Home

Hoge Raad, 21-12-2018, ECLI:NL:HR:2018:2361, 17/04066

Hoge Raad, 21-12-2018, ECLI:NL:HR:2018:2361, 17/04066

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21 december 2018
Datum publicatie
21 december 2018
ECLI
ECLI:NL:HR:2018:2361
Formele relaties
Zaaknummer
17/04066

Inhoudsindicatie

IPR, internationaal publiekrecht. Bevoegdheid Nederlandse rechter inzake vorderingen tot opheffing van in België gelegd conservatoir derdenbeslag en verbod om opnieuw conservatoir beslag te leggen; vorderingen gegrond op immuniteit van executie van internationale organisatie. Is sprake van burgerlijke en handelszaken (art. 1 lid 1 Verordening Brussel I-bis) en van exclusieve bevoegdheid van Belgische rechter (art. 24, aanhef en onder 5, Verordening Brussel I-bis)? Ambtshalve onderzoek van bevoegdheid door Hoge Raad (art. 27 Verordening Brussel I-bis). Prejudiciële vragen aan HvJEU.

Uitspraak

21 december 2018

Eerste Kamer

17/04066

EV/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. SUPREME SITE SERVICES GMBH,gevestigd te Glarus, Zwitserland,

2. SUPREME FUELS GMBH & CO KG,gevestigd te Frankfurt, Duitsland,

3. SUPREME FUELS TRADING FZE,gevestigd te Ras al Khaimah, Verenigde Arabische Emiraten,

EISERESSEN tot cassatie, verweersters in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. M.J. Schenck,

t e g e n

SUPREME HEADQUARTERS ALLIED POWERS EUROPE,gevestigd te Mons/Bergen, België,

VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. G.R. den Dekker.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Supreme en SHAPE.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. het vonnis in de zaak C/03/233218/KG ZA 17-139 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Limburg van 12 juni 2017;

b. het arrest in de zaak 200.217.388/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 27 juni 2017.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft Supreme beroep in cassatie ingesteld. SHAPE heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De procesinleiding en het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor Supreme mede door mr. J.J. Valk.

De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt ertoe dat de Hoge Raad, alvorens verder te beslissen, het Hof van Justitie van de EU zal verzoeken over de uitlegging van art. 24, aanhef en onder punt 5, Verordening Brussel I-bis uitspraak te doen en het geding zal schorsen totdat het Hof van Justitie naar aanleiding van dat verzoek uitspraak zal hebben gedaan.

De advocaat van SHAPE heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3 Uitgangspunten in cassatie

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

( i) SHAPE is een internationale organisatie, opgericht bij het Protocol nopens de rechtspositie van internationale militaire hoofdkwartieren, ingesteld uit hoofde van het Noord-Atlantisch Verdrag (Protocol on the status of international military Headquarters set up pursuant to the North Atlantic Treaty), Parijs, 28 augustus 1952 (Trb. 1953, 11; hierna: Paris Protocol). In Brunssum (Nederland) is een regionaal hoofdkwartier gevestigd, ondergeschikt aan SHAPE, te weten het Allied Joint Force Command Brunssum (hierna: JFCB).

(ii) Supreme heeft op grond van zogenoemde Basic Ordering Agreements (hierna: BOAs) onder meer brandstoffen geleverd aan SHAPE ten behoeve van de ISAF-missie van de NAVO in Afghanistan. Supreme bracht daarvoor aan SHAPE een prijs per liter in rekening, bestaande uit de kosten van de brandstof en een opslag voor andere kosten.

(iii) In november 2013 hebben JFCB en Supreme een zogenoemde Escrow Agreement ondertekend. In de Escrow Agreement (waarin Supreme ook als ‘contractor’ is aangeduid) is het volgende vermeld:

“RECITALS:

(...)

B. Upon expiry of the Contracts, certain adjustments, close down or trailing costs (‘Costs’) may be payable to Supreme by NATO Authorised Customers (as defined under the Contracts) or amounts owing due to overpayments will be outstanding and recoverable by NATO and NATO authorized Customers.

C. The parties acknowledge that payment for potential costs provided for in the contracts upon expiration of the BOAs will have limited invoicing mechanisms available.

Furthermore, NATO and/or NATO Authorized Customers may not have the requisite funds to pay validated costs upon expiry of the contracts. In order to address these practical issues, the parties have agreed to establish an escrow account under the provision of the Escrow Agreement for cover of indemnification claims or other adjustments and enter into the escrow arrangement as set forth below.

THE PARTIES AGREE as follows:

1. Appointment

1.1

The above recitals are incorporated below as if set forth at length. The Allied Command Operations (ACO) Corporate Accounting and Control (CAC) Officer has been designated as the Escrow Agent for the purpose set forth herein and that as the Escrow Agent accepts such appointment under the terms and conditions listed.

2. Establishment of Escrow Account

2.2

It is noted that ownership of the funds deposited, and that calculated under the Escrow Deposit (Para 3.2), remain that of NATO and NATO Authorized Customers, from the moment of payment by the NATO or NATO Authorized Customers. Any transfer of ownership of the funds deposited can only be executed for cover of approved indemnification claims or other adjustments.

3. Payment into the Escrow Account

3.2

The amount to be deposited each month by Supreme in the Escrow Account is calculated as follows: The (“Escrow Charge”) established as $ 0,05 USD multiplied by the number of liters for which payment has been received from the NATO and NATO Authorized Customers for the relevant month (“Payment Received”) = “Escrow Deposit”. (...)

3.3

On a monthly basis the contractor will transfer the Escrow Deposit into the Escrow Account. (...)

4. Responsibility of Contractor

4.4

The contractor will forward claims directly to the “Release of Funds” working group, and does not have any claim, right or title towards the escrow deposit.

5. Responsibility of the Escrow Agent

5.1

ACO CAC must act as a neutral third party and must ensure that the account is not closed prior to both parties signing a formal agreement that all responsibilities in accordance with the Basic Order Agreement (BOA) as contained in Schedule 1 are concluded.

5.5

The escrow Agent will only release funds to the contractor in line with the provisions of Para. 6 below, and only after duly authorization by the “Release of Funds” working group.”

(iv) Bij e-mail van 6 mei 2014 heeft de General Counsel & Director of Security van Supreme aan JFCB onder meer meegedeeld:

“I understand that there is a view within JFC(B) that the monies in the Escrow Account can only be released with the approval of Supreme.

I have reviewed the agreement and I can see why this view might be taken. Whilst Clause 2.2 is clear (the monies in the Escrow Account are owned by NATO), under Clause 6 it might be interpreted that release of monies in the Escrow Account to Supreme can only happen if approved by Supreme and NATO.

My view (which is issued on behalf of Supreme Group as their official view) is that:

1. the monies in the Escrow Account are the property of NATO and do not require permission of Supreme to release them;

2. the release clause (Clause 6) is only to deal with the mechanisms of how monies would be released to Supreme once agreed by NATO; and

3. the monies in the Escrow Account remain the property of NATO until NATO decides to release any monies to Supreme - up until that point NATO can withdraw its money at any time it wishes.”

( v) In een brief van mei 2014 van de Deputy Finance Controller van JFCB aan Supreme is het volgende vermeld:

“As a result the two parties have agreed that a transfer of amounts owed to NATO and NATO approved nations would be deposited by Supreme Fuels into the established escrow account. The escrow account will be used to offset any contingent liabilities at the end of the BOA and any residual will be returned to nations prorated based on the amounts contributed.”

(vi) In de periode van november 2013 tot november 2014 is op de Escrow Account (hierna: de escrow-rekening) in totaal een bedrag gestort van ongeveer USD 23 miljoen aan de zogenoemde close out-heffingen als bedoeld in art. 3 van de Escrow Agreement, inclusief rente.

(vii) Naar aanleiding van financiële audits door JFCB bij Supreme heeft Supreme over het jaar 2013 ongeveer USD 122 miljoen aan NAVO terugbetaald wegens te veel in rekening gebrachte bedragen, de zogenoemde overpayments. Het terugbetaalde bedrag is gestort op de escrow-rekening.

(viii) De groep van ondernemingen waartoe Supreme behoort, wordt verdacht van omvangrijke fraude met betrekking tot de levering van brandstoffen en de berekening van kosten in het kader van de ISAF‐missie. In november 2014 hebben twee onderdelen van de Supreme Group een schikking getroffen met de Amerikaanse autoriteiten.

3.2

Supreme heeft SHAPE en JFCB eind 2015 gedagvaard voor de rechtbank Limburg. Deze procedure wordt hierna aangeduid als de bodemprocedure.

In de bodemprocedure heeft Supreme gevorderd, samengevat, dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat Supreme aanspraak heeft op betaling van diverse bedragen, en SHAPE en JFCB zal bevelen ervoor zorg te dragen dat die bedragen worden voldaan van het tegoed op de escrow-rekening, al dan niet na bijstorting. Aan haar vordering heeft Supreme ten grondslag gelegd dat zij op grond van de BOAs brandstoffen heeft geleverd aan SHAPE ten behoeve van de ISAF-missie van de NAVO in Afghanistan (zie hiervoor in 3.1 onder (ii)), en dat SHAPE en JFCB de op hen rustende betalingsverplichtingen niet zijn nagekomen.

SHAPE en JFCB hebben in de bodemprocedure nog geen materieel verweer gevoerd, maar in een incident gevorderd dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van de vorderingen van Supreme kennis te nemen. Daartoe hebben SHAPE en JFCB zich beroepen op immuniteit van jurisdictie.

In het incident in de bodemprocedure heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 8 februari 2017 (ECLI:NL:RBLIM:2017:1002) beslist dat zij bevoegd is om van de vordering van Supreme kennis te nemen.

SHAPE is van dit tussenvonnis in hoger beroep gegaan.

3.3

Bij beschikking van 14 april 2016 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Limburg aan Supreme verlof verleend tot het leggen van conservatoir derdenbeslag onder BNP Paribas te Brussel (België) op het tegoed op de escrow-rekening, waarbij het bedrag waarvoor het verlof is verleend, met inbegrip van rente en kosten, is vastgesteld op USD 217.857.167,--. Deze beslissing wordt hierna aangeduid als het beslagverlof. Het conservatoir derdenbeslag is op 18 april 2016 gelegd.

Het verzoek van Supreme om conservatoir derdenbeslag te mogen leggen, volgde op de mededeling van BNP Paribas aan Supreme dat SHAPE het voornemen had om een bedrag van USD 74.084,83 van het tegoed van de escrow-rekening op te nemen ter betaling van advocaatkosten.

3.4.1

De onderhavige procedure is een kort geding waarin SHAPE vordert, samengevat en voor zover in cassatie van belang, (i) opheffing van het hiervoor in 3.3 genoemde conservatoir derdenbeslag, en (ii) een verbod aan Supreme om opnieuw conservatoir beslag te leggen op het tegoed op de escrow-rekening voor zover gegrond op dezelfde feiten als in dit kort geding aan de orde zijn. Ter onderbouwing van deze vorderingen heeft SHAPE zich onder meer op immuniteit van executie beroepen. De onderhavige procedure wordt hierna aangeduid als het opheffingsgeding.

3.4.2

De voorzieningenrechter heeft de hiervoor in 3.4.1 bedoelde vorderingen van SHAPE toegewezen.

3.4.3

Het hof heeft het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd, en heeft daartoe, samengevat en voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen.

De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht op grond van art. 35 van Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (PbEU 2012, L 351/1; hierna: Verordening Brussel I-bis; hierna: ). Ook in art. 705 Rv ligt besloten dat als de Nederlandse rechter verlof heeft verleend tot het leggen van beslag, de Nederlandse rechter bevoegd is dat beslag op te heffen. (rov. 3.7)

Het Paris Protocol kent, behalve de in art. XI lid 2 daarvan genoemde uitzonderingen, die zich hier niet voordoen, geen uitzonderingen op immuniteit van executie. Uitzonderingen kunnen echter wel worden gebaseerd op internationaal gewoonterecht. (rov. 3.11)

Supreme heeft in dit opheffingsgeding niet voorshands aannemelijk gemaakt dat de gelden op de escrow-rekening geen publieke bestemming (meer) hebben. (rov. 3.12.4)

Evenmin heeft Supreme voorshands aannemelijk gemaakt dat SHAPE afstand van immuniteit heeft gedaan. (rov. 3.13.2)

Ten slotte heeft Supreme niet voorshands aannemelijk gemaakt dat het geld op de escrow-rekening apart is gezet voor Supreme. (rov. 3.14.2)

Het beroep van SHAPE op immuniteit van executie is niet in strijd met art. 6 EVRM. (rov. 3.15-3.15.1)

Het belang van SHAPE bij handhaving van immuniteit van executie prevaleert boven het belang van Supreme bij verhaal van haar vordering op SHAPE. (rov. 3.16.1)

4 De bevoegdheid van de Nederlandse rechter

6 Vragen van uitleg

7 Uitlating partijen

8 Beslissing