Hoge Raad, 18-12-1991, ZC4836, 27260
Hoge Raad, 18-12-1991, ZC4836, 27260
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 18 december 1991
- Datum publicatie
- 8 april 2013
- Zaaknummer
- 27260
Uitspraak
ARREST
gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X BV te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 9 februari 1990 betreffende de haar ter zake van na te melden verkrijging opgelegde naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting opgelegd betreffende de verkrijging op 1 september 1986 van aandelen in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Y BV. De naheffingsaanslag bedraagt f 393.900. Deze aanslag is, na daartegen door de belanghebbende gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd.
De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
2.1. Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
2.3. De Advocaat-Generaal Moltmaker heeft op 2 april 1991 geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het Hof en verwijzing naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. Het Hof heeft het volgende vastgesteld. Per 1 september 1986 omvatten de activa van Y BV, hierna: Y, de volgende in het recreatiepark A gelegen onroerende goederen: een kampeerterrein van ongeveer 14 ha, 75 voor gemeubileerde verhuur bestemde vakantiebungalows met ondergrond, een restaurant en bowlingcentrum, een overdekt zwembad, twee tennisbanen en een nog niet in gebruik genomen terrein van circa 11 ha met recreatiebestemming. Y dreef voor eigen rekening en met eigen personeel een onderneming, bestaande uit het recreatiepark, waaronder centrale voorzieningen als het restaurant, een bar, een discotheek, een café, een recreatiezaal, een receptie, de bowlingbanen, een snackcorner, een automatenhal, een wasserette, telefooncellen, het zwembad en de tennisbanen, geheel voor eigen rekening en met eigen personeel.
Op 1 september 1986 luidde de actiefzijde van de balans als volgt:
onroerende goederen f 7.442.500
lopende posten f 121.000
voorraden f 60.978
liquide middelen f 1.009.100
f 8.633.578.
De specificatie van de onroerende goederen luidde als volgt:
- centrale voorzieningen (restaurant, bowlingbanen, zwembad, tennisbanen)
f 250.000
- 11 ha terrein f 715.000
- 14 ha kampeerterrein f 2.100.000
- 75 bungalows f 4.377.500
Op 1 september 1986 zijn de aandelen Y in eigendom overgedragen aan belanghebbende.
3.2. Voor het antwoord op de vraag wanneer een lichaam als waarvan in artikel 4, lid 1, letter a, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer sprake is, het verkrijgen, vervreemden of exploiteren van in Nederland gelegen onroerende goederen beoogt, geven de bewoordingen noch de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling uitsluitsel. Ook het spraakgebruik is te dezen onvoldoende scherp. Voormelde vraag dient daarom aan de hand van een nader te bepalen criterium te worden beantwoord.
3.3. Het Hof heeft zijn oordeel gebaseerd op de samenstelling van de bedrijfsomzet van Y over 1986. De bedrijfsomzet als criterium heeft evenwel het bezwaar dat deze van jaar tot jaar sterk kan wisselen, zodat de bedrijfsomzet van een enkel jaar in de regel een onbetrouwbaar beeld geeft. Zou in verband hiermee de bedrijfsomzet over enkele jaren beslissend geoordeeld worden, dan zouden gegevens gebruikt worden die te lang voor het beoordelingstijdstip zijn ontstaan.
3.4. Onder deze omstandigheden moet de voorkeur gegeven worden aan het door de Advocaat-Generaal in 2.4.4 van zijn conclusie voorgestelde criterium dat op het beoordelingstijdstip de waarde in het economische verkeer van de in Nederland gelegen onroerende goederen die als zodanig dienstbaar zijn aan het verkrijgen, vervreemden of exploiteren van die onroerende goederen meer dan vijftig percent beloopt van de waarde van alle activa van het lichaam. Hieruit volgt dat de klachten, voor zover zij opkomen tegen het door het Hof toegepaste criterium, gegrond zijn.
3.5. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven.
De klachten behoeven voor het overige geen behandeling meer. Verwijzing moet volgen.