.

Het Waterschap heeft bewijs aangeboden van zijn stelling dat [geïntimeerde] voorafgaand aan het gesprek op de hoogte was van de door het Waterschap te stellen eisen aan verkoop van de percelen [perceel A] en [perceel B] en dat [geïntimeerde] daaraan niet voldeed. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.28. is overwogen, is deze stelling niet ter zake dienend en komt het hof aan bewijslevering niet toe. Voor het overige is het bewijsaanbod slechts in algemene termen gedaan, zonder dat is gespecificeerd op welke concrete feiten en omstandigheden die tot de beslissing van de zaak kunnen leiden het aangeboden bewijs ziet, zodat het hof daaraan voorbij gaat. Daarbij komt nog dat een kort geding zich niet leent voor nadere bewijslevering.

Slotsom

3.35.

De slotsom is dat het hoger beroep niet slaagt. Dit betekent dat de vorderingen van [geïntimeerde] terecht zijn toegewezen. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd.

Proceskosten

3.36.

Het hof zal het Waterschap als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Deze kosten zullen aan de zijde van [geïntimeerde] worden vastgesteld op:

-

griffierechten € 349,00

-

salaris advocaat € 2.428,00 (2 punt(en) x tarief II)

-

nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

totaal € 2.955,00

3.36.1.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4 De uitspraak