Home

Hoge Raad, 16-07-2021, ECLI:NL:HR:2021:1169, 19/05516

Hoge Raad, 16-07-2021, ECLI:NL:HR:2021:1169, 19/05516

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16 juli 2021
Datum publicatie
16 juli 2021
ECLI
ECLI:NL:HR:2021:1169
Formele relaties
Zaaknummer
19/05516

Inhoudsindicatie

Jeugdrecht, privacyrecht. Verzoek van vader om bepaalde gegevens over hem en zijn kind te verwijderen uit een hulpverleningsplan. Is de vader betrokkene in de zin van art. 7.3.9 Jeugdwet? Motiveringsklachten tegen oordeel dat bepaalde gegevens niet voor verwijdering in aanmerking komen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 19/05516

Datum 16 juli 2021

BESCHIKKING

In de zaak van

STICHTING DE RADING,gevestigd te Hollandsche Rading,

VERZOEKSTER tot cassatie, verweerderster in het incidentele cassatieberoep,

hierna: de hulpverleningsinstelling,

advocaat: T. van Malssen,

tegen

[de vader] ,wonende te [woonplaats] ,

VERWEERDER in cassatie, verzoeker in het incidentele cassatieberoep,

hierna: de vader,

advocaat: H.J.W. Alt

als belanghebbende aangemerkt:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats]

hierna: de moeder,

niet verschenen.

1 Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de beschikking in de zaak C/16/445563 / HA RK 17-196 van de rechtbank Midden-Nederland van 21 maart 2018;

  2. de beschikking in de zaak 200.241.026 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 september 2019.

De hulpverleningsinstelling heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.

De vader heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt in het principale cassatieberoep tot verwerping en in het incidentele cassatieberoep tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 september 2019 en tot afdoening als in de conclusie onder 3.26 voorgesteld.

De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De vader en de moeder zijn de ouders van een dochter, geboren in 2012. De ouders zijn kort na de geboorte van de dochter gescheiden. In 2013 is de dochter onder toezicht gesteld. In het kader van deze ondertoezichtstelling is in 2013 een indicatiebesluit afgegeven voor de verlening van jeugdhulp. De ondertoezichtstelling is in 2014 beëindigd.

(ii) De hulpverleningsinstelling is een organisatie die gespecialiseerde jeugdhulp verleent aan kinderen, jongeren en ouders.

(iii) In 2014 heeft een hulpverlener, die als contextueel therapeute werkzaam was bij de hulpverleningsinstelling, een eerste hulpverleningsplan (hierna: het hulpverleningsplan) aan de moeder verzonden. Vervolgens heeft de hulpverlener een aanvulling op het eindverslag opgesteld (hierna: de aanvulling op het eindverslag).

(iv) De vader heeft over het handelen van de hulpverlener, ten tijde van de hulpverlening na het afgegeven indicatiebesluit, een klacht ingediend bij de NVPA klachtencommissie. De klachtencommissie heeft de hulpverlener een waarschuwing opgelegd.

(v) De vader heeft de hulpverlener verzocht gegevens te verwijderen. De hulpverlener heeft de vader doorverwezen naar de hulpverleningsinstelling. De hulpverleningsinstelling heeft de vader laten weten niet te zullen voldoen aan zijn verzoek tot vernietiging van (delen van) het dossier.

(vi) Vervolgens heeft de vader de hulpverlener verzocht persoonsgegevens van hem en zijn dochter te verwijderen op grond van art. 36 Wet bescherming persoonsgegevens (oud) (hierna: Wbp (oud)). In een bijlage bij zijn verzoek, bestaande uit het hulpverleningsplan en de aanvulling op het eindverslag, heeft de vader de passages aangewezen die naar zijn mening uit deze twee stukken moeten worden verwijderd.

(vii) De hulpverleningsinstelling heeft meegedeeld dat zij eerder op de verwijderingsverzoeken van de vader heeft gereageerd en ook nu niet aan het verzoek van de vader kan voldoen.

2.2

In dit geding verzoekt de vader, samengevat en voor zover in cassatie van belang, primair de hulpverleningsinstelling te bevelen het hulpverleningsplan en de aanvulling op het eindverslag op grond van de Jeugdwet te verwijderen en te vernietigen, en subsidiair de hulpverleningsinstelling te bevelen op grond van art. 36 Wbp (oud) bepaalde stukken tekst uit het hulpverleningsplan en de aanvulling op het eindverslag te verwijderen.

2.3

De rechtbank heeft het verzoek van de vader afgewezen.

2.4

Het hof heeft, samengevat en voor zover in cassatie van belang, de beschikking van de rechtbank vernietigd, bepaald dat de hulpverleningsinstelling twee in het dictum genoemde punten uit het hulpverleningsplan moet verwijderen, en het meer of anders verzochte afgewezen.

3 Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1.1

Onderdeel 1 van het middel is gericht tegen rov. 5.5, waarin het hof als volgt heeft overwogen:

“Het hof acht de vader betrokkene in de zin van de Jeugdwet en overweegt daartoe als volgt. Op 16 mei 2013 is het kind, dat toen één jaar oud was, onder toezicht gesteld. In het kader van die ondertoezichtstelling is een indicatiebesluit afgegeven voor de verlening van jeugdhulp. Die jeugdhulp was gericht, gelet op de zeer jonge leeftijd van het kind, op de vader en de moeder. De hulp bestond uit een bemiddelingstraject voor de ouders en ondersteuning voor hen bij de opvoeding en zorg voor het kind door middel van contextuele gezinstherapie. Gelet op de inhoud van het indicatiebesluit, dat duidelijk zag op hulpverlening die gericht was op beide ouders, ten behoeve van een op dat moment zeer jong kind, acht het hof de vader betrokkene in de zin van de Jeugdwet. De hulpverlening werd immers ten aanzien van beide ouders voorgesteld (zie artikel 7.3.1 lid 2 Jeugdwet). Het hof kent aan het begrip betrokkene dan ook een ruimere uitleg toe dan door de hulpverleningsinstelling (...) is betoogd. Zoals uit (...) de memorie van toelichting blijkt kan de jeugdhulp ten behoeve van een minderjarige ook enkel zien op de ouders. Dat uiteindelijk feitelijk geen hulp aan de vader is verleend door de hulpverleningsinstelling (...) doet er niet aan af dat de vader als betrokkene moet worden aangemerkt. Het betoog van de hulpverleningsinstelling (...) en de moeder dat het dossier bij de hulpverleningsinstelling enkel op naam van de moeder staat, hetgeen door de vader overigens is betwist, heeft niet tot gevolg dat de vader geen betrokkene is in de zin van de Jeugdwet. Ook het verweer van de hulpverleningsinstelling (...) dat zij een geheimhoudingsplicht jegens derden heeft, gaat niet op, nu de vader als betrokkene moet worden aangemerkt. De conclusie luidt dat de vader als betrokkene een verzoek kan doen tot vernietiging van gegevens op grond van artikel 7.3.9 lid 2 Jeugdwet.”

Het onderdeel klaagt dat waar (i) het hof zelf (in rov. 5.5) heeft vastgesteld dat geen sprake is van daadwerkelijke verlening van jeugdhulp in de zin van art. 7.3.4 Jeugdwet aan de persoon (hier: de vader) die op de voet van art. 7.3.9 lid 1 Jeugdwet verzoekt om vernietiging van (delen van) het dossier, en (ii) in cassatie veronderstellenderwijs vaststaat dat het dossier op de voet van art. 7.3.8 Jeugdwet is ingericht met het oog op de daadwerkelijke verlening van jeugdhulp aan een ander dan de verzoeker, art. 7.3.9 Jeugdwet niet kan dienen als grondslag voor een aanspraak van die verzoeker op vernietiging van het dossier.

3.1.2

Art. 1.1 Jeugdwet bepaalt, voor zover hier van belang, dat onder “jeugdhulp” wordt verstaan “ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders”. Dit betekent dat jeugdhulp ook kan worden verleend aan een ouder of beide ouders van een kind.1

3.1.3

Paragraaf 7.3 Jeugdwet bevat bepalingen over, onder meer, dossier en privacy.

Art. 7.3.1 lid 2 Jeugdwet bepaalt:

“In deze paragraaf wordt verstaan onder betrokkene: persoon aan wie rechtstreeks jeugdhulp wordt verleend, ten aanzien van wie de verlening van jeugdhulp wordt voorgesteld of ten aanzien van wie een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uitgevoerd wordt of de uitvoering daarvan wordt voorgesteld.”

In de wetsgeschiedenis is toegelicht dat het woord “rechtstreeks” in art. 7.3.1 lid 2 Jeugdwet is opgenomen opdat uit de omschrijving van het begrip betrokkene “onmiskenbaar blijkt dat het gaat om personen aan wie rechtstreeks jeugdhulp wordt verleend”.2 De bewoordingen “persoon ... ten aanzien van wie de verlening van jeugdhulp wordt voorgesteld” zijn in de wetsgeschiedenis niet nader toegelicht.

3.1.4

Art. 7.3.8 lid 1 Jeugdwet schrijft voor dat de jeugdhulpverlener een dossier inricht met betrekking tot de verlening van jeugdhulp. Art. 7.3.8 lid 2 Jeugdwet bepaalt dat de jeugdhulpverlener desgevraagd een door de betrokkene afgegeven verklaring aan het dossier toevoegt. Voor zover hier van belang bepaalt art. 1.1 Jeugdwet dat onder “dossier” wordt verstaan het “geheel van schriftelijk of elektronisch vastgelegde gegevens met betrekking tot de verlening van jeugdhulp aan een jeugdige of ouder (...)”.

3.1.5

Art. 7.3.9 Jeugdwet bevat bepalingen over de vernietiging en de bewaring van gegevens in het in art. 7.3.8 Jeugdwet bedoelde dossier. Ten tijde van het verzoek van de vader bepaalde art. 7.3.9 (oud) Jeugdwet:

“1. De jeugdhulpverlener vernietigt het dossier, of delen daarvan, binnen drie maanden na een daartoe strekkend verzoek van de betrokkene.

2. Het eerste lid geldt niet voor zover het verzoek gegevens betreft waarvan redelijkerwijs aannemelijk is dat de bewaring van aanmerkelijk belang is voor een ander dan de betrokkene, alsmede voor zover het bepaalde bij of krachtens de wet zich tegen vernietiging verzet.”

Het tweede lid van art. 7.3.9 Jeugdwet is ongewijzigd gebleven. Het huidige art. 7.3.9 lid 1 Jeugdwet bepaalt:

“De jeugdhulpverlener vernietigt de gegevens uit het dossier na een daartoe strekkend verzoek van de betrokkene.”

3.1.6

In de memorie van toelichting op de Jeugdwet is opgemerkt dat de regeling van het inzagerecht en bewaren en vernietigen van bescheiden in de art. 7.3.1 e.v. Jeugdwet geldt als een bijzondere regeling die derogeert aan de Wbp (oud), maar slechts voor zover het gegevens betreft met betrekking tot degene aan wie hulp wordt verleend. Betreffen de gegevens anderen dan degene aan wie hulp wordt verleend, dan gelden de bepalingen van de Wbp (oud) onverkort, aldus de memorie van toelichting.3

3.1.7

Het hiervoor in 3.1.3-3.1.6 geschetste stelsel van paragraaf 7.3 Jeugdwet moet, voor zover voor deze zaak van belang, aldus worden begrepen dat de bevoegdheid om op de voet van art. 7.3.9 lid 1 Jeugdwet een verzoek te doen om gegevens uit een dossier te vernietigen, uitsluitend toekomt aan de persoon aan wie rechtstreeks jeugdhulp is of wordt verleend of ten aanzien van wie de verlening van jeugdhulp is of wordt voorgesteld, en over wie de jeugdhulpverlener in verband met die rechtstreeks verleende jeugdhulp, dan wel voorgestelde jeugdhulp een dossier heeft ingericht. Die persoon kan op de voet van art. 7.3.9 lid 1 Jeugdwet een verzoek doen tot vernietiging of verwijdering van gegevens uit het dossier dat is ingericht met betrekking tot de rechtstreeks aan hem of haar verleende jeugdhulp, respectievelijk de ten aanzien van hem of haar voorgestelde verlening van jeugdhulp.

Andere personen kunnen aan art. 7.3.9 lid 1 Jeugdwet niet de bevoegdheid ontlenen om een dergelijk verzoek te doen. Wel kunnen deze andere personen in voorkomend geval een beroep doen op de Wbp (oud) of de Algemene verordening gegevensbescherming.4

3.1.8

In rov. 5.5 heeft het hof vastgesteld dat in het kader van de ondertoezichtstelling een indicatiebesluit is afgegeven dat voorzag in de verlening van jeugdhulp die “was gericht (...) op de vader en de moeder” en dat de hulpverlening die in het indicatiebesluit werd voorzien, “ten aanzien van beide ouders werd voorgesteld”. Ook heeft het hof in rov. 5.5 vastgesteld dat “uiteindelijk feitelijk geen hulp aan de vader is verleend door de hulpverleningsinstelling”. Deze vaststellingen zijn in cassatie niet bestreden.

3.1.9

In het licht van hetgeen hiervoor in 3.1.7 is overwogen over het stelsel van paragraaf 7.3 Jeugdwet en uitgaande van de hiervoor in 3.1.8 weergegeven feiten dat weliswaar ten aanzien van beide ouders jeugdhulp is voorgesteld, maar dat de hulpverleningsinstelling aan de vader geen jeugdhulp heeft verleend, moet worden aangenomen dat geen dossier is ingericht over aan de vader verleende jeugdhulp. Bij die stand van zaken kan de vader aan art. 7.3.9 lid 1 Jeugdwet niet de bevoegdheid ontlenen om te verzoeken om vernietiging van gegevens uit het dossier dat is ingericht over de jeugdhulp die aan de moeder is of wordt verleend. Slechts indien de jeugdhulpverlener over de ten aanzien van de vader voorgestelde jeugdhulp een dossier heeft ingericht, kan de vader op grond van art. 7.3.9 lid 1 Jeugdwet verzoeken om gegevens uit dat dossier te vernietigen.

3.1.10

Het vorenstaande betekent dat de klacht van onderdeel 1 gegrond is.

3.2.1

Gegrondbevinding van onderdeel 1 kan echter niet leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking. Daartoe wordt het volgende overwogen.

3.2.2

Het hof heeft (in rov. 5.8) geoordeeld dat de Jeugdwet omtrent de verwerking en vernietiging van persoonsgegevens op een aantal punten een concretisering van de algemene normen van de Wbp (oud) bevat, en dat het primaire verzoek van de vader, voor zover de beoordeling daarvan niet wordt geregeld in de Jeugdwet, dient te worden getoetst aan de Wbp (oud).

Vervolgens heeft het hof (in rov. 5.10) overwogen dat art. 7.3.9 Jeugdwet een specifieke regel is ten opzichte van art. 36 Wbp (oud) op grond waarvan eveneens kan worden verzocht persoonsgegevens te verwijderen, en dat art. 11 Wbp (oud) omtrent de juiste en nauwkeurige verwerking van persoonsgegevens ook geldt voor de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de Jeugdwet, aangezien de Jeugdwet op dit punt geen specifieke regeling kent.

Ten slotte heeft het hof (in de rov. 5.11-5.13) toepassing gegeven aan de Wbp (oud). In dat verband heeft het hof (in rov. 5.12) beoordeeld of de door de vader gewraakte passages wegens schending van art. 11 Wbp (oud) uit het hulpverleningsplan moeten worden verwijderd. Het hof is (in rov. 5.13) tot het oordeel gekomen dat twee passages uit het hulpverleningsplan moeten worden verwijderd.

3.2.3

Hetgeen het hof in de rov. 5.8-5.13 heeft overwogen en geoordeeld op de grondslag van art. 11 Wbp (oud) kan de beslissing van het hof dat bepaalde passages uit het hulpverleningsplan moeten worden verwijderd, zelfstandig dragen. Nu het middel geen klachten richt tegen deze toepassing van art. 11 Wbp (oud), kan gegrondbevinding van onderdeel 1 niet tot cassatie leiden.

3.3

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4 Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

5 Beslissing