Hoge Raad, 12-11-2019, ECLI:NL:HR:2019:1762, 17/04469
Hoge Raad, 12-11-2019, ECLI:NL:HR:2019:1762, 17/04469
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 12 november 2019
- Datum publicatie
- 12 november 2019
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2019:1762
- Formele relaties
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1160
- In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2017:6457
- Zaaknummer
- 17/04469
Inhoudsindicatie
Economische zaak. Niet voldoen aan verplichting tot inschrijven van zijn onderneming in handelsregister, art. 47 Handelsregisterwet 2007. 1. Levert openbaar maken van persoonsgegevens van verdachte in handelsregister inbreuk op recht op privacy a.b.i. art. 8 EVRM op? 2. Is ’s Hofs overweging, in context van bespreking van HvJEU C-398/15, dat “voorgaande overwegingen mutatis mutandis van toepassing zijn op de openbaarmaking van gegevens betreffende een natuurlijke persoon die een onderneming drijft” begrijpelijk? HR: art. 81.1 RO.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 17/04469
Datum 12 november 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, Economische Kamer, van 26 juli 2017, nummer 21/006347-15, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de verdachte.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.G. Peters, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd. Nu deze reactie na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingekomen, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht.
2 Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde geheel voorwaardelijke geldboete van € 260,- en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.