Hoge Raad, 02-02-2021, ECLI:NL:HR:2021:112, 19/02780
Hoge Raad, 02-02-2021, ECLI:NL:HR:2021:112, 19/02780
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 2 februari 2021
- Datum publicatie
- 2 februari 2021
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2021:112
- Formele relaties
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:733
- Zaaknummer
- 19/02780
Inhoudsindicatie
Cassatie in het belang van de wet. Profijtontneming. Gevolgen van faillissement voor geldboete of ontnemingsmaatregel, wanneer faillissement wordt beëindigd door gehomologeerd akkoord tussen gefailleerde en zijn schuldeisers. 1. Vanaf welk moment kan OvJ o.g.v. art. 94d.3 Sv als schuldeiser namens Staat opkomen in faillissement i.v.m. geldboete of ontnemingsmaatregel? 2. Welke gevolgen heeft gehomologeerd akkoord in faillissement voor tenuitvoerlegging van geldboete of ontnemingsmaatregel? 3. Heeft het niet als voorwaardelijke vordering indienen van ontnemingsvordering tot gevolg dat vordering niet valt onder werking van gehomologeerd akkoord?
Ad 1. M.b.t. ontnemingsmaatregel kan zich al voorafgaand aan behandeling van ontnemingsvordering de situatie voordoen dat, voor toepassing van art. 94d.3 Sv, oplegging van ontnemingsmaatregel door strafrechter is “te verwachten”. Dat is het geval wanneer OvJ ontnemingsvordering ex art. 511c.1 Sv aanhangig heeft gemaakt. Geldboete betreft geen maatregel, maar straf. Mede gelet op straftoemetingsvrijheid van strafrechter, ontstaat bevoegdheid van OvJ om op te komen in faillissement eerst wanneer strafrechter een geldboete heeft opgelegd. Als die uitspraak op het moment van intreden van faillissement nog niet onherroepelijk is, wordt OvJ geacht voor voorwaardelijke vordering op te komen. In gevallen waarin OvJ o.g.v. art. 94d.3 Sv bevoegd is op te komen in faillissement maar geldboete of ontnemingsmaatregel nog niet onherroepelijk is opgelegd, komt OvJ op voor voorwaardelijke vordering, zodat curator die vordering uitsluitend voorwaardelijk kan toelaten in faillissement. Wat betreft waardering van vordering geldt dat, totdat geldboete of ontnemingsmaatregel onherroepelijk is opgelegd, hoogte daarvan onzeker is, terwijl het niet aan curator maar aan OvJ is om bedrag te bepalen.
Ad 2. Art. 157 Fw bepaalt dat gehomologeerd akkoord verbindend is voor alle geen voorrang hebbende schuldeisers, ook als zij niet in faillissement zijn opgekomen. In die gevallen waarin OvJ o.g.v. art. 94d.3 Sv als schuldeiser namens Staat kan opkomen in faillissement i.v.m. geldboete of ontnemingsmaatregel, is akkoord dus verbindend t.a.v. deze vordering van Staat, ongeacht of OvJ namens Staat daadwerkelijk is opgekomen in faillissement. Voor geldboete en ontnemingsmaatregel betekent homologatie van akkoord dat geen verhaal o.g.v. (art. 6:4:9 Sv jo.) art. 6:4:4, 6:4:5 of 6:4:6 Sv kan plaatsvinden. Ook toepassing van gijzeling a.b.i. art. 6:6:25 Sv met het oog op voldoening van ontnemingsmaatregel is dan niet toegelaten. Waar het gaat om een m.b.t. onherroepelijk opgelegde geldboete bevolen vervangende hechtenis, geldt dat homologatie van akkoord niet in de weg staat aan tul van die vervangende hechtenis. M.b.t. faillissementen die zijn uitgesproken sinds 1-1-2019 en die eindigen na homologatie van akkoord, geldt o.g.v. art. 161a Fw dat verifieerbare vorderingen die niet binnen de termijn van art. 127 Fw zijn ingediend ter verificatie niet langer afdwingbaar zijn, tenzij schuldeiser redelijkerwijs niet in staat was vordering binnen bedoelde termijn voor verificatie in te dienen. Dit betekent dat in het geval dat OvJ o.g.v. art. 94d.3 Sv in faillissement kan opkomen i.v.m. geldboete of ontnemingsmaatregel maar hij vordering niet tijdig ter verificatie indient, terwijl faillissement vervolgens eindigt met homologatie van akkoord, hieraan in beginsel het in art. 161a Fw genoemde gevolg is verbonden en dus geen verhaalsmaatregelen kunnen worden getroffen. In het geval dat OvJ voornemens is oplegging van geldboete of ontnemingsmaatregel te vorderen maar hij op het moment van intreden van faillissement (nog) niet bevoegdheid van art. 94d.3 Sv heeft om op te komen in faillissement, zal geen uitdeling in dat faillissement aan Staat kunnen plaatsvinden.
Ad 3. ’s Hofs oordeel is, gelet op wat hiervoor is overwogen, onjuist. Nu hof - in aanmerking genomen dat faillissement is uitgesproken nadat ontnemingsvordering aanhangig was gemaakt - niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld dat Staat bevoegdheid had om met voorwaardelijke vordering in faillissement van betrokkene op te komen, was Staat gebonden aan gehomologeerd akkoord.
Volgt vernietiging in het belang van de wet.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 19/02780 CW
Datum 2 februari 2021
ARREST
op het beroep in cassatie in het belang van de wet van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden tegen een beschikking van het gerechtshof Den Haag van 27 juni 2018, nummer 22-000001-05, in de zaak
van
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] 1941,
hierna: de betrokkene.
1 Procesverloop en de beschikking van het hof
Bij de beoordeling van de beschikking van het hof kan van het volgende worden uitgegaan.
De rechtbank Den Haag heeft op 2 augustus 2004 aan de betrokkene een betalingsverplichting van € 186.049,88 opgelegd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Op 16 juni 2006 heeft het gerechtshof Den Haag in hoger beroep een ontnemingsmaatregel opgelegd met een betalingsverplichting van € 285.700. Dit arrest van het hof is op 1 juli 2006 onherroepelijk geworden.
Bij vonnis van 29 september 2004 is de betrokkene door de rechtbank Den Haag failliet verklaard. Dit faillissement is op 18 april 2009 beëindigd na homologatie van een bereikt akkoord. De Staat is niet met de ontnemingsvordering in het faillissement van de betrokkene opgekomen.
Het hof heeft een verzoek als bedoeld in artikel 577b (oud) van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van de betrokkene tot kwijtschelding of vermindering van het ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel te betalen bedrag gedeeltelijk toegewezen. Het hof heeft de opgelegde betalingsverplichting vanwege de draagkracht van de betrokkene verminderd tot het bedrag dat de betrokkene op 30 juni 2018 feitelijk zal hebben voldaan, met dien verstande dat per 1 juli 2018 een betalingsverplichting van € 0 resteert.
2 Het cassatieberoep
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft beroep in cassatie in het belang van de wet ingesteld. De voordracht tot cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De vordering strekt tot vernietiging van de beschikking van het hof.
3 Waar het in deze zaak om gaat
In deze zaak gaat het om de vraag wat de gevolgen zijn van een faillissement van een natuurlijk persoon of een rechtspersoon voor een nog op te leggen of al opgelegde geldboete of ontnemingsmaatregel, wanneer het faillissement wordt beëindigd door een gehomologeerd akkoord. Een dergelijk akkoord wordt gesloten tussen de gefailleerde en zijn schuldeisers. Hierin worden afspraken gemaakt over een (gedeeltelijke) voldoening van de schulden. Dit akkoord dient vervolgens te worden bekrachtigd (gehomologeerd) door de rechter. Zodra de homologatie van het akkoord in kracht van gewijsde is gegaan, eindigt het faillissement.
De advocaat-generaal heeft cassatie in het belang van de wet ingesteld omdat nog onduidelijk is of en in welke gevallen de Staat gebonden is aan een gehomologeerd akkoord. De advocaat-generaal stelt in zijn vordering twee vragen centraal. Ten eerste, heeft een gehomologeerd akkoord in het faillissement van de verdachte of de veroordeelde gevolgen voor de tenuitvoerlegging van een opgelegde of op te leggen geldboete of ontnemingsmaatregel? De tweede vraag is vanaf welk moment de officier van justitie als schuldeiser namens de Staat kan opkomen in het faillissement in verband met een verwachte geldboete of ontnemingsmaatregel.