Home

Hoge Raad, 15-02-2019, ECLI:NL:HR:2019:236, 17/06021

Hoge Raad, 15-02-2019, ECLI:NL:HR:2019:236, 17/06021

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15 februari 2019
Datum publicatie
15 februari 2019
ECLI
ECLI:NL:HR:2019:236
Formele relaties
Zaaknummer
17/06021

Inhoudsindicatie

Ondernemingsrecht; bestuurdersaansprakelijkheid. Vennootschap kan huurgarantie niet nakomen. Zijn bestuurders persoonlijk aansprakelijk omdat zij hebben bewerkt of toegelaten dat de vennootschap haar verplichtingen niet nakomt (HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758)? Onbekendheid bestuurders met rechtsregel van HR 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1244; verschil met periode na het arrest van 2013.

Uitspraak

15 februari 2019

Eerste Kamer

17/06021

TT/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

BELEGGINGS- EN EXPLOITATIEMAATSCHAPPIJ NIEUWBUREN B.V.,gevestigd te Amsterdam,

EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. H.J.W. Alt,

t e g e n

1. [verweerder 1],wonende te [woonplaats],

2. [verweerder 2],wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie, eisers in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk.

Eiseres zal hierna ook worden aangeduid als Nieuwburen en verweerders gezamenlijk als [verweerders]

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. het vonnis in de zaak 3919898 CV EXPL 15-5516 van de kantonrechter te Amsterdam van 16 juni 2015;

b. de vonnissen in de zaak C/13/590201/HA ZA 15-631 van

de rechtbank Amsterdam van 9 september 2015 en 30 maart 2016;

c. het arrest in de zaak 200.190.762/01 van het gerechtshof Amsterdam van 19 september 2017.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft Nieuwburen beroep in cassatie ingesteld. [verweerders] hebben voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De procesinleiding en het verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. Voor Nieuwburen mede door mr. W.A. Jacobs en voor [verweerders] mede door mr. B.M.H. Fleuren.

De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt in het principale cassatieberoep tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing en in het incidentele cassatieberoep tot verwerping.

De advocaten van partijen hebben ieder schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3 Uitgangspunten in cassatie

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

( i) [verweerder 1] was eigenaar van grond met bedrijfsruimten te Haarlem. In 1999 heeft hij de grond met bedrijfsruimten in gebruik gegeven aan drie garagebedrijven waarvan hijzelf en [verweerder 2] bestuurder waren.

(ii) In 2002 heeft [verweerder 1] de grond met bedrijfsruimten te koop aangeboden. De aanbiedingsbrief van de verkopend makelaar aan potentiële gegadigden, onder wie Nieuwburen, houdt in:

“De huurder is een werkmaatschappij van een financieel krachtige onderneming, waarbij de huur door de holding zal worden gegarandeerd.”

(iii) Eveneens in 2002 heeft [verweerder 1] de grond met bedrijfsruimten aan Nieuwburen verkocht en heeft levering daarvan aan Nieuwburen plaatsgevonden. Tegelijk met de levering kwam tussen Nieuwburen als verhuurder en de drie garagebedrijven van [verweerders] als huurders een huurovereenkomst tot stand voor de duur van tien jaar met een huurprijs van € 343.866,-- exclusief btw per jaar.

(iv) In art. 9.4.8. van de huurovereenkomst heeft de enig aandeelhoudster van de garagebedrijven, [A] B.V. (hierna: [A]) – van welke vennootschap [verweerders] bestuurder waren – zich garant gesteld voor de nakoming van de verplichtingen van de garagebedrijven uit de huurovereenkomst. De tekst van de garantie luidt, voor zover in cassatie van belang:

“9.4.8. De medeondergetekende [A] B.V., (...) ten deze vertegenwoordigd door één harer directeuren de heer [verweerder 1], verklaart zich bij deze garant te stellen voor de nakoming van de verplichtingen voortvloeiende uit deze huurovereenkomst.”

( v) In art. 2.1 van de huurovereenkomst zijn de Algemene bepalingen huurovereenkomst winkelruimte volgens het ROZ-model 1994 van toepassing verklaard. Die bepalingen houden onder meer in:

“7.1 Indien huurder (...)

- in staat van faillissement wordt verklaard;

(...)

heeft verhuurder het recht de huurovereenkomst tussentijds te (laten) beëindigen. (...)

7.3

Huurder is gehouden om aan verhuurder te vergoeden alle schade, kosten en interessen als gevolg van een in 7.1 bedoelde omstandigheid en als gevolg van tussentijdse beëindiging van de huurovereenkomst, ook in geval van faillissement en surséance van betaling. Tot die schade worden in ieder geval gerekend de huurprijs, de vergoeding voor bijkomende leveringen en diensten, waaronder begrepen (...) alle kosten van maatregelen zowel in als buiten rechte door verhuurder getroffen, daaronder begrepen die van rechtskundige bijstand in verband met een omstandigheid als in 7.1 vermeld.”

(vi) Bij vonnis van 20 januari 2009 zijn de garagebedrijven failliet verklaard. De curator heeft de huurovereenkomst op de voet van art. 39 Fw opgezegd tegen 20 april 2009. [A] heeft ingevolge art. 9.4.8. van de huurovereenkomst de tot die datum verschuldigde huurprijs voldaan. Nieuwburen heeft vervolgens, mede op de voet van het hiervoor onder (v) geciteerde art. 7.3 van de Algemene bepalingen huurovereenkomst winkelruimte, de veroordeling gevorderd van [A] tot vergoeding van schade wegens gemis van de huur over de periode van 21 april 2009 tot en met mei 2009 ten bedrage van € 46.307,29. De toewijzing van die vordering is onherroepelijk geworden en [A] heeft die vordering voldaan.

(vii) Nieuwburen heeft per 1 juni 2013 een nieuwe huurder gevonden.

3.2.1

In deze procedure vordert Nieuwburen onder meer hoofdelijke veroordeling van [verweerders] tot vergoeding van schade als gevolg van gemis van de huur op de grond dat [verweerders] als bestuurders van [A] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt van de niet-nakoming van de garantie door [A] na mei 2009 (art. 6:162 BW). De rechtbank heeft de vordering afgewezen.

3.2.2

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen:

“3.7 Met de vierde grief komt Nieuwburen subsidiair op tegen de hiervoor in rov. 3.4 weergegeven oordelen van de rechtbank, met conclusie dat hen als bestuurders van [A] wel degelijk persoonlijk een ernstig verwijt treft van de niet nakoming door [A] van de garantie. Nieuwburen is daarbij voor beide ankers, gaan liggen, te weten:

1. [verweerders] zijn namens [A] de garantie-verplichting aangegaan, terwijl zij wisten of redelijkerwijs moesten weten dat [A] niet aan de daaruit voortvloeiende verplichtingen zou kunnen voldoen;

2. [verweerders] hebben bewerkstelligd of toegelaten dat [A] haar verplichtingen uit de garantie niet zou kunnen nakomen.

3.8

Voor zover de grief zich keert tegen het oordeel van de rechtbank dat [verweerders] bij het aangaan van de garantie door [A] geen rekening ermee hoefde te houden dat de garagebedrijven in 2009 zouden failleren, slaagt de grief. Een faillissement van de garagebedrijven moet bij uitstek worden beschouwd als de verwezenlijking van het gevaar waarvoor de garantie was bedoeld, namelijk dat de garagebedrijven hun verplichtingen niet meer zelf zouden kunnen nakomen en geen verhaal meer zouden bieden voor de dientengevolge geleden schade.

3.9

Onbekendheid met een bepaalde rechtsregel kan echter van belang zijn voor de mate van verwijtbaarheid van een bestuurder ([verweerders]) voor de niet-nakoming door de vennootschap ([A]) waarvan hij de bestuurder is (ECLI:NL:HR:2015:499). De rechtbank heeft de bestuurdersaansprakelijkheid van [verweerders] mede doen afstuiten op hun onbekendheid met de regel van [HR 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1244, gewezen tussen Nieuwburen en [A]].

3.10

Vastgesteld wordt dat Nieuwburen op dit oordeel van de rechtbank in het geheel niet heeft gerespondeerd. Het hof is daarom aan dat oordeel gebonden, in dier voege dat ervan moet worden uitgegaan dat [verweerders] onbekend waren met bedoelde rechtsregel en dat die onbekendheid eraan in de weg staat dat hen persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt van het door [A] onbetaald laten van en geen verhaal bieden voor de gederfde huurpenningen waarvan Nieuwburen in dit geding de betaling vordert. Daarop stuit ook in hoger beroep de op bestuurdersaansprakelijkheid gestoelde vordering af.”

4 Beoordeling van het middel in het principale beroep

5 Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

6 Beslissing