Hoge Raad, 06-05-1986, AB9411, 79.780
Hoge Raad, 06-05-1986, AB9411, 79.780
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 6 mei 1986
- Datum publicatie
- 29 februari 2024
- ECLI
- ECLI:NL:HR:1986:AB9411
- Formele relaties
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:1986:AB9411
- Zaaknummer
- 79.780
Inhoudsindicatie
1. Het hof heeft geen nieuwe oproeping van de op getuigenlijst voorkomende niet-verschenen getuige bevolen, terwijl niet blijkt dat van diens verhoor met toestemming van de P-G, verdachte en diens raadsvrouwe is afgezien; toch geen nietigheid.
2. Nu het hof kon oordelen dat verdachtes verklaring leugenachtig was, welk oordeel als van feitelijke aard niet in cassatie kan worden getoetst, kon het die verklaring redengevend achten.
Uitspraak
6 mei 1986Strafkamernr. 79.780GK
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 28 maart 1985 in de strafzaak tegen:[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1941, wonende te [woonplaats] .
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 18 mei 1984 - de verdachte ter zake van "diefstal" veroordeeld tot een geldboete van zevenhonderd gulden, subsidiair veertien dagen hechtenis.
2. Het cassatieberoep
Het beroep is ingesteld door de verdachte.
Namens deze heeft Mr. M.R. Mantz, advocaat te 's-Gravenhage, de navolgende middelen van cassatie voorgesteld:
MIDDEL 1
Verzuim van vormen, waarvan niet-naleving nietigheid medebrengt en/of schending van het recht, in het bijzonder de artt. 350, 352, 359 en 415 van het Wetboek van Strafvordering doordien het Hof heeft overwogen "dat het Hof de door verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring, ondermeer inhoudende, dat hij, verdachte, op zaterdag 5 november 1963 in de uiterwaarden in de gemeente Neerijnen te Opijnen bij een werk, uitgevoerd door het Bedrijf BV [bedrijf] , van een aldaar lopende man, die zegt dat hij bij het werk hoorde, een aantal (ongeveer 120) perkoen palen heeft gekocht, mede tot bewijs van het telastegelegde bezigt, aangezien deze bewering voor leugenachtig moet worden gehouden en kennelijk alleen dient ter bemanteling van de waarheid. Overwegende immers, dat uit de verklaring van getuige [getuige 2] ter 's Hofs terechtzitting blijkt dat er op zaterdagen geen werknemers van voornoemde B.V. op het onderhavige werk aanwezig waren. Zou er aldaar op zaterdag 5 november 1983 wel personeel van de B.V. geweest zijn, dan zou hij, [getuige 2] daarbij als uitvoerder aanwezig geweest zijn; dit is niet het geval geweest" zulks ten onrechte omdat het Hof hiermee ten onrechte redengevende kracht heeft toegekend aan voormelde verklaring van verdachte en voornoemde verklaring van getuige, zodat liet arrest onvoldoende is gemotiveerd.
TOELICHTING
Uit de bewijsmiddelen blijkt geenszins dat verdachte gesteld zou hebben dat de onbekende verkoper in werkelijkheid een werknemer van voornoemde B.V. was. Het was de onbekende die - naar later bleek - gelogen heeft tegen verdachte. Het Hof heeft dan ook ten onrechte met het woord "immers" een causaal verband willen leggen dat in werkelijkheid niet gelegd kan worden. Dit kan getoetst worden zonder onderzoek van feiten of waardering van de bewijsmiddelen.
Hof's overweging dat de door verdachte genoemde man alleen door verdachte is gezien moet juist als een aannemelijke verklaring beoordeeld worden nu voornoemde getuige heeft verklaard dat zaterdags geen werknemers op het terrein aanwezig zijn.
MIDDEL 2
Verzuim van vormen, waarvan niet-naleving nietigheid medebrengt en/of schending van het recht, doordien het Hof bewezen heeft geacht dat "verdachte op 5 november 1983 in de gemeente Neerijnen te Opijnen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een aantal - ongeveer 120 - perkoen palen en een (kabel)touw, toebehorende aan de B.V. [bedrijf] ", zulks ten onrechte nu verdachte ten aanzien van het (kabel)touw door de Politierechter vrijgesproken was en uitsluitend verdachte hoger beroep had aangetekend tegen het vonnis, zodat "de diefstal" van het touw aan Hof's beoordeling onttrokken was.