Hoge Raad, 19-10-2018, ECLI:NL:HR:2018:1972, 17/00746
Hoge Raad, 19-10-2018, ECLI:NL:HR:2018:1972, 17/00746
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 19 oktober 2018
- Datum publicatie
- 19 oktober 2018
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2018:1972
- Formele relaties
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:420, Gevolgd
- In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2016:5219, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
- Zaaknummer
- 17/00746
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Procedure na verwijzing (HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4476). Art. 50 en 55 (oud) Luchtvaartwet. Vordering tot schadeloosstelling wegens oplegging bouwverbod op terreinen nabij Schiphol, en vordering tot afdracht waardevermeerdering wegens opheffing van dat bouwverbod; gelijktijdige behandeling van beide vorderingen. Ontvankelijkheid tussentijds cassatieberoep. Vraag in hoeverre verwijzingshof is gebonden aan in cassatie niet of tevergeefs bestreden beslissingen. Grenzen rechtsstrijd na cassatie. Strekking art. 55 LVW in verband met tenietgedane schadeposten die niet de waarde van het terrein betreffen. Art. 55 LVW en verwachtingswaarde. Beoordeling wederzijdse vorderingen in onderlinge samenhang.
Uitspraak
19 oktober 2018
Eerste Kamer
17/00746
TT/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
CHIPSHOL III B.V.,gevestigd te Wassenaar,
EISERES in het principale beroep, VERWEERSTER in het incidentele beroep,
advocaten: mr. J.F. de Groot en mr. P.A. Fruytier,
t e g e n
N.V. LUCHTHAVEN SCHIPHOL,gevestigd te Schiphol,
VERWEERSTER in het principale beroep, EISERES in het incidentele beroep,
advocaten: mr. M. Ynzonides en mr. J.W.M.K. Meijer.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Chipshol en de Luchthaven.
1 Het geding
Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar:
a. zijn arrest van 19 februari 2010 in de zaken 08/01502 en 08/01550, ECLI:NL:HR:2010:BK4476, NJ 2011/121;
b. de arresten in de zaak 200.077.136/01 van het gerechtshof Amsterdam van 27 december 2011, 8 juli 2014, 14 april 2015, 15 september 2015 en 6 december 2016.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2 Het tweede geding in cassatie
Tegen de arresten van het hof heeft Chipshol beroep in cassatie ingesteld. De Luchthaven heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor de Luchthaven mede door E.L. Rowel.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging van de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 27 december 2011, 8 juli 2014, 15 september 2015 en 6 december 2016 en tot terugwijzing.
De advocaten van Chipshol en van de Luchthaven hebben ieder schriftelijk op die conclusie gereageerd.
3 Uitgangspunten in cassatie
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
- -
-
i) Bij akte van 22 december 1993 heeft M.C. Groenenberg enige percelen land in de gemeente Haarlemmermeer nabij het luchtvaartterrein Schiphol (hierna ook: het Groenenbergterrein) in economische eigendom overgedragen aan Chipshol.
- -
-
ii) Op 11 februari 2003 heeft de gemeente Haarlemmermeer aan Chipshol twee bouwvergunningen verleend voor het bouwen van bedrijfspanden en kantoren op het Groenenbergterrein (fase I).
- -
-
iii) Bij besluit van 19 februari 2003, bekendgemaakt op 20 februari 2003, heeft de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat de bouwmogelijkheden op het Groenenbergterrein ingevolge art. 38 (oud) Luchtvaartwet (hierna: LVW) beperkt (hierna: het bouwverbod).
- -
-
iv) Krachtens het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol geldt vanaf 20 februari 2003 een strikt regime voor de maximale hoogte van bouwwerken rondom het luchtvaartterrein Schiphol. Deze maximale bouwhoogten zijn gelijk aan de maximale bouwhoogten uit het bouwverbod.
- -
-
v) Op 6 mei 2003 heeft de gemeente Haarlemmermeer aan Chipshol twee bouwvergunningen verleend voor het bouwen van bedrijfspanden en kantoren op het Groenenbergterrein (fase II).
- -
-
vi) Bij besluit van 28 juni 2007 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat het bouwverbod met onmiddellijke ingang en onvoorwaardelijk opgeheven.
- -
-
vii) Bij akte van 23 november 2007 heeft Groenenberg het na onteigening en gedeeltelijke overdrachten nog resterende gedeelte van het Groenenbergterrein geleverd aan Chipshol die dit vervolgens, met uitzondering van een door haarzelf behouden gedeelte, heeft geleverd aan 37 besloten vennootschappen.
In de onderhavige procedure (hierna ook: de art. 50-procedure) heeft Chipshol gevorderd – kort samengevat – dat de Luchthaven op grond van art. 50 (oud) LVW wordt veroordeeld tot vergoeding van de schade die Chipshol heeft geleden ten gevolge van het bouwverbod. Chipshol heeft op 19 juli 2007 op grond van een provisioneel vonnis van de rechtbank Haarlem een bedrag van € 19.000.000,-- van de Luchthaven ontvangen als voorschot op door haar geleden schade. Bij eindvonnis van 30 januari 2008 heeft die rechtbank de Luchthaven veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 16.000.000,--, met rente aan Chipshol. Bij het hiervoor in 1 vermelde arrest van 19 februari 2010 (hierna: het verwijzingsarrest)heeft de Hoge Raad dat vonnis vernietigd en de zaak verwezen naar het hof.
In een afzonderlijk geding (hierna ook: de art. 55-procedure) heeft de Luchthaven diverse vorderingen ingesteld tegen Chipshol. Samengevat weergegeven komen deze vorderingen erop neer dat Chipshol zal worden veroordeeld het hiervoor in 3.2.1 vermelde bedrag van € 19.000.000,-- terug te betalen, met nevenvorderingen. De Luchthaven heeft deze vorderingen gebaseerd op onverschuldigde betaling, art. 55 (oud) LVW, ongerechtvaardigde verrijking en onrechtmatige daad. De rechtbank Haarlem heeft bij eindvonnis de Luchthaven in haar vorderingen niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat – kort gezegd – het in het verwijzingsarrest gekozen uitgangspunt meebrengt dat over de op art. 55 (oud) LVW gegronde vordering dient te worden beslist in de eerder aanhangig gemaakte art. 50-procedure (de onderhavige, hiervoor in 3.2.1 weergegeven procedure). Chipshol heeft tegen dat vonnis cassatieberoep ingesteld en de Luchthaven incidenteel cassatieberoep. Beide beroepen zijn door de Hoge Raad verworpen bij arrest van 22 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4126, NJ 2013/432.
De hierboven vermelde gang van zaken heeft ertoe geleid dat partijen de tot vergoeding van de waardevermeerdering strekkende art. 55-vordering hebben ingebracht in de reeds bij het hof aanhangige art. 50-procedure, waarbij als bijzonderheid geldt datin de art. 50-procedure sprake was van een behandeling na vernietiging in cassatie en dat met betrekking tot de art. 55-vordering sprake was van een ‘reguliere’ voortzetting van het (voor de rechtbank aangevangen) geding.
Opmerking verdient nog dat hoofdstuk IV van de Luchtvaartwet (waarin de art. 50 en 55 waren opgenomen) met ingang van 20 februari 2003 voor de luchthaven Schiphol buiten werking is gesteld (Wet van 27 juni 2002, Stb. 2002, 374) en dat de art. 38-56 LVW bij Wet van 18 december 2008 (Stb. 2008, 561) vervallen zijn verklaard met ingang van 24 december 2008. De art. 50 en 55 (oud) LVW zijn echter op de onderhavige procedure(s) van toepassing gebleven (vgl. het verwijzingsarrest onder 6.4.3).
Het hof heeft in de onderhavige zaak vijf tussenarresten gewezen.
In het tussenarrest van 27 december 2011 (hierna: het eerste tussenarrest) heeft het hof onder meer uitgangspunten geformuleerd voor de omvang van het geding in de art. 50-procedure na verwijzing (rov. 2.2-2.5 en 3.3-3.8) en ten aanzien van door Chipshol naar voren gebrachte, volgens haar nieuwe, feiten en omstandigheden geoordeeld dat deze vallen buiten de grenzen van het geding in dit stadium, alsmede dat de Luchthaven terecht bezwaar heeft gemaakt tegen de vermeerdering van eis door Chipshol na verwijzing (rov. 3.13-3.17). Voorts heeft het hof het beroep van de Luchthaven op eigen schuld van Chipshol verworpen (rov. 4.1-4.6) en overwogen dat het de Luchthaven de gelegenheid zal bieden door middel van getuigen haar stelling te bewijzen dat de door Chipshol gestelde schade al (gedeeltelijk) is vergoed als gevolg van schikkingen die Chipshol met de provincie Noord-Holland en de gemeente Haarlemmermeer heeft getroffen (rov. 4.7-4.9). Tot slot heeft het hof overwogen dat het de uitkomst van de art. 55-procedure zal afwachten, omdat de problematiek die in dat geding aan de orde is niet los kan worden gezien van de kwesties die het hof nog heeft te behandelen (rov. 4.10-4.12). Het hof heeft het verzet van de Luchthaven tegen de vermeerdering van eis gegrond verklaard, de zaak verwezen naar de rol voor een akte aan de zijde van Chipshol en iedere verdere beslissing aangehouden.
In het tussenarrest van 8 juli 2014 (hierna: het tweede tussenarrest) heeft het hof onder meer overwogen dat het na het arrest van de Hoge Raad van 22 februari 2013 in dit geding niet alleen de waardevermindering als gevolg van het bouwverbod van 19 februari 2003 heeft te onderzoeken, maar ook of de opheffing van het bouwverbod op 28 juni 2007 waardevermeerdering van het Groenenbergterrein tot gevolg heeft gehad, en zo ja wat de omvang van die waardevermeerdering is geweest (rov. 3.2). Het hof heeft de Luchthaven verzocht de gedingstukken van de art. 55-procedure in het geding te brengen (rov. 3.5.2) en voorts overwogen dat het in de kwestie die aan de orde is in de art. 55-procedure, voornemens is om op de voet van het bepaalde in art. 54 (oud) LVW deskundigen te benoemen (rov. 3.6.2). Daarnaast heeft het hof uitgangspunten gegeven voor het door de deskundigen te verrichten onderzoek en overwogen dat partijen nieuwe deskundigen mogen voorstellen (rov. 3.6.3-3.6.9). Het hof heeft de zaak verwezen naar de rol voor een akte aan de zijde van beide partijen.
Bij tussenarrest van 14 april 2015 (hierna: het derde tussenarrest) heeft het hof de zaak verwezen naar de rol voor een inhoudelijke reactie van de Luchthaven op de laatste akte van Chipshol.
In zijn tussenarrest van 15 september 2015 (hierna: het vierde tussenarrest) heeft het hof onder meer overwogen dat ontoereikende grond bestaat om terug te komen van het in dit geding gekozen uitgangspunt dat de waarde in het economisch verkeer van het Groenenbergterrein op 19 februari 2003 na het bouwverbod € 2,5 miljoen bedroeg, omdat het hof daaraan als verwijzingsrechter is gebonden, maar dat dit anders ligt voor de vaststelling dat de waarde in het economisch verkeer van het Groenenbergterrein op 28 juni 2007 direct voor de opheffing van het bouwverbod € 2,5 miljoen bedroeg (rov. 2.4). Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat laatstbedoelde waarde tussen partijen omstreden is en dat de door het hof te benoemen deskundigen niet alleen hebben te onderzoeken welke waarde in het economisch verkeer het Groenenbergterrein had op 28 juni 2007 na opheffing van het bouwverbod, maar ook welke waarde in het economisch verkeer het Groenenbergterrein had op de dag direct vóór opheffing van het bouwverbod (rov. 2.5). Het hof heeft in dat verband overwogen dat het in het bijzonder erom gaat vast te stellen hoe een redelijk handelende koper op basis van alle beschikbare planologische gegevens op 28 juni 2007 zijn kansen had beoordeeld, zowel direct voor als na de opheffing van het bouwverbod, en hoe hij die kansen zou hebben verdisconteerd in een voor de grond te betalen prijs (rov. 2.6). Het hof heeft vervolgens opgesomd wat in het deskundigenrapport van 5 juli 2006 is vermeld ten aanzien van het ten tijde van het bouwverbod voor het Groenenbergterrein geldende planologische regiem en wat van betekenis is voor de op 28 juni 2007 geldende planologische situatie, en de vraag geformuleerd die het hof aan de te benoemen deskundigen wil voorleggen (rov. 2.7-2.9). Hetgeen Chipshol nader had aangevoerd, gaf het hof voor het overige geen aanleiding om van zijn eerdere oordelen terug te komen (rov. 2.10).
Het hof heeft in dit vierde tussenarrest toegevoegd dat in rov. 3.6.4 van het tweede tussenarrest ligt besloten dat een eventuele stijging van de waarde in het economisch verkeer van het Groenenbergterrein in de periode tussen het bouwverbod en de opheffing daarvan buiten het bestek van art. 55 (oud) LVW valt en dat de tussentijdse waardestijging aan Chipshol toekomt, ook als die het gevolg zou zijn van de verwachting dat het bouwverbod binnen afzienbare termijn zou worden opgeheven. Het hof wil wel van de deskundigen vernemen of grond bestaat voor restitutie van de aan Chipshol toegekende vergoeding van € 800.000,-- ter zake van de omstandigheid dat Chipshol zonder het opleggen van een bouwverbod bouwgereed terrein zou hebben kunnen realiseren en als verkoper een voorsprong zou hebben gehad indien een of meer kopers haar hadden verzocht als belegger deel te nemen in de te realiseren projecten (rov. 2.11). Het hof heeft tot slot Chipshol verzocht zich bij akte uit te laten over de te benoemen deskundigen en de zaak daartoe andermaal naar de rol verwezen.
In zijn tussenarrest van 6 december 2016 (hierna: het vijfde tussenarrest) heeft het hof vooropgesteld dat de begrotingssystematiek die is neergelegd in de art. 50 en 55 (oud) LVW uitgangspunt vormt. Uitgangspunt voor het hof is voorts dat de begroting van de schade en de waardevermeerdering dient te geschieden met inachtneming van de regels die zijn ontwikkeld in het onteigeningsrecht, hetgeen meebrengt dat de schade respectievelijk waardevermeerdering moet worden onderzocht per peildatum, in dit geval 19 februari 2003 respectievelijk 28 juni 2007 (rov. 2.4). Verder heeft het hof geoordeeld, kort gezegd, dat er geen reden is de vergoeding voor ‘kosten aankoop vervanging’ buiten het door het hof beoogde deskundigenonderzoek te houden (rov. 2.5). Het hof heeft voorts de vraag geformuleerd die het de deskundigen zal voorleggen (rov. 2.10), een comparitie van partijen gelast en bepaald dat van dit vijfde tussenarrest en de daaraan voorafgaande tussenarresten beroep in cassatie mag worden ingesteld.
4 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het principale en het incidentele beroep
Het hof heeft tussentijds cassatieberoep tegen zijn tussenarresten opengesteld. Deze openstelling van tussentijds cassatieberoep strookt met hetgeen is overwogen in het tussen partijen gewezen arrest HR 6 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5056, NJ 2010/139, namelijk dat de LVW geen regeling bevat met betrekking tot de vraag of van een tussenvonnis beroep in cassatie kan worden ingesteld, zodat de algemene regel van art. 401a Rv van toepassing is.
In het nadien gewezen verwijzingsarrest is onder 6.5.2 geoordeeld dat de leer van de bindende eindbeslissing niet geldt in een procedure op de voet van art. 50 (oud) LVW. In het hiervoor in 3.2.2 genoemde arrest van 22 februari 2013 heeft de Hoge Raad onder 4.3.2 overwogen dat hetzelfde geldt in een procedure op de voet van art. 55 (oud) LVW. Deze procedures vertonen in zoverre grote gelijkenis met procedures tot vaststelling van de schadeloosstelling bij een onteigening. Dit strookt met de omstandigheid dat de wet een groot aantal procedurevoorschriften uit de Onteigeningswet van overeenkomstige toepassing verklaart (zie art. 54 (oud) LVW en art. 55 lid 3 (oud) LVW), waarover nader de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.6-3.9).
In HR 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1221, NJ 2018/340 is overwogen dat volgens vaste rechtspraak in een onteigeningsgeding geen beroep in cassatie openstaat van een tussenuitspraak, behalve voor zover daarbij – voor zover hier van belang – uitspraak is gedaan over de uit te keren schadeloosstelling. Daaraan kan, aldus rov. 4.2 van dat arrest, niet afdoen dat tussentijds cassatieberoep tegen de genoemde tussenarresten is opengesteld; het stelsel van de Onteigeningswet en de aard van het onteigeningsgeding brengen mee dat daarvoor geen ruimte bestaat. In rov. 4.1 van dat arrest is, kort gezegd, overwogen dat deze regels mede erop berusten dat in een onteigeningsgeding de leer van de bindende eindbeslissing niet geldt.
Hetgeen hiervoor in 4.2 en 4.3 is overwogen geeft de Hoge Raad aanleiding om terug te komen van zijn oordeel in het arrest van 6 februari 2009 dat de algemene regel van art. 401a Rv van toepassing is op het onderhavige geding. Thans wordt geoordeeld dat, op gelijke voet als het geval is in een procedure tot vaststelling van de schadeloosstelling bij onteigening, de bijzondere aard van de – op de vaststelling van schadeloosstelling bij onteigening gelijkende – procedures op grond van art. 50 (oud) LVW en 55 (oud) LVW zich ertegen verzet dat cassatieberoep openstaat tegen tussenuitspraken.
De Hoge Raad zal echter afzien van niet-ontvankelijkverklaring van de onderhavige cassatieberoepen. Daarvoor is redengevend dat partijen op grond van het arrest van 6 februari 2009 mochten veronderstellen dat – met verlof van het hof – tussentijds cassatieberoep mogelijk is. Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen stuit in dit geval ook niet op praktische bezwaren, omdat de bijzonderheden van deze procedure (de gelijktijdige behandeling van beide vorderingen en de complicatie dat ten dele sprake is van een verwijzingsgeding na cassatie) het mogelijk maken enkele rechtsvragen te beantwoorden zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de bijzondere aard van de art. 50 en 55 (oud) LVW-procedures. Met die bijzondere aard zal bij de behandeling van de klachten rekening worden gehouden.
Voor verdere tussenuitspraken in de onderhavige procedure geldt echter de regel die hiervoor in 4.4 is gegeven.