Home

Hoge Raad, 21-12-2018, ECLI:NL:HR:2018:2373, 17/06092

Hoge Raad, 21-12-2018, ECLI:NL:HR:2018:2373, 17/06092

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21 december 2018
Datum publicatie
27 december 2018
ECLI
ECLI:NL:HR:2018:2373
Formele relaties
Zaaknummer
17/06092

Inhoudsindicatie

Goederenrecht. Erfdienstbaarheid. Opheffing door rechter (art. 5:79 BW); ontbreekt redelijk belang bij uitoefening erfdienstbaarheid? Motivering dat sprake is van erfdienstbaarheid; onverenigbaarheid tussen de overwegingen in de uitspraak van het hof en het dictum?

Uitspraak

21 december 2018

Eerste Kamer

17/06092

TT/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [eiseres 1][eiseres 1] , gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [eiser 2] ,wonende te [woonplaats] ,

3. [eiseres 3] ,wonende te [woonplaats] ,

EISERS tot cassatie, verweerders in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. S.M. Kingma,

t e g e n

[verweerster] ,wonende te [woonplaats] ,

VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans.

Eisers zullen hierna gezamenlijk ook worden aangeduid als [eisers] en eiser onder 2 afzonderlijk als [eiser 2] . Verweerster zal hierna ook worden aangeduid als [verweerster] .

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. het vonnis in de zaak C/15/232420/ HA ZA 15-648 van de rechtbank Noord-Holland van 27 juni 2016;

b. het arrest in de zaak 200.199.082/01 van het gerechtshof Amsterdam van 26 september 2017.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eisers] beroep in cassatie ingesteld. [verweerster] heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De procesinleiding en het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. [eisers] hebben in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep tot referte geconcludeerd.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt zowel in het principale als in het incidentele beroep tot vernietiging en verwijzing.

De advocaat van [eisers] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3 Uitgangspunten in cassatie

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

( i) [verweerster] is eigenaar van percelen te [plaats] thans kadastraal bekend onder de nummers D169, D4049, D4172 en D4173. Het perceel D4049 betreft het woonhuis van [verweerster] aan de [a-straat 1-2] en het perceel D4173 betreft het daarnaast gelegen pad dat doorloopt over de direct achter het woonhuis gelegen percelen D169 en D4172, die [verweerster] verhuurt aan een van haar broers.

(ii) Schuin achter de percelen van [verweerster] liggen de percelen D40, D41, D3847, D3759 en D3760. Deze percelen zijn eigendom van [eisers] De percelen D3847 en D3760 grenzen aan de [b-straat] .

(iii) In opdracht van [eiser 2] heeft de bewaarder van het kadaster en de openbare registers op 1 juni 2015 onderzoek in de openbare registers gedaan naar inschrijvingen van erfdienstbaarheden ten laste van het perceel D4173 over de periode van 1 oktober 1838 tot en met 22 mei 2015. In de rapportage hiervan zijn onder andere vermeld een akte van 30 oktober 1888 en een akte van 15 februari 1921.

(iv) In de akte van 30 oktober 1888 is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“(...) voor het geval die percelen niet in eene massa mochten worden toegewezen zullen zij onderling gerechtigd en verplicht zijn tot de erfdienstbaarheden van weg zoals die voortvloeien uit de bestemming door den eigenaar aan de onderscheiden perceelen gegeven en zulks in volgender manieren:

1505 gaat over (...) ontvangt 169 (...), 41, 40, 37 en 38;

(...)

41 gaat over (...) 169 (...) 1505 (...);

40 gaat over (...) 169 (...) 1505 (...);

37 gaat over (...) 169 (...) 1505 (...);

38 gaat over (...) 169 (...) 1505 (...).

Het nummer 1505 is thans onder meer kadastraal bekend als 4173, de nummers 37 en 38 zijn thans bekend als 3760 en 3761.”

( v) In de akte van 15 februari 1921 is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“Zoo nodig wordt bij deze gevestigd het kostelooze recht van weg van- en naar den openbare weg, ten laste van: perceel 1 tot gebruik en ten nutte der perceelen 2, 3, 4, 5, en 6 (...). Voorgeschreven erfdienstbaarheden moeten worden uitgeoefend (...) op de minst bezwarende wijze.”

3.2

[verweerster] vordert in deze procedure, voor zover in cassatie van belang, primair een verklaring voor recht dat ten laste van de percelen D169, D4172 en D4173 geen erfdienstbaarheid van weg is gevestigd ten behoeve van de aan [eisers] in eigendom toebehorende percelen D40, D41, D3759 en D3760, subsidiair opheffing van de erfdienstbaarheid van weg, op de grond dat [eisers] bij de uitoefening van deze erfdienstbaarheid geen redelijk belang meer hebben en het niet aannemelijk is dat het redelijk belang zal terugkeren.

[eisers] hebben in reconventie gevorderd voor recht te verklaren dat ten laste van de aan [verweerster] in eigendom toebehorende percelen een erfdienstbaarheid van weg bestaat ten behoeve van de aan [eisers] in eigendom toebehorende percelen D40, D41, D3759 en D3760, en voorts [verweerster] te veroordelen om [eisers] in de gelegenheid te stellen onbelemmerd gebruik te maken van hun recht van weg.

3.3

De rechtbank heeft voor recht verklaard dat ten laste van de aan [verweerster] in eigendom toebehorende percelen D169, D4172 en D4173 een erfdienstbaarheid van weg is gevestigd ten behoeve van de aan [eisers] in eigendom toebehorende percelen D40, D41, D3759 en D3760, [verweerster] veroordeeld haar medewerking te verlenen aan een onbelemmerd gebruik van de erfdienstbaarheid van weg en bepaald dat aan de erfdienstbaarheid op de minst bezwarende wijze uitvoering moet worden gegeven, in die zin dat stapvoets wordt gereden op de aan [verweerster] toebehorende percelen.

3.4

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd met uitzondering van de verklaring voor recht dat ten laste van de aan [verweerster] in eigendom toebehorende percelen een erfdienstbaarheid van weg is gevestigd ten behoeve van de aan [eisers] in eigendom toebehorende percelen en, opnieuw rechtdoende, deze erfdienstbaarheid opgeheven.

Samengevat en voor zover in cassatie van belang heeft het hof hiertoe het volgende overwogen.

Hoewel er minst genomen serieuze twijfel over bestaat of de door [eisers] ingeroepen erfdienstbaarheid daadwerkelijk is gevestigd, zal het hof veronderstellenderwijs hiervan uitgaan. (rov. 3.8)

Uit de akte van 1888 valt op te maken dat het destijds de bedoeling van partijen was dat zij onderling respectievelijk gerechtigd en verplicht zijn tot erfdienstbaarheden van weg voor het geval de betrokken percelen “niet in eene massa mochten worden toegewezen.” De rechtbank heeft onbestreden overwogen dat voorwaarde voor het vestigen van de erfdienstbaarheid van weg was dat het ging om ingesloten percelen die geen toegang hadden tot de openbare weg. (rov. 3.12)

De situatie waarop bij de totstandkoming van de akte in 1888 werd gedoeld doet zich niet meer voor. De percelen van [eisers] vormen een aaneengesloten stuk grond dat volwaardige toegang heeft tot de [b-straat] via ten minste twee uitwegen. Onder deze omstandigheden hebben [eisers] geen redelijk belang meer bij de uitoefening van de erfdienstbaarheid. Het is evenmin aannemelijk dat een redelijk belang van [eisers] bij uitoefening daarvan zal terugkeren. Dat de toegang via de [b-straat] tot de percelen van [eisers] vanaf het adres van [eisers] verder is dan via de percelen van [verweerster] geldt in dit verband niet als een redelijk belang, nu dit slechts een beperkte afstand is die in enkele minuten kan worden overbrugd. (rov. 3.14)

4 Beoordeling van het middel in het principale beroep

5 Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

6 Beslissing