Home

Parket bij de Hoge Raad, 18-03-1986, AB9411, 79.780

Parket bij de Hoge Raad, 18-03-1986, AB9411, 79.780

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18 maart 1986
Datum publicatie
29 februari 2024
ECLI
ECLI:NL:PHR:1986:AB9411
Formele relaties
Zaaknummer
79.780

Inhoudsindicatie

1. Het hof heeft geen nieuwe oproeping van de op getuigenlijst voorkomende niet-verschenen getuige bevolen, terwijl niet blijkt dat van diens verhoor met toestemming van de P-G, verdachte en diens raadsvrouwe is afgezien; toch geen nietigheid.

2. Nu het hof kon oordelen dat verdachtes verklaring leugenachtig was, welk oordeel als van feitelijke aard niet in cassatie kan worden getoetst, kon het die verklaring redengevend achten.

Conclusie

na.-Nr. 79.780Zitting 18 maart 1986

Mr. Meijers Conclusie inzake:[verdachte] .

Edelhoogachtbare Heren,

Het hof heeft voor het bewijs van de telastegelegde diefstal van een aantal palen en een 40-meter lang touw als bewijsmiddel onder meer gebruikt de verklaring die verzoeker ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd.Verzoeker beweerde dat hij op 'n zaterdag de palen had gekocht van een onbekende "die zei dat hij bij het werk hoorde". Het hof is van oordeel dat deze bewering voor leugenachtig moet worden gehouden, omdat uit de verklaring van de als getuige gehoorde uitvoerder bleek dat er op zaterdagen geen werknemers van het bedrijf aanwezig waren.

Het eerste middel voert, kort gezegd, als bezwaar tegen de redenering van het hof aan dat niet verzoeker, maar de onbekende heeft gelogen. Dit bezwaar is niet steekhoudend, omdat het uitgaat van een verkeerde lezing van de overweging van het hof. Het hof heeft het hele verhaal over de onbekende man en over diens mededeling als niet geloofwaardig aangemerkt en daarom diefstal, géén heling, bewezen verklaard, In het licht van de getuigenverklaring van de uitvoerder kon het hof de verklaring van verzoeker voor het bewijs redengevend achten. Voor een verdergaande toetsing van het oordeel van het hof is in cassatie geen plaats. Vgl. HR 19 juni 1973, NJ 1973, 356; J.M. Reintjes, Strafrechtelijk bewijs in wet en praktijk, p. 170-172.

Het tweede middel stuit af op het bepaalde in art. 407, lid 1 Sv. Melai (red.), aant. 2 op art. 407:

"De memorie van toelichting rechtvaardigt de dwingende regel - dat in geval van appel het gehele bestreden vonnis op het spel staat - als volgt: "Waar de strafvervolging ten doel heeft het vinden der materiële waarheid, kan de hoogere rechter die de zaak onderzoekt niet gebonden worden door beslissingen die hij onjuist acht ( ) "".

In de memorie van toelichting wordt er bovendien op gewezen dat het verbod van partieel hoger beroep lichtvaardige appellen wil tegengaan; vgl. H.G.M. Krabbe, Verzet en hoger beroep in strafzaken, p. 67, noot 127.

Het derde middel signaleert dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof op 14 maart 1985 niet blijkt dat een voor de verdediging opgeroepen getuige is gehoord, terwijl evenmin blijkt dat met toestemming van de procureur-generaal en de verdachte van het verhoor van die getuige is afgezien.

Het voorschrift over het verzuim waarvan het middel kennelijk beoogt te klagen is dat van art. 282 Sv., dat in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is. Op verzoek (en voor rekening) van verzoeker heeft de procureur- generaal [getuige 1] als getuige opgeroepen tegen de zitting van 14 maart 1985 en hem vervolgens op de lijst van getuigen geplaatst. Het proces-verbaal van die terechtzitting vermeldt niet dat [getuige 1] is verschenen, zodat het ervoor moet worden gehouden dat hij niet was verschenen. Uit het proces-verbaal blijkt evenmin dat het hof het voorschrift van art. 282 in acht heeft genomen. Het gaat hier naar vaste rechtspraak om een wezenlijke vorm, zodat - nu niet uit andere omstandigheden kan worden afgeleid dat verzoeker en zijn raadsman zich bij de afwezigheid van de opgeroepen en op de lijst gebrachte getuige hebben neergelegd en het belang van de verdediging dus niet was geschaad - nietigheid van het onderzoek het gevolg is. Voor de reden van deze substantiële nietigheid zij verwezen naar HR 11 april 1932, NJ 1932, p. 1590, m.n. T. Vgl. Melai (red.), aant. 3 op art. 282 en de in de aantekening en in voetnoot 1 vermelde jurisprudentie.

Ik concludeer tot vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,