Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 17-09-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:2509, 23/774
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 17-09-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:2509, 23/774
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 17 september 2025
- Datum publicatie
- 16 oktober 2025
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2023:3009, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- 23/774
- Relevante informatie
- Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ, Art. 4 Uitv.reg. WOZ, Art. 8:68 Awb, Art. 2 BPB
Inhoudsindicatie
WOZ-waarde autowasplaats. Het hof is van oordeel dat de heffingsambtenaar de door hem verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt op basis van het eigen verkoopcijfer van de autowasplaats. Het hoger beroep van de heffingsambtenaar is gegrond.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank de vergoeding van immateriële schade ten onrechte heeft vastgesteld op € 50 per half jaar. Het hof stelt de vergoeding van immateriële schade vast op € 500. Het incidenteel hoger beroep is gegrond. Het hof kent een forfaitaire proceskostenvergoeding toe voor de beroepsfase. Op grond van bijzondere omstandigheden, namelijk het grote aantal soortgelijke zaken, dezelfde geschilpunten en argumenten in het overgrote deel van die zaken en gelijkluidende stukken in alle zaken die op de zitting van 25 juli 2025 zijn behandeld, kent het hof een vaste vergoeding toe voor de proceskosten in hoger beroep.
Uitspraak
Team belastingrecht
Enkelvoudige Belastingkamer
Nummer: 23/774
Uitspraak op het hoger beroep van
de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg,
hierna: de heffingsambtenaar,
en het incidentele hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 3 mei 2023, nummer BRE 21/4486, in het geding tussen belanghebbende, de heffingsambtenaar
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres] in [plaats] (hierna: de onroerende zaak) per de waardepeildatum 1 januari 2020 (hierna: de waardepeildatum) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen (OZB) voor het jaar 2021 bekendgemaakt.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft ook hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank (zaaknummer 23/910). Dit hoger beroep is op 9 april 20251 niet-ontvankelijk verklaard door het hof, omdat belanghebbende het griffierecht niet had betaald.
Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. De heffingsambtenaar heeft schriftelijk gereageerd op het incidentele hoger beroep.
Beide partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
De zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] en [taxateur] (hierna: de taxateur).
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst dan wel aan partijen wordt verzonden.
Op 29 juli 2025 is bij het hof een brief van de gemachtigde van belanghebbende binnengekomen, waarin hij verzoekt om een proces-verbaal van de zitting en om heropening van het onderzoek. Het hof heeft het verzoek op de hierna onder 4.1. vermelde gronden afgewezen.
2 Feiten
Belanghebbende is gebruiker van de onroerende zaak. Het betreft een autowasplaats/wasstraat (bouwjaar 2020) met een oppervlakte van 120 m2, een kantoor (42 m2) en een technische ruimte (5 m2). De oppervlakte van het totale perceel bedraagt 3.755 m2. De onroerende zaak is op 14 januari 2020 gereed gemeld.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak per de waardepeildatum vastgesteld op € 748.000.
De grond is op 7 januari 2019 gekocht voor € 544.500. Op 27 juni 2019 heeft de gemeente onder andere de gevraagde vergunning voor het bouwen van een bouwwerk verleend. De bouwkosten zijn in de definitieve aanslag leges bepaald op € 164.373 exclusief btw. Deze bouwkosten zijn vastgesteld op basis van de tabel ‘Bouwkosten legesberekening’.
De onroerende zaak is op 7 mei 2021 te koop aangeboden voor € 1.500.000. Op 21 december 2022 is de onroerende zaak verkocht voor € 1.350.000.
De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de waarde in goede justitie vastgesteld op € 745.000. Daarnaast heeft de rechtbank een vergoeding van immateriële schade van € 50 toegekend wegens de overschrijding van de redelijke termijn in de beroepsfase.
3 Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
I. Is de WOZ-waarde naar de waardepeildatum te hoog vastgesteld?
II. Is de vergoeding van immateriële schade te laag vastgesteld?
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en toekenning van een vergoeding van immateriële schade van € 500. De heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en bevestiging van de uitspraak op bezwaar.
Belanghebbende heeft ter zitting uitdrukkelijk en ondubbelzinnig
een aantal standpunten ingetrokken, te weten: dat het hof derden-belanghebbenden moet oproepen, dat diverse stukken, zoals koop- en huurovereenkomsten, niet zijn overgelegd, dat de objectafbakening niet juist is en dat de grondprijs niet juist is bepaald.