Home

Parket bij de Hoge Raad, 24-09-2019, ECLI:NL:PHR:2019:1160, 17/04469

Parket bij de Hoge Raad, 24-09-2019, ECLI:NL:PHR:2019:1160, 17/04469

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
24 september 2019
Datum publicatie
12 november 2019
ECLI
ECLI:NL:PHR:2019:1160
Formele relaties
Zaaknummer
17/04469

Inhoudsindicatie

Economische zaak. Niet voldoen aan verplichting tot inschrijven van zijn onderneming in handelsregister, art. 47 Handelsregisterwet 2007. 1. Levert openbaar maken van persoonsgegevens van verdachte in handelsregister inbreuk op recht op privacy a.b.i. art. 8 EVRM op? 2. Is ’s Hofs overweging, in context van bespreking van HvJEU C-398/15, dat “voorgaande overwegingen mutatis mutandis van toepassing zijn op de openbaarmaking van gegevens betreffende een natuurlijke persoon die een onderneming drijft” begrijpelijk? HR: art. 81.1 RO.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer17/04469

Zitting 24 september 2019

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 26 juli 2017 door de Economische Kamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens ‘overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 47 van de Handelsregisterwet’ veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 260,-, subsidiair vijf dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. D.G. Peters, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Bij de strafgriffie van de Hoge Raad is een aan de rolraadsheer gericht schrijven van de raadsman van 15 maart 2019, met als onderwerp ‘Nadere stukken ivm advies A-G’, ingekomen. Nu dit stuk, dat naar het mij voorkomt moet worden aangemerkt als een schriftelijke toelichting als bedoeld in art. 438, tweede lid onder a, Sv, eerst na afloop van de in art. 4.3.9.2 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden gestelde termijn is ingekomen, kan daarop geen acht worden geslagen.1

3. Alvorens de middelen te bespreken zet ik uiteen waar het in de onderhavige zaak over gaat. Daarna geef ik kort de voor de onderhavige strafzaak belangrijke elementen uit de Handelsregisterwet 2007, het Handelsregisterbesluit 2008, de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot de Handelsregisterwet 2007 leidde en de nota van toelichting bij het Handelsregisterbesluit 2008 weer. En ik citeer onderdelen uit enkele rechtsinstrumenten betreffende de bescherming van persoonsgegevens alsmede uit een arrest van het Hof van Justitie waar de verdediging in de onderhavige zaak een beroep op heeft gedaan.

De onderhavige zaak

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

‘hij op 15 oktober 2013 te [plaats] en gemeente Utrecht, als degene aan wie een onderneming als bedoeld in artikel 5 onder b. van de Handelsregisterwet 2007 en artikel 2 lid 1 van het Handelsregisterbesluit 2008 toebehoorde, gevestigd aan de [a-straat 1] te [plaats] niet heeft voldaan aan de krachtens genoemde wet gestelde verplichting tot het doen van een opgave ter inschrijving van die onderneming voornoemd in het handelsregister.’

5. Deze bewezenverklaring rust op de volgende bewijsmiddelen:

‘1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de Belastingdienst/Bureau Economische Handhaving, genummerd 1360014778, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beiden buitengewoon opsporingsambtenaar van de Belastingdienst/Bureau Economische Handhaving, gesloten op 19 december 2013, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ter uitvoering van een mij gegeven opdracht stelde ik een onderzoek in naar de naleving van de Handelsregisterwet 2007 met betrekking tot de inschrijvingsplicht van:

Naam verdachte : [verdachte]

Voornamen : [verdachte]

Geboortedatum : [geboortedatum] 1965

Geboorteplaats : [geboorteplaats]

Adres : [a-straat 1]

Postcode/Woonplaats : [postcode] [plaats]

Rechtsvorm : éénmanszaak

Kamer van Koophandel : Midden-Nederland te Utrecht

Op 7 oktober 2013 heb ik, 1e verbalisant, de site van de Kamer van Koophandel geraadpleegd (www.kvk.nl) om te kijken of [verdachte] ingeschreven stond in het Handelsregister. Ik zag dat dit niet het geval was.

Op 7 oktober 2013 zag ik in het geautomatiseerde systeem van de Belastingdienst, het Aangifte Belasting Systeem (ABS), dat [verdachte] over het kalenderjaar 2012 aangifte inkomstenbelasting heeft gedaan. In deze aangifte geeft hij aan dat hij in 2012 een onderneming heeft waarvan het boekjaar loopt van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012.

In verband met deze mogelijke overtreding heb ik, 1e verbalisant, contact opgenomen met [verdachte] om een afspraak te maken voor het afleggen van zijn verklaring in deze.

Op woensdag 15 oktober 2013 bevonden wij, verbalisanten, ons op het adres [a-straat 1] , [postcode] [plaats] , zijnde het woonadres van [verdachte] . Nadat wij ons gelegitimeerd hadden als buitengewoon opsporingsambtenaar hebben wij hem het doel van onze komst uitgelegd, waarbij de verdachte erop werd gewezen dat hij niet tot antwoorden verplicht was.

Wij hoorden hier een persoon, die ons opgaf te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats] en wonende op het adres [a-straat 1] , [postcode] [plaats] .

[verdachte] verklaarde op onze vragen als volgt:

“Dat ik een bedrijf heb wil ik niet ontkennen. Ik weiger mij in te schrijven in het Handelsregister.”

2. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 12 juli 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb mijn onderneming ook nu niet ingeschreven.’

6. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is het verweer gevoerd dat het door de Kamer van Koophandel openbaar maken van bepaalde door de verdachte verstrekte gegevens onrechtmatig is. Beide middelen bouwen op dit verweer voort en klagen over ’s hofs verwerping. Daarom geef ik deze verwerping integraal weer.

7. Het hof overweegt na het verweer te hebben samengevat en toepasselijke wetsartikelen te hebben geciteerd als volgt:

Verstrekking van gegevens

Het hof stelt op grond van de hierboven weergegeven wetsartikelen het volgende vast. Van een natuurlijk persoon, aan wie een onderneming toebehoort, wordt in het handelsregister opgenomen het burgerservicenummer (hierna te noemen: BSN), het geslacht, de geboorteplaats, het geboorteland, de naam, het adres, de geboortedatum en (eventueel) de datum van overlijden. Van deze gegevens zijn alleen de naam, het adres, de geboortedatum en de datum van overlijden voor eenieder in te zien. Daarnaast kan onder bepaalde voorwaarden het adres van een natuurlijk persoon worden afgeschermd. Van een onderneming worden onder andere de handelsnaam, degene aan wie de onderneming toebehoort en de vestiging(en) geregistreerd. Over deze vestigingen wordt onder meer opgenomen het post- en bezoekadres. Al deze gegevens zijn ook voor eenieder in te zien. De gegevens worden door de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) op verzoek verstrekt.

Doelstelling

In artikel 2 Handelsregisterwet 2007 is als een van de doelstellingen opgenomen de bevordering van de rechtszekerheid in het economisch verkeer. In de memorie van toelichting van de Handelsregisterwet 2007 wordt ten aanzien van de doelstelling vermeld dat “het onderhavige register zowel het bijdragen aan het efficiënt functioneren van de overheid ten doel heeft als de doelen waarvoor het handelsregister indertijd is ingesteld. Deze laatste zijn bevordering van de rechtszekerheid in het economische verkeer en bevordering van de economische belangen van handel, industrie, ambacht en dienstverlening. In het handelsregister zijn belangrijke gegevens over en voor ondernemingen en rechtspersonen vastgelegd, zoals bijvoorbeeld wie tekeningsbevoegd is. Door het toegankelijk maken van deze gegevens biedt het handelsregister rechtszekerheid bij het aangaan van overeenkomsten, met zowel leveranciers als afnemers.” Over het openbaar maken van de gegevens wordt het volgende vermeld: “het beginsel van openbaarheid vloeit logisch voort uit een van de functies van het register namelijk het bevorderen van de rechtszekerheid in het economisch verkeer en het bevorderen van de economische belangen van handel, industrie, ambacht en dienstverlening.” Tot slot wordt vermeld dat “het beginsel van openbaarheid geldt ten aanzien van alle ondernemingen en rechtspersonen die in het register zullen zijn opgenomen, dus ook voor organisatievormen of rechtsvormen die thans niet zijn opgenomen in het handelsregister, zoals eenmanszaken in de landbouw en vrije beroepsbeoefenaren. In de geschiedenis van de Handelsregisterwet 1996 is de kring van ingeschrevenen vaker vergroot [...]. Destijds is besloten ten aanzien van openbaarheid geen uitzonderingspositie te creëren. Ook thans is geen aanleiding om ten aanzien van ondernemingen en rechtspersonen die nieuw zullen worden opgenomen in het register, een andere koers te varen.”

Het oordeel van het hof

Toegepast op het onderhavige geval stelt het hof vast dat verdachtes naam, privéadres en geboortedatum in het handelsregister geregistreerd worden en voor eenieder op verzoek ingezien kunnen worden. Van zijn onderneming kan ook het post- en bezoekadres worden ingezien, welke, volgens de verklaring van verdachte, hetzelfde is als zijn privéadres. Het privéadres van verdachte kan onder bepaalde voorwaarden op grond van artikel 51 van het Handelsregisterbesluit worden afgeschermd, zodat het niet door eenieder kan worden ingezien.

Ten aanzien van de verkoop van de bij de KvK geregistreerde gegevens betreffende verdachte aan adverteerders, zoals door de raadsman is aangevoerd, wijst het hof op de brief van de Kamer van Koophandel aan verdachte van 2 december 2009, die door verdachte aan het hof is verstrekt. In deze brief wordt vermeld dat verdachtes adres niet zal worden verstrekt aan derden voor mailingdoeleinden, indien hij dit bij inschrijving in het register aangeeft.

Artikel 8 EVRM

Het openbaar maken van de hierboven genoemde gegevens kan een inmenging zijn op het in artikel 8 EVRM vastgelegde recht op privéleven. Deze inmenging kan gerechtvaardigd zijn als deze bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving in het belang van bepaalde in artikel 8 lid 2 EVRM genoemde gronden.

De inmenging in het privéleven is bij wet voorzien. Naar het oordeel van het hof is, in het licht van de in de memorie van toelichting van de Handelsregisterwet 2007 genoemde doelstellingen, de inmenging noodzakelijk in het belang van het economisch welzijn. Uit de memorie van toelichting blijkt, dat aan het opnemen en openbaar maken van gegevens een belangenafweging ten grondslag heeft gelegen en dat de wetgever welbewust heeft gekozen voor de huidige regeling, die ook inhoudt dat bepaalde gegevens betreffende eenmanszaken openbaar zijn. De wetgever is daarbij kennelijk van oordeel geweest dat de daarmee gepaard gaande inbreuk op grondrechten van burgers gerechtvaardigd wordt door en niet onevenredig is in verhouding tot de daarmee te bereiken doelstellingen. Ook worden niet zonder meer alle gegevens openbaar gemaakt, maar heeft de wetgever een keuze gemaakt welke gegevens openbaar zijn en is voorzien in de mogelijkheid om bepaalde gegevens af te schermen, indien het openbaren daarvan een disproportionele inbreuk op het privéleven van een betrokkene zou maken.

Naar het oordeel van het hof is, gelet hier op, niet gebleken dat er sprake is van een onaanvaardbare inbreuk op het recht op privacy, zoals vastgelegd in artikel 8 EVRM.

De enkele omstandigheid dat, zoals is aangevoerd door de verdediging, in het handelsregister ook gegevens van bijvoorbeeld katvangers kunnen staan, maakt niet dat de doelstelling van het register in zijn geheel niet meer gediend zou kunnen worden met de openbaarheid van het register. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat door kwaadwillenden misbruik gemaakt zou kunnen worden van de voor eenieder verkrijgbare gegevens.

Verwerken van persoonsgegevens

Het recht op bescherming van persoonsgegevens is onder andere vastgelegd in artikel 10 van de Grondwet en in artikel 8 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Het recht is uitgewerkt in de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp).

Volgens artikel 6 Wbp worden persoonsgegevens in overeenstemming met de wet en op behoorlijke en zorgvuldige wijze verwerkt. Artikel 7 Wbp bepaalt dat persoonsgegevens voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verwerkt. Op grond van artikel 8 sub c Wbp mogen persoonsgegevens worden verwerkt indien dit noodzakelijk is om een wettelijke verplichting na te komen waaraan de verantwoordelijke is onderworpen.

Het hof neemt in aanmerking het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 9 maart 2017 (zaak C-398/15, ECLI:EU:C:2017:197). In rechtsoverweging 32 overweegt het Hof dat “uit artikel 2, lid 1, onder d), van richtlijn 68/151 volgt dat de lidstaten de nodige maatregelen moeten nemen opdat de verplichte openbaarmaking betreffende vennootschappen tenminste plaatsvindt voor [...] de identiteit van de personen die [...] de bevoegdheid hebben de betrokken vennootschap ten opzichte van derden te verbinden en haar in rechte te vertegenwoordigen [...].” Uit artikel 3 van dezelfde richtlijn volgt daarnaast dat deze gegevens ingeschreven worden in een handelsregister en moet een volledig of gedeeltelijk afschrift van de gegevens op aanvraag verkrijgbaar zijn.

Vervolgens overweegt het Hof van Justitie dat de bovengenoemde verwerking van persoonsgegevens in overeenstemming is met een aantal in artikel 7 van richtlijn 95/46 neergelegde toelaatbaarheidsgronden, “namelijk de onder c) genoemde grond met betrekking tot het nakomen van een wettelijke verplichting, de onder e) genoemde grond met betrekking tot de uitoefening van het openbaar gezag of de vervulling van een taak van algemeen belang, en de onder f) genoemde grond met betrekking tot de behartiging van een gerechtvaardigd belang van de voor de verwerking verantwoordelijke of van de derden aan wie de gegevens worden verstrekt.”

Naar het oordeel van het hof zijn voorgaande overwegingen mutatis mutandis van toepassing op de openbaarmaking van gegevens betreffende een natuurlijk persoon die een onderneming drijft.

De verwerking van persoonsgegevens door de KvK is, gelet op hetgeen hiervoor is weergegeven met betrekking tot de doelstelling van de Handelsregisterwet en het doel van de verwerking, de in de wet vervatte waarborgen, de geboden mogelijkheid tot inzage, correctie en verwijdering van persoonsgegevens en het hierboven aangehaalde arrest van het Hof van Justitie, niet onrechtmatig jegens verdachte.

In het licht van het voorgaande is het hof tevens van oordeel dat er geen grond is voor het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.’

De Handelsregisterwet 2007

8. De huidige Handelsregisterwet 20072 (verder ook: Hrw) heeft de Handelsregisterwet 19963 vervangen. Deze wet strekt mede ter implementatie van verplichtingen die voortvloeien uit richtlijnen. Richtlijn 68/151/EEG4, thans niet meer van kracht, verplichtte tot openbaarmaking van nader omschreven ‘akten en gegevens’ betreffende nader omschreven ‘vennootschappen’. Nadien was van kracht Richtlijn 2009/101/EG5; thans is van kracht Richtlijn (EU) 2017/11326. Ook deze richtlijnen zien alleen op daarin omschreven vennootschappen, en zijn daarmee voor de onderhavige zaak niet rechtstreeks van belang.

9. De wet bepaalt dat er een handelsregister is ‘van ondernemingen en rechtspersonen’. Door de wet erkende doelstellingen zijn (a) de ‘bevordering van de rechtszekerheid in het economisch verkeer’; (b) ‘de verstrekking van gegevens van algemene, feitelijke aard omtrent de samenstelling van ondernemingen en rechtspersonen ter bevordering van de economische belangen van handel, industrie, ambacht en dienstverlening’ en (c) ‘het registreren van alle ondernemingen en rechtspersonen als onderdeel van de gegevenshuishouding die bijdraagt aan het efficiënt functioneren van de overheid’ (art. 2 Hrw). Het handelsregister wordt gehouden door de Kamer van Koophandel (art. 3 Hrw).7 In het handelsregister wordt onder meer ingeschreven (b.) ‘een onderneming die in Nederland gevestigd is en die toebehoort aan een natuurlijke persoon’ (art. 5 Hrw). Bij algemene maatregel van bestuur ‘kan nader worden bepaald wanneer sprake is van een onderneming’ (art. 8 Hrw). De gegevens die over een onderneming worden opgenomen zijn: ‘a. een door de Kamer toegekend uniek nummer; b. de handelsnaam of de handelsnamen; c. de datum van aanvang, voortzetting of beëindiging; d. degene aan wie de onderneming toebehoort; e. de vestigingen’ (art. 9 Hrw). Over degene aan wie een onderneming toebehoort, indien deze een natuurlijke persoon is, worden de volgende gegevens opgenomen: ‘a. het burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer, het geslacht, de geboorteplaats en het geboorteland; b. de naam; c. het adres; d. de geboortedatum; e. de datum van overlijden’ (art. 10, tweede lid, Hrw). Over een vestiging van een onderneming wordt opgenomen: ‘a. een door de Kamer toegekend uniek nummer; b. de handelsnaam of handelsnamen; c. het post- en bezoekadres; d. de datum van ingebruikname en beëindiging’ (art. 11 Hrw). In het handelsregister worden voorts gegevens opgenomen ‘die noodzakelijk zijn voor een goede vastlegging en verstrekking van de in artikel 9 tot en met artikel 14 bedoelde gegevens en gegevens omtrent de herkomst van die gegevens’ (art. 16, eerste lid, Hrw). Bij algemene maatregel van bestuur ten slotte kan onder meer worden bepaald ‘a. dat andere gegevens dan de in artikel 9 tot en met 14 genoemde gegevens in het handelsregister worden opgenomen of dat bescheiden bij het handelsregister worden gedeponeerd voor zover dit van belang is voor de in artikel 2, onderdeel a en b, genoemde doelen en er geen gewichtige redenen zijn die zich daartegen verzetten; b. dat in het handelsregister opgenomen gegevens worden overgenomen uit een ander basisregister’ (art. 17, eerste lid, Hrw). De wet maakt het ook meer in het algemeen mogelijk om in het geval ‘in deze wet geregelde of daarmee verband houdende onderwerpen in het belang van een goede uitvoering van de wet (...) regeling of nadere regeling behoeven’, dat te doen bij algemene maatregel van bestuur (art. 51 Hrw). Tot het doen van opgave ter inschrijving ‘is verplicht degene aan wie een onderneming toebehoort’ (art. 18, eerste lid, Hrw).8

10. De op de Handelsregisterwet 2007 gebaseerde algemene maatregel van bestuur is het Handelsregisterbesluit 20089 (verder ook: Hrb). Daarin is bepaald dat van een onderneming sprake is ‘indien een voldoende zelfstandig optredende organisatorische eenheid van één of meer personen bestaat waarin door voldoende inbreng van arbeid of middelen, ten behoeve van derden diensten of goederen worden geleverd of werken tot stand worden gebracht met het oogmerk daarmee materieel voordeel te behalen’ (art. 2, eerste lid, Hrb). Voorgeschreven is dat in het handelsregister over een onderneming worden opgenomen: ‘a. het aantal werkzame personen, onderverdeeld naar vestiging, op de eerste werkdag na 30 april van enig kalenderjaar; b. een korte aanduiding van de uitgeoefende activiteit of activiteiten; c. de naam van de berichtenbox van het centraal loket, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, onder 2o van de Dienstenwet’ (art. 11 Hrb). Indien een onderneming toebehoort aan een natuurlijk persoon worden in het handelsregister voorts ‘de handtekening en de geslachtsaanduiding van deze persoon opgenomen’ (art. 16 Hrb). Over een vestiging worden opgenomen ‘a. het telefoonnummer, het faxnummer, het e-mailadres en het internetadres; b. een korte aanduiding van de uitgeoefende activiteit of activiteiten’ (art. 35 Hrb). De persoonlijke gegevens van natuurlijke personen, met uitzondering van de handtekening, ‘worden overgenomen uit de basisregistratie personen, met inbegrip van de datum waarop wijzigingen van die gegevens zijn ingegaan’ (art. 43 Hrb).10

11. De Handelsregisterwet 2007 bevat ook regels betreffende de inzage in en verstrekking van gegevens. Onder meer de in artikel 9, 10, met uitzondering van het tweede lid, onderdeel a, 11, 16, tweede lid, 17 (eerste lid) onder a bedoelde gegevens, en de krachtens wettelijk voorschrift gedeponeerde bescheiden kunnen door een ieder worden ingezien (art. 21, eerste lid, Hrw). Een handtekening kan niet in elektronische vorm worden ingezien (art. 21, tweede lid, Hrw). De Kamer van Koophandel verstrekt op verzoek ‘een afschrift van of uittreksel uit de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 21’ (art. 22, eerste en derde lid, Hrw). Bij algemene maatregel van bestuur kunnen evenwel ‘ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de personen die in het handelsregister staan ingeschreven voor daarbij aangewezen gegevens of bescheiden of categorieën van gegevens of bescheiden, beperkingen worden vastgesteld ten aanzien van het bepaalde in de artikelen 21, 22 en 28’ (art. 23 Hrw). De wet bevat nadere regels omtrent de ‘Verstrekking van gegevens aan bestuursorganen en gebruik van gegevens door bestuursorganen’ (hoofdstuk 5).

12. Het Handelsregisterbesluit 2008 biedt nader omschreven mogelijkheden tot afscherming van gegevens in hoofdstuk 8, dat op ‘Verstrekking van gegevens’ ziet. Geregeld is onder meer dat het adres van een natuurlijk persoon op zijn verzoek kan worden afgeschermd ‘tegen inzage door anderen dan bestuursorganen, als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht, advocaten, deurwaarders, notarissen en de in artikel 28, derde lid, van de wet genoemde organisaties, indien: a. er sprake is van een waarschijnlijke dreiging; b. het woonadres in het handelsregister niet kan worden ingezien met betrekking tot een andere onderneming; c. betrokkene niet beschikt over een openbaar telefoonnummer; d. deze persoon zelf maatregelen heeft genomen om de bekendheid van zijn adres te verminderen, en e. het belang van afscherming zwaarder weegt dan de rechtszekerheid in het economisch verkeer’ (art. 51, derde lid, Hrb).

13. De in art. 5 Handelsregisterwet 2007 genoemde in het handelsregister ingeschreven ondernemingen zijn verplicht ervoor te zorgen dat op alle van die onderneming uitgaande ‘brieven, orders, facturen, offertes en andere aankondigingen, met uitzondering van reclames, is vermeld onder welk nummer deze in het handelsregister is ingeschreven’ (art. 27, eerste lid, Hrw). De Kamer van Koophandel treft maatregelen ‘die ertoe strekken te waarborgen dat het handelsregister juist, actueel en volledig is’ (art. 40 Hrw). Eens per drie jaar laat zij ‘de uitvoering van deze wet alsmede de juistheid van de in het handelsregister opgenomen gegevens controleren door een accountant’ (art. 41, eerste lid, Hrw). De wet verbiedt ten slotte ‘te handelen in strijd met dan wel niet te voldoen aan een bij of krachtens deze wet gestelde verplichting tot het doen van een opgave ter inschrijving in het handelsregister’ (art. 47 Hrw).

14. De Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat uiteindelijk tot de Handelsregisterwet 2007 leidde, bevat onder meer de volgende passages (met weglating van voetnoten):11

‘1.1. Inleiding

‘1.2 Wetgeving voor een basisregistratie voor ondernemingen en rechtspersonen

‘1.3 Doelstelling

‘2.2 Openbaarheid register

‘2.3 Welke gegevens komen in het register

‘3.4 Rechtsbescherming

‘3.5 Handhaving

‘4.1 Privacywetgeving

‘Artikel 17

‘Artikel 21

‘Artikel 47

Bescherming van persoonsgegevens

Het eerste middel

‘(b) Article 8, the right to privacy and data protection

Het tweede middel