Home

Parket bij de Hoge Raad, 25-08-2020, ECLI:NL:PHR:2020:733, 19/02780

Parket bij de Hoge Raad, 25-08-2020, ECLI:NL:PHR:2020:733, 19/02780

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25 augustus 2020
Datum publicatie
27 augustus 2020
ECLI
ECLI:NL:PHR:2020:733
Formele relaties
Zaaknummer
19/02780

Inhoudsindicatie

Vordering tot cassatie in belang der wet. Verzoek tot vermindering of kwijtschelding bedrag ontnemingsmaatregel ex art. 577b Sv (m.i.v. 1-1-2020 art. 6:6:26 Sv) i.v.m. homologatie van akkoord in faillissement van betrokkene. Faillietverklaring na oplegging ontnemingsmaatregel in eerste aanleg en vóór oplegging daarvan in hoger beroep. Vordering gaat in op (1) gevolgen van gehomologeerd akkoord in faillissement voor tenuitvoerlegging van ontnemingsmaatregel en (2) vraag vanaf welk moment OvJ als schuldeiser namens Staat ex art. 94.3 Sv kan opkomen in faillissement i.v.m. verwachte ontnemingsmaatregel.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/02780 CW

Zitting 25 augustus 2020

VORDERING TOT CASSATIE

IN

HET BELANG DER WET

B.F. Keulen

In de zaak

[betrokkene],

geboren op [geboortedatum] 1941,

hierna: de betrokkene.

1. Deze vordering tot cassatie in het belang der wet betreft een beschikking van het Gerechtshof Den Haag van 27 juni 2018 in een procedure uit hoofde van het toenmalige art. 577b Sv (vgl. het huidige art. 6:6:26 Sv).1 Het hof heeft een eerder aan de veroordeelde opgelegde betalingsverplichting bij die beschikking verminderd ‘tot het bedrag dat de veroordeelde op 30 juni 2018 feitelijk zal hebben voldaan, met dien verstande dat per 1 juli 2018 een betalingsverplichting van € 0 resteert’.

2. Tegen de beschikking staat ingevolge art. 445 Sv geen gewoon beroep in cassatie open. Cassatie in het belang der wet is wel mogelijk (art. 78 RO in verband met art. 456 Sv).

3. In deze zaak spelen twee vragen die de verhouding tussen een vordering van de Staat voortvloeiend uit een boete of ontnemingsmaatregel en het faillissement van de verdachte of veroordeelde betreffen. De eerste vraag is of een gehomologeerd akkoord in dat faillissement gevolgen heeft voor de tenuitvoerlegging van een opgelegde of op te leggen boete of ontnemingsmaatregel. De tweede vraag is vanaf welk moment de officier van justitie als schuldeiser namens de Staat kan opkomen in het faillissement in verband met een verwachte boete of ontnemingsmaatregel. 2 Voorafgaand aan de bespreking van de zaak en deze vragen ga ik kort in op (1) onderdelen van de wetgeving betreffende de ontnemingsmaatregel en de parlementaire behandeling daarvan, alsmede rechtspraak van de strafkamer van Uw Raad, (2) elementen uit Aanwijzingen van het openbaar ministerie, (3) wetgeving en rechtspraak betreffende het gehomologeerd akkoord in faillissement.

De ontnemingsmaatregel en het faillissement van de veroordeelde

4. Bij de verruiming van de mogelijkheden tot toepassing van de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in de jaren ’90 van de vorige eeuw is een nieuw art. 94d Sv ingevoerd.3 Dat artikel luidde als volgt:

‘1. Tot bewaring van het recht tot verhaal kan de officier van justitie namens de staat de bevoegdheden uitoefenen, welke in het Burgerlijk Wetboek zijn toegekend aan een schuldeiser die in zijn verhaalsmogelijkheden is benadeeld als gevolg van een onverplicht door de schuldenaar verrichte rechtshandeling.

2. Voor de toepassing van de artikelen 46 en 47, Boek 33, van het Burgerlijk Wetboek geldt het in die artikelen bedoelde vermoeden van wetenschap voor rechtshandelingen welke door de verdachte of veroordeelde zijn verricht binnen één jaar vóór het tijdstip waarop de vervolging tegen hem is aangevangen.

3. De officier van justitie heeft voorts tot bewaring van het recht tot verhaal de bevoegdheid namens de staat als schuldeiser in het faillissement van de verdachte of veroordeelde op te komen. Zolang het bedrag van de boete of van het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel nog niet vaststaat wordt hij geacht voor een voorwaardelijke vordering op te komen.

4. De officier van justitie behoudt de in de eerste twee leden bedoelde bevoegdheden ondanks faillissement, voor zover de voorwerpen waarop de onverplichte rechtshandelingen betrekking hebben, niet door de curator op grond van de artikelen 42 tot en met 51 van de Faillissementswet worden opgevorderd.’

5. Alleen in het eerste lid zijn nadien twee wijzigingen aangebracht.4 Na ‘Burgerlijk Wetboek’ is ingevoegd: ‘en in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering’. En aan het slot van het eerste lid is een zin toegevoegd, luidend: ‘Artikel 94c, onder c en e, is van overeenkomstige toepassing’.

6. Voor het vervolg zijn vooral het derde en vierde lid van belang. De memorie van toelichting bevat inzake deze beide leden van art. 94d Sv de volgende passage:

‘Ten slotte behoeft hier het voorgestelde artikel 94d nog nadere toelichting. Kort gezegd houdt dit artikel in dat de officier van justitie, ten behoeve van het verhaal bedoeld in art. 94a, namens de staat de actio Pauliana kan instellen of, in geval van faillissement van degene die naar zijn verwachting een geldboete of maatregel ex art. 36e Sr riskeert, een vordering bij de faillissementscurator kan indienen, waarbij deze laatste van zijn in de Faillissementswet gegeven bevoegdheid tot het instellen van de actio Pauliana gebruik kan maken.

(...)

4.5.2.

Faillissement Het voorgestelde derde en vierde lid van art. 94d hebben betrekking op situaties waarin de verdachte (of veroordeelde, als tegen hem nog een strafrechtelijk financieel onderzoek loopt) failliet is verklaard. Ingevolge artikel 1, lid 2, Faillissementswet beschikt het openbaar ministerie reeds over de bevoegdheid om in het algemeen belang iemands faillietverklaring in te roepen. Die bevoegdheid past zeer wel in het totaalpakket aan bevoegdheden, dat ook in civilibus aan schuldeisers jegens de schuldenaar toekomt, te weten het leggen van conservatoir beslag, de instelling van de actio Pauliana en het inroepen van het faillissement. Wordt de betrokkene op vordering van het openbaar ministerie failliet verklaard dan heeft dat wel tot gevolg dat krachtens het Wetboek van Strafvordering gelegde beslagen, zoals alle beslagen, vervallen (vgl. art. 33 Fw). Dat geldt overigens ook voor krachtens Strafvordering gelegde conservatoire beslagen, indien het door toedoen van anderen tot een faillietverklaring komt. Wanneer evenwel een verdachte, te wiens aanzien de oplegging van een hoge geldboete of van de maatregel van art. 36e Sr te verwachten is of in eerste aanleg reeds heeft plaatsgevonden, failliet is verklaard, wordt het openbaar ministerie de bevoegdheid gegeven namens de staat als schuldeiser in het faillissement op te komen, met de mogelijkheid dat de faillissementspauliana door de curator in het faillissement op grond van de artikelen 43 of 45 Fw wordt ingesteld. Het openbaar ministerie zal daarbij wel, net als in geval van conservatoir beslag, een (maximum)bedrag van de vordering moeten aangeven waarin het als vertegenwoordiger van staat als schuldeiser opkomt. Daarom is bepaald dat in zo'n geval de officier van justitie geacht wordt voor een voorwaardelijke vordering op te komen. Indien, voordat het tot de oplegging van een geldboete of een maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is gekomen, de curator tot verificatie en afwikkeling van het faillissement wil overgaan, kan hij op grond van artikel 133 Fw zelf tot een schatting komen van het bedrag waarop de vordering van de staat ware te bepalen. Geeft hij geen toepassing aan die bevoegdheid, dan zal hij de vordering van de staat niet voor erkenning in aanmerking brengen. In zo'n geval zal de staat naderhand, wanneer het bedrag van de boete of van het te ontnemen voordeel definitief door de rechter is vastgesteld, op andere wijze zijn vordering te gelde moeten zien te maken.

(...)

Waar complicaties in verband met het faillissementsrecht kunnen spelen is onderkend en aanvaard, dat dit ertoe kan leiden dat de staat, zolang zijn vordering niet is bepaald in de vorm van een rechterlijke uitspraak, deze door de curator als niet verifieerbaar terzijde gelaten zal kunnen zien.’5

7. Over de taak van het openbaar ministerie bij de tenuitvoerlegging van de ontnemingsmaatregel wordt in de memorie van antwoord opgemerkt:

‘Het is juist dat het openbaar ministerie in het voorstel de mogelijkheid krijgt de actio Pauliana in te stellen (vgl. voorgesteld art. 94d Sv); deze bepaling plaatst het openbaar ministerie echter bepaald niet zonder meer in de positie van een civiele schuldeiser, althans niet meer dan passend is bij de taak die het ook thans vervult. Ingevolge het geldende art. 553 Sv is het openbaar ministerie belast met de executie van rechterlijke beslissingen, onder meer soms omvattende het verhaal op goederen van de veroordeelde (vgl. art. 575 Sv). Gegeven deze taak ligt het zeer voor de hand het openbaar ministerie ook de mogelijkheid te bieden voorafgaande aan de executie de nodige stappen te zetten om effectuering van de opgelegde sancties te kunnen waarborgen. Dit deel van de functie heeft naar de mening van de ondergetekende een overwegend strafrechtelijk karakter.’6

8. Uw Raad heeft op enkele punten de verhouding tussen (conservatoir beslag ten behoeve van) de ontnemingsmaatregel en het faillissement van de veroordeelde verhelderd. In HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4095, NJ 2013/322 m.nt. Van Mierlo had de curator een verzoek gedaan tot opheffing van het beslag op voorwerpen die eigendom van de gefailleerde waren. Uw Raad overwoog:

‘3.5. De middelen stellen de vraag aan de orde of gelet op art. 33 Fw een faillissement eraan in de weg staat dat op de voet van art. 94 Sv strafvorderlijk beslag wordt gelegd. De Hoge Raad beantwoordt die vraag ontkennend.Het stelsel van de Faillissementswet brengt mee dat het faillissement, als algemeen beslag, in de plaats treedt van de maatregelen van executie die tevoren de schuldeisers afzonderlijk konden nemen. Dit komt onder meer tot uitdrukking in art. 33 Fw, volgens hetwelk het vonnis van faillietverklaring ten gevolge heeft dat alle gerechtelijke tenuitvoerlegging een einde neemt en gelegde beslagen vervallen (vgl. HR 8 november 1963, NJ 1964, 144).

3.6. Gelet op het voorgaande en de hiervoor onder 3.4 weergegeven wetsgeschiedenis, in samenhang bezien met art. 94d, derde lid, Sv, moet worden aangenomen dat in geval van faillissement van de beslagene wel een op de voet van art. 94a Sv gelegd conservatoir beslag vervalt, maar niet een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag. Een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag dient immers de waarheidsvinding in strafzaken dan wel de veiligstelling van voorwerpen waarvan de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer door de strafrechter kan worden bevolen, en houdt derhalve geen verband met de positie van de overheid als schuldeiser.’7

9. In HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:125, NJ 2014/226 m.nt. Klip had het Gerechtshof te Leeuwarden de veroordeelde op 18 juli 2011 een ontnemingsmaatregel opgelegd. Het eerste middel klaagde dat het hof ten onrechte het onderzoek ter terechtzitting niet had geschorst teneinde de advocaat-generaal in de gelegenheid te stellen zijn vordering in te dienen bij de curator ter verificatie. Art. 29 Fw zou, zo is in hoger beroep betoogd, aan het instellen van een ontnemingsvordering tegen de gefailleerde in de weg staan. Art. 29 Fw luidt als volgt:

‘Voorzover tijdens de faillietverklaring aanhangige rechtsvorderingen voldoening ener verbintenis uit de boedel ten doel hebben, wordt het geding na de faillietverklaring geschorst, om alleen dan voortgezet te worden, indien de verificatie der vordering betwist wordt. In dit geval wordt hij, die de betwisting doet, in de plaats van de gefailleerde, partij in het geding.’

10. Uw Raad oordeelde, in lijn met de conclusie van A-G Knigge, (waarover verderop meer) dat het middel tevergeefs was voorgesteld en overwoog daartoe:

‘2.4. Een vordering als bedoeld in art. 36e Sr is een vordering van de officier van justitie die ertoe strekt dat de rechter aan de betrokkene een betalingsverplichting oplegt ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Zo een vordering is niet een rechtsvordering als bedoeld in art. 29 Faillissementswet.’

11. Art. 94d Sv is sinds de invoering in de jaren ’90 van de vorige eeuw – zo bleek – niet wezenlijk veranderd. De regeling van de ontnemingsmaatregel is wel op enkele punten gewijzigd. Een wijziging die in dit kader van belang is betreft de regeling van de vrijheidsbeneming die mogelijk is indien niet aan de betalingsverplichting wordt voldaan. Aanvankelijk bepaalde art. 24d Sr dat de rechter bij de uitspraak waarbij een natuurlijk persoon de verplichting werd opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgde, diende te bevelen dat vervangende hechtenis werd toegepast, ‘met dien verstande dat vervangende hechtenis op grond van dit artikel op te leggen op ten hoogste zes jaren kan worden bepaald’. Deze regeling is in 2003 vervangen door art. 577c (oud) Sv.8 Ingevolge art. 577c (oud) Sv kon de rechter op vordering van de officier van justitie verlof tot de tenuitvoerlegging van lijfsdwang van ten hoogste drie jaar verlenen indien ‘de veroordeelde niet aan het vonnis of arrest waarbij de verplichting is opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel voldoet en volledig verhaal op grond van de artikelen 574 tot en met 576 op diens vermogen niet mogelijk is gebleken’. Het laatste lid van art. 36e Sr bepaalde dat deze lijfsdwang gold als maatregel.

12. Deze wijziging is in de memorie van toelichting bij het betreffende wetsvoorstel uitgebreid toegelicht. De volgende passages zijn in het bijzonder van belang:9

'4. De wijziging van vervangende hechtenis in lijfsdwang

(...)

4.3 Voorstel

a. Voorstel dat voor consultatie is toegezonden. Is eenmaal bij onherroepelijke einduitspraak de verplichting tot betaling van een geldsom opgelegd door de strafrechter, dan is daarmee de fase van berechting afgesloten en kan een begin worden gemaakt met de tenuitvoerlegging. Doel van die tenuitvoerlegging is de opgelegde betalingsverplichting te executeren. Daarbij wordt zo veel mogelijk beslag aangewend als middel tot verhaal. Gebleken is dat dit in ontnemingszaken een effectief middel is. Daarnaast dient echter – zeker bij het type schuldenaren waarom het bij de ontnemingsmaatregel veelal gaat – de mogelijkheid te bestaan van vrijheidsbeneming als aanvullend pressiemiddel. Gelet op de bezwaren die zoals gezegd aan de thans bestaande mogelijkheid van vervangende hechtenis kleven, heb ik overwogen hiervoor aan te knopen bij het privaatrechtelijke middel van de lijfsdwang, zoals geregeld in de vijfde titelvan het tweede boekvan het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Deze lijfsdwang kan door de president van de rechtbank worden opgelegd in het geval achteraf, bij de executie van het vonnis, blijkt dat de veroordeelde onwillig is te betalen. In civiele zaken kan deze lijfsdwang maximaal één jaar duren. In het eerder ontwerp van dit wetsvoorstel heb ik voorgesteld deze duur op maximaal drie jaren te stellen. Dit voorstel is in de consultatieronde verdeeld ontvangen. Het OM is het geheel eens met het schrappen van de regel dat de betalingsverplichting na de uitgezeten vrijheidsbeneming vervalt; in het stelsel van de lijfsdwang blijft die verplichting bestaan. Het OM is echter een voorstander van het verlengen van maximaal drie jaar lijfsdwang tot maximaal zes jaar lijfsdwang. Een vrijheidsbeneming van drie jaar is volgens het OM voor de doelgroep een onvoldoende pressiemiddel. Ook de NVvR is van oordeel dat van de voorgestelde lijfsdwang onvoldoende dreiging uitgaat. Bovendien is de NVvR van mening dat het voorstel tot meer werk voor de rechter kan leiden, omdat een extra procedure noodzakelijk wordt waarin de civiele rechter zich in het dossier zal moeten inlezen. Ze betwijfelt, gelet op de civiele praktijk en de bestaande zeer beperkte toepassing, of de rechter bereid zal zijn lijfsdwang op te leggen. De Nederlandse Orde van Advocaten kan zich blijkens haar advies vinden in de vervanging van de vervangende hechtenis door de lijfsdwang. Zij meent echter dat er geen rechtvaardiging is voor afwijking van de in civilibus geldende maximumduur van één jaar. Wel oppert de NOvA de mogelijkheid om niet de civiele rechter, maar de strafrechter (i.c. de raadkamer) te belasten met de toepassing van lijfsdwang. Opdracht van deze taak aan hetzelfde gerecht dat de ontnemingsmaatregel heeft opgelegd, kan zowel de doelmatigheid als zorgvuldigheid ten goede komen. Dit voorstel wordt ook gedaan door het openbaar ministerie in zijn advies.

b. Voorstel toegezonden voor advies aan de Raad van State Op grond van de toegezonden adviezen ben ik aanvankelijk tot de conclusie gekomen dat de introductie van de privaatrechtelijke lijfsdwang in de ontnemingsprocedure bij nader inzien minder wenselijk was. Dat leidde tot handhaving van de vervangende hechtenis. (...)

c. Voorstel naar aanleiding van advies van de Raad van State De Raad van State gaf in zijn advies uitdrukkelijk in overweging om terug te keren naar het aanvankelijke voorstel: de lijfsdwang. Hij voegde daaraan toe dat het wenselijk leek uit te gaan van een eigensoortig, strafvorderlijk dwangmiddel zonder dat daarbij directe aansluiting werd gezocht bij de civielrechtelijke lijfsdwang. In dit licht heb ik de voorstellen terzake andermaal overwogen. Het resultaat is dat ik alsnog mogelijkheden zie voor de introductie van lijfsdwang in het Wetboek van Strafvordering als alternatief voor de vervangende hechtenis. (...)De suggestie van de Raad van State tot incorporatie van het middel in het wetboek gaf tevens de gelegenheid om in navolging van de suggestie van het OM en de NOvA niet meer de civiele rechter te belasten met de beslissing over de toelaatbaarheid van lijfsdwang, maar deze op te dragen aan de strafrechter: de raadkamer bij de rechtbank of het gerechtshof. Dit komt ook tegemoet aan de door de NVvR geuite bezwaren tegen verzwaring van de werklast van de civiele rechter en de terughoudende toepassing in het civiele recht. In het aanvankelijke voorstel werden de desbetreffende bepalingen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing verklaard. (...)In de nieuwe bepaling van artikel 577c stel ik voor dat de officier van justitie de tenuitvoerlegging van lijfsdwang kan vorderen. Dat is aan de orde indien hij heeft geconstateerd dat aan de ontnemingsmaatregel niet of niet volledig is voldaan en vervolgens pogingen heeft gedaan de vordering te verhalen op het vermogen van de veroordeelde, maar daarin niet (volledig) is geslaagd. Tevens dient vast te staan dat er geen sprake is van betalingsonmacht. Een soortgelijke bepaling is opgenomen in het voorstel van wet tot herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg (kamerstukken II, 1999/ 2000, 26 855, nr. 2 en 3), ingediend bij koninklijke boodschap van 25 oktober 1999. (...) In artikel 577c Sv is een procedure opgenomen voor de oproeping, de behandeling en de beslissing van de vordering tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang. Ook de beëindiging van de lijfsdwang is nu in dit wetboek beschreven. Belangrijkste verschil tussen de voorgestelde en de huidige regeling is dat het automatisme van de oplegging van de vervangende hechtenis vooraf wordt verlaten en dat pas achteraf bij het uitblijven van voldoening van het opgelegde geldbedrag door de rechter tot lijfsdwang wordt besloten. Daarbij moet het maatwerk kunnen worden geleverd, dat op dat moment past bij een dergelijk ingrijpend middel. De rechter zal anders dan nu het geval is pas dan over de toepassing van de vrijheidsbeneming als dwangmiddel beslissen wanneer het er werkelijk op aankomt, namelijk in de fase van de tenuitvoerlegging. (...)Indien de veroordeelde ondanks de lijfsdwang niet aan de veroordeling voldoet, komt door het ondergaan van de lijfsdwang de hem opgelegde betalingsverplichting niet te vervallen (artikel 577c, zesde lid). Ook in de huidige en komende regeling in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is dat het uitgangspunt. Er is derhalve niet meer sprake van vervangende vrijheidsbeneming. (...)

De termijn waarbinnen de vordering tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang ten behoeve van de ontnemingsmaatregel kan worden gedaan moet gerelateerd worden aan de executieverjaring die is geregeld in artikel 76 van het Wetboek van Strafrecht. Deze is weer gebaseerd op de vervolgingsverjaring in artikel 70 Sr die verwijst naar de maximale straf die voor een bepaald delict is bedreigd. Naarmate derhalve voor een ernstiger feit veroordeling heeft plaatsgevonden, geldt een langere verjaringstermijn. Zolang het recht tot tenuitvoerlegging niet is verjaard en aan de betalingsverplichting niet geheel is voldaan, kan de lijfsdwang worden gevorderd. (...)

Zodra het vonnis waarbij de schuldenaar failliet wordt verklaard in kracht van gewijsde is gegaan, eindigt de lijfsdwang van rechtswege (artikel 33, derde lid, van de Faillissementswet). De gegijzelde zou door zijn eigen faillissement uit te lokken kunnen bewerkstelligen dat hij wordt ontslagen uit de lijfsdwang. Aan malafide praktijken zal echter een halt kunnen worden toegeroepen door met toepassing van artikel 87 van de Faillissementswet de gefailleerde in verzekerde bewaring te doen stellen.’

13. Inmiddels is art. 577c (oud) Sv opgegaan in de nieuwe regeling van de gijzeling.10 Die regeling is deels neergelegd in art. 6:4:20 Sv. Bepaald is dat gijzeling niet wordt toegepast ‘indien de veroordeelde aannemelijk maakt dat hij buiten staat is te voldoen aan de verplichting tot betaling’, dat de gijzeling ‘eindigt indien de veroordeelde alsnog het verschuldigde bedrag volledig voldoet’ en dat de toepassing van gijzeling ‘de verschuldigdheid’ niet opheft (derde, vierde en vijfde lid). Ingevolge art. 6:6:25, eerste lid, aanhef en onder b, Sv kan het openbaar ministerie, indien volledig verhaal bij een ontnemingsmaatregel niet mogelijk blijkt, een vordering bij de rechter instellen ‘om te worden gemachtigd het dwangmiddel gijzeling jegens de veroordeelde toe te passen’. De rechter bepaalt daarbij de duur, en die is in dit geval ‘ten hoogste hetgeen door de rechter is bepaald bij het opleggen van de maatregel’ (vierde lid). Uit het nieuwe elfde lid van art. 36e Sr volgt dat de maximale duur ten hoogste drie jaar kan bedragen. Al met al is daarmee materieel niet veel gewijzigd, ten opzichte van art. 577c (oud) Sv.11

14. In twee latere uitspraken heeft Uw Raad voorts opmerkingen gemaakt die raken aan de vragen die in deze vordering aan de orde zijn. In HR 11 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2298, NJ 2017/41 m.nt. Kooijmans had de betrokkene beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking op een bezwaarschrift als bedoeld in art. 575, derde lid, Sv. Uw Raad verklaarde dat beroep niet-ontvankelijk en overwoog daarbij ten overvloede:

‘2.4. Opmerking verdient dat ingevolge art. 577b, tweede lid, Sv de rechter die de ontnemingsmaatregel heeft opgelegd, op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de betrokkene het door hem vastgestelde ontnemingsbedrag kan kwijtschelden of verminderen dan wel ten aanzien van het reeds betaalde of verhaalde bedrag kan bevelen dat dat geheel of gedeeltelijk zal worden teruggegeven of uitgekeerd (vgl. HR 19 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1255). In die procedure kan worden beslist op een stelling zoals in de schriftuur ingenomen dat de verplichting tot betaling, ook al was deze ten tijde van de faillietverklaring nog niet onherroepelijk opgelegd, als bestaande (voorwaardelijke) vordering in een faillissement, en daarmede onder de werking van een gehomologeerd akkoord, valt (art. 157 Faillissementswet).’

15. In HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:970, NJ 2017/471 m.nt. Keulen besliste Uw Raad op een vordering tot cassatie in het belang der wet ingediend door A-G Hofstee. Deze vordering had betrekking op de toepassing van art. 577b (oud) Sv. Uw Raad verwees daarbij naar voornoemde beschikking als een geval ‘waarbij is gewezen op de mogelijkheid dat de rechter het in de ontnemingsuitspraak vastgestelde te betalen bedrag op grond van art. 577b Sv kan verminderen of kwijtschelden’ (rov. 5.1.4).

Aanwijzingen van het openbaar ministerie

‘1.5. Faillissement en ontnemingsvordering

‘6.5 Faillissement

Het gehomologeerd akkoord in faillissement

De beschikking waartegen deze vordering zich richt

BESLISSING:

Het gehomologeerd akkoord en de ontnemingsmaatregel

Het moment van ontstaan van de vordering

Het cassatiemiddel