Home

Rechtbank Limburg, 08-02-2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:1002, C/03/217614 / HA ZA 16/130

Rechtbank Limburg, 08-02-2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:1002, C/03/217614 / HA ZA 16/130

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
8 februari 2017
Datum publicatie
8 februari 2017
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2017:1002
Formele relaties
Zaaknummer
C/03/217614 / HA ZA 16/130

Inhoudsindicatie

De rechtsvraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of AJFCH en SHAPE immuniteit genieten van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter.

De rechtbank oordeelt dat AJFCH en SHAPE in beginsel, overeenkomstig het Spaans-criterium van de Hoge Raad functionele immuniteit van jurisdictie genieten. Voorts oordeelt de rechtbank dat in het licht van het EVRM AJFCH en SHAPE zich niet kunnen beroepen op het Mothers of Srebrenica-arrest van het EHRM én dat de functionele immuniteit wordt doorbroken, omdat het ontbreken van een redelijke alternatieve rechtsgang in de brandstofcontracten het in artikel 6 van het EVRM gewaarborgde recht op een fair trial illusoir maakt.

Uitspraak

vonnis

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/217614 / HA ZA 16/130

Vonnis in incident van 8 februari 2017

in de zaak van

de rechtspersonen naar buitenlands recht,

1. SUPREME SITE SERVICES GMBH (voorheen Supreme Site Services AG),

gevestigd te Glarus, Zwitserland,

2. SUPREME FUELS GMBH & CO KG,

gevestigd te Frankfurt, Duitsland,

3. SUPREME FUELS TRADING FZE,

gevestigd te Ras al Khaimah, Verenigde Arabische Emiraten,

eisers in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

advocaten mr. G. Potjewijd en mr. B.J. Korthals Altes-van Dijk,

tegen

de NAVO-onderdelen,

1. ALLIED JOINT FORCE COMMAND HEADQUARTERS BRUNSSUM,

gevestigd te Brunssum,

2. SUPREME HEADQUARTERS ALLIED POWERS EUROPE,

gevestigd te Mons, België,

gedaagden in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaten mr. J.M. Luycks en mr. R. Niesink.

Partijen zullen hierna Supreme respectievelijk AJFCH en SHAPE worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 1 december 2016, met producties,

- de akte wijziging van eis, met producties,

- de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid ex artikel 11 Rv, met producties,

- de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident, tevens tot afwijzing verzoek tot openstellen hoger beroep ex artikel 337 lid 2 Rv, met producties,

- de rolbeslissing van 14 september 2016, waarbij de rechtbank een comparitie van partijen heeft bevolen,

- de akte overlegging producties in het incident houdende exceptie van onbevoegdheid ex artikel 11 Rv van AJFCH en SHAPE,

- de akte houdende aanvullende producties voor comparitie van de zijde van Supreme,

- het proces-verbaal van comparitie in het incident van 7 december 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op 12 september 2001 een resolutie aan die de aanslagen op de twee torens van het Word Trade Centre en het Pentagon op 11 september 2001veroordeelde en die staten opriep samen te werken om berechting van de daders mogelijk te maken. In het kader van bestrijding van terrorisme verklaarde de Veiligheidsraad dat men bereid was om alle noodzakelijke stappen en maatregelen te nemen als reactie op de aanslagen. Ook werd het recht op individuele en collectieve zelfverdediging, zoals neergelegd in artikel 51 van het Handvest van de Verenigde Naties bevestigd. De Raad van de NAVO, het hoogste politieke orgaan van de NAVO, kwam eveneens bijeen en besloot unaniem dat artikel 5 van het NAVO-verdrag van toepassing was. De aanslagen werden beschouwd als niet alleen een aanval op de Verenigde Staten van Amerika, maar als een aanval op alle leden van het bondgenootschap.

2.2.

Op 7 oktober 2001 startte onder Amerikaans-Britse aanvoering onder de naam “Operation Enduring Freedom” een militaire operatie in Afghanistan met een beroep op artikel 51 van het Handvest van de Verenigde Naties. De Veiligheidsraad werd daaromtrent door de deelnemende landen geïnformeerd.

2.3.

Op 5 december 2001 werd in Bonn door Afghaanse leiders de “Agreement on Provisional Arrangements in Afghanistan pending re-establishment of Permanent Government Institutions” overeengekomen. In dit zogenoemd Akkoord van Bonn werd de Veiligheidsraad gevraagd toe te stemmen in een VN-missie in Afghanistan die de interim regering zou moeten helpen met het bewaren van vrede en veiligheid rond Kabul en later mogelijk andere delen van het land.

2.4.

Op 20 december 2001 nam de Veiligheidsraad resolutie 1386 (2001) aan. Op grond van Hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties werd de International Security Assistance Force (hierna: ISAF) ingesteld. De Veiligheidsraad machtigde met deze resolutie de deelnemende landen om gedurende zes maanden alle noodzakelijke maatregelen te nemen en middelen in te zetten om het mandaat van ISAF uit te voeren. Resolutie 1386 werd verschillende keren verlengd en het gebied waar de ISAF-missie actief was, werd in oktober 2003 uitgebreid naar het hele grondgebied van Afghanistan.

2.5.

De NAVO nam het commando van ISAF op zich in augustus 2003, nadat daarvoor verschillende lidstaten afwisselend een half jaar dit bevel hadden gevoerd. Het overnemen van de commandorol en een uitgebreid plan van aanpak werd aan de Veiligheidsraad gemeld. De NAVO zou uiteindelijk tot 31 december 2014 – het einde van de missie – het commando over ISAF voeren.

2.6.

De NAVO had de strategische en operationele militaire leiding over de operaties en was verantwoordelijk voor het opzetten van lokale hoofdkwartieren. AJFCH fungeerde als oppercommandocentrum en algemeen hoofdkwartier van de ISAF-missie.

2.7.

Dat AJFCH de operationele leiding had, betekende dat zij verantwoordelijk was voor de logistieke planning en uitvoering van de missie: de troepen moesten tijdig en op de juiste plaats voorzien worden van al hetgeen nodig is voor het uitvoeren van een militaire operatie. Het verzorgen van de brandstofvoorziening werd aanvankelijk door de individuele troepen leverende staten zelf ter hand genomen. Op enig moment werd het echter strategisch-operationeel wenselijk geacht dat de brandstofvoorziening door AJFCH zou worden uitgevoerd.

2.8.

In 2006 en 2007 zijn in dat kader door AJFCH namens SHAPE ten behoeve van de landen die strijdkrachten ter plaatse hadden, een drietal “basic fuel ordering agreements” (hierna: BOA’s) afgesloten. Twee hiervan werden met Supreme aangegaan, te weten de “Agreement for the provision of aviation and ground fuels and associated products to NATO ISAF and additional requiring activities in the Herat area of operation” van1 februari 2006 (hierna: de Herat BOA) en de “Agreement for the provision of aviation and ground fuels and associated products to NATO ISAF in the Kandahar area of operation” van 15 maart 2007 (hierna: de Kandahar BOA). Beide BOA’s zijn verschillende keren verlengd en gewijzigd. Deze BOA’s hielden – onder meer – in dat Supreme brandstof voor het militaire materieel leverde. De BOA’s eindigden op 30 november 2014.

2.9.

De op grond van de BOA’s door Supreme geleverde brandstoffen werden achteraf door de individuele staten betaald:

Artikel 17 Herat BOA (invoicing service) luidt voor zover relevant:

17.4

All invoices shall be addressed to the billing address provided by the Buyer as illustrated in Annex D for each NATO authorised customer. NATO authorized customers shall pay invoices within 30 days of receipt. The buyer (JFC-B J4 Log/Ops Fuel Officer) will update the authorised customer list when necessary and provide it to the Seller.

17.5

Should any NATO authorized customer not pay any undisputed invoice, the Setter will inform JFC-B J4 Log/Ops Fuel Officer and provide pertinent details. Upon notification the JFC-B 14 Log/Ops Fuel Officer will approach the invoice recipient and seek, resolution of the issue. In case no resolution is found within 30 days after the Seller notifies the JFC-B J4 Log/Ops Fuel Officer, JFC-B will assume liability for payment of the invoice and obtain reimbursement from the Authorized Customer.

Artikel 15 Kandahar BOA (invoicing service) is vergelijkbaar en luidt voor zover relevant:

15.4

All invoices shall be addressed to the billing address provided by the Buyer as illustrated in Annex D for each NATO authorised customer. NATO authorized customers shall pay invoices in full without deduction, setoff or counter claim, within 30 days after the date of the invoice. The buyer (JFC-B J4 Log/Ops Fuel Officer on advise from HQ ISAF CJ4) will update the authorised customer list when necessary and provide it to the Seller after consultation and official approval from the warranted Contacting Officer at JFCHQ B.

15.5

Should any NATO authorized customer not pay any undisputed invoice, the Seller will inform JFC-B J4 Log/Ops Fuel Officer and provide pertinent details. Upon notification the JFC-B J4 Log/Ops Fuel Officer will approach the invoice recipient and seek resolution of the issue.

In dit verband is ook relevant:

Artikel 9 Herat BOA (liability and indemnity) luidt:

9.1.

The Buyer agrees to indemnify and hold the Seller, the Delivering Company and their delegates harmless against all claims, demands, proceedings. damages and liabilities for loss of or damage to any property whatsoever or for injury, including fatal injury or disease to any person whatsoever and against all associated costs (including legal costs) and expenses that arise out of or are connected with actions or omissions in the performance by the Buyer or that arise after the Fuels have passed from the Seller to the Buyer in accordance with clause 8 above.

Artikel 9 Kandahar BOA (liability and indemnity) luidt:

The JFC Brunssum agrees to indemnify and hold the Seller, the Delivering Company and their delegates harmless against all claims, demands, proceedings, damages and liabilities for loss of or damage to any property whatsoever or for injury, including fatal injury or disease to any person whatsoever and against all associated costs (including legal costs) and expenses that arise out of or are connected with actions or omissions in the performance by JFC Brunssum and the Buyer or that arise after the Fuel and Lubricants have passed from the Seller to the Buyer in accordance with clause 8 above.

The fuel-provisioning contractor(s) will maintain liability for any product or tanker losses, spills, destructions or thefts and fuel quality deterioration until the product enters the BFI. Once the fuel has entered the BFI and been accepted (which is defined as passing the C-Level tests and passing the inlet coupling of the BFI), by the NATO Authorized Receiving Officer, i.e. the contracted BFI management team. The contracted BFl management team is NATO’s custodian of the fuel and responsible for product quality once accepted into the BFI; furthermore, the team will be held responsible for any product loss attributable to it’s actions included the quality of the fuel provided to the authorised buyers.

2.10.

Ook AJFCH zelf nam af van Supreme. AJFCH betaalde Supreme vanuit een gemeenschappelijk NAVO-budget. Prijzen van brandstof waren variabel. Er werd door AJFCH achteraf toezicht op gehouden.

In beide BOA’s is overeengekomen dat Supreme Site Services AG (Herat Boa) en Supreme Fuels GmbH & Co KG (Kandahar BOA) exclusiviteit genieten voor de levering van brandstoffen.

Voorts is opgenomen dat Nederlands recht van toepassing is. De BOA’s bevatten bij het aangaan, maar ook bij verlengingen en wijzigingen, geen forumkeuze voor een nationale rechter. Evenmin is er in de BOA’s een andere wijze van afdoening van geschillen overeengekomen.

2.11.

Eind 2013 is tussen partijen de Escrow-overeenkomst gesloten. Op grond van deze overeenkomst kon Supreme na afloop van de BOA’s haar eventuele restvordering op grond van die BOA’s, voorzien van specificatie en onderbouwing, voorleggen aan een Release of Funds Working Group (hierna: RFWG). De RFWG is samengesteld uit personen verbonden aan AJFCH en SHAPE. De RFWG controleerde en keurde de vorderingen, waarna uit het Escrow-budget kon worden betaald.

2.12.

In 2015 hebben Supreme en AJFCH onder leiding van een agentschap van het Amerikaanse ministerie van defensie gesprekken gevoerd over vorderingen van Supreme. Deze gesprekken hebben niet geleid tot een oplossing van het geschil. Deze gesprekken waren nog niet afgerond op het moment van dagvaarden.

3 Het geschil

In de hoofdzaak

3.1.

Supreme vordert – samengevat en zakelijk weergegeven – na wijziging van eis:

-

verklaringen voor recht dat Supreme op grond van de BOA’s aanspraak kan maken op $ 164.284.439,01, £ 56.834,90 en AED 3.449.104,00(vordering 1), $ 20.284.000,00 (vordering 2), alsmede ieder bedrag dat Supreme aan belasting verschuldigd is aan GIROA (vordering 3),

-

een verklaring voor recht dat AJFCH en/of SHAPE wegens schending van de exclusiviteitsbepaling van de BOA’s aansprakelijk zijn voor de door Supreme geleden schade, vooralsnog begroot op $ 677.237,00 (vordering 4),

-

(vordering 5) AJFCH en SHAPE te gebieden om, al dan niet met tussenkomst van de RFWG, goed te keuren dat bovenbedoelde bedragen vanuit de Escrow-rekening aan Supreme wordt uitgekeerd en de Escrow-agent te gelasten over te gaan tot uitbetaling van deze bedragen aan Supreme Site Services GmbH (eiseres sub 1), een en ander op straffe van een dwangsom,

-

(vordering 6) AJFCH en SHAPE te gebieden, indien bovenbedoelde bedragen de bedragen op de Escrow-rekening overstijgen, om ervoor zorg te dragen dat het verschil op de Escrow-rekening wordt bijgestort en na bijstorting goed te keuren dat het verschil vanuit de Escrow-rekening wordt uitgekeerd en de Escrow-agent te gelasten tot uitbetaling over te gaan aan eiseres sub 1, een en ander op straffe van een dwangsom,

-

(vordering 7) SHAPE en AFJCH te veroordelen tot betaling van bovenbedoelde bedragen aan eiseres sub 1,

-

een verklaring voor recht dat AJFCH en/of SHAPE op grond van de BOA’s aansprakelijk zijn voor betaling van € 11.445.139,00 (vordering 8) en een veroordeling tot betaling hiervan (vordering 9),

-

(vordering 10) AJFCH en SHAPE te gebieden om, al dan niet met tussenkomst van de RFWG, de Escrow-agent te gelasten de Escrow-rekening in stand te houden en te zorgen voor voldoende saldo hierop, totdat alle huidige en toekomstige vorderingen van Supreme onder de BOA’s, met uitzondering van de vorderingen 8 en 9, zijn afgewikkeld.

3.2.

AJFCH en SHAPE hebben nog geen materieel verweer gevoerd.

In het incident

3.3.

AJFCH en SHAPE vorderen:

-

dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart kennis te nemen van de vorderingen,

-

dat de rechtbank, voor zover de rechtbank de incidentele vordering afwijst, bepaalt dat tussentijds hoger beroep van het incidentele vonnis open staat ingevolge artikel 377 lid 2 Rv,

-

veroordeling van Supreme in de kosten van het geding.

3.4.

AJFCH en SHAPE leggen aan de vordering ten grondslag dat AJFCH en SHAPE als internationale organisaties immuniteit van jurisdictie hebben, zodat de Nederlandse rechter zich onbevoegd dient te verklaren. AJFCH en SHAPE stellen dat de bevoegdheidsvraag van fundamentele aard is, zodat hierover eerst een definitief oordeel moet worden gegeven alvorens eventueel aan een behandeling van de vordering ten gronde toe te komen.

3.5.

Supreme concludeert tot afwijzing van de vordering tot onbevoegdverklaring en afwijzing van het verzoek ex artikel 337 lid 2 Rv.

3.6.

Op de standpunten van partijen wordt hieronder – voor zover relevent – ingegaan.

4 De beoordeling

5 De beslissing