Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10-09-2019, ECLI:NL:GHARL:2019:7410, 200.241.026
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10-09-2019, ECLI:NL:GHARL:2019:7410, 200.241.026
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 10 september 2019
- Datum publicatie
- 13 september 2019
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2019:7410
- Formele relaties
- Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:1169, Meerdere afhandelingswijzen
- Zaaknummer
- 200.241.026
- Relevante informatie
- Burgerlijk Wetboek Boek 1 [Tekst geldig vanaf 01-01-2024] art. 253i, Burgerlijk Wetboek Boek 1 [Tekst geldig vanaf 01-01-2024] art. 253a, Burgerlijk Wetboek Boek 1 [Tekst geldig vanaf 01-01-2024] art. 349, Jeugdwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025] art. 7.3.1, Jeugdwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025] art. 7.3.9, Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming [Tekst geldig vanaf 01-07-2021] art. 48, Wet bescherming persoonsgegevens [Tekst geldig vanaf 25-05-2018] [Regeling ingetrokken per 2018-05-25] art. 11, Wet bescherming persoonsgegevens [Tekst geldig vanaf 25-05-2018] [Regeling ingetrokken per 2018-05-25] art. 36
Inhoudsindicatie
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.241.026
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: 445563)
beschikking van 10 september 2019
inzake
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant in het principaal hoger beroep,
geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,eerste aanleg: verzoeker,
hierna: de vader,
advocaat: mr. J. Bredius,
tegen:
1. de stichting
Stichting De Rading,gevestigd te Hollandsche Rading,geïntimeerde sub 1 in het principaal hoger beroep,
appellante sub 1 in het incidenteel hoger beroep,eerste aanleg: verweerster sub 1,hierna: de hulpverleningsinstelling,en2. [geïntimeerde],wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde sub 2 in het principaal hoger beroep,
appellante sub 2 in het incidenteel hoger beroep,eerste aanleg: verweerster sub 2,hierna: de hulpverlener,advocaat mr. L.A.P. Arends,
en
3 [belanghebbende] ,wonende te [woonplaats] ,belanghebbende,hierna: de moeder.
De hulpverleningsinstelling en de hulpverlener zullen hierna gezamenlijk de hulpverleningsinstelling c.s. (vrouwelijk enkelvoud) worden genoemd.
1. Het geding in eerste aanleg
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de beschikking van 21 maart 2018, die de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, tussen de vader en de hulpverleningsinstelling c.s. heeft gegeven.
2 De procedure in hoger beroep
Bij beroepschrift met bijlagen, binnengekomen op 15 juni 2018 bij de griffie, heeft de vader het hof verzocht de beschikking van de rechtbank te vernietigen en zijn verzoek alsnog toe te wijzen.
Het hof heeft de moeder als belanghebbende in de onderhavige procedure aangemerkt.
Het verdere procesverloop blijkt uit:- de brief van 16 augustus 2018 van mr. Bredius met het proces-verbaal en de pleitnota van de hulpverleningsinstelling van de zitting bij de rechtbank van 16 januari 2018;- het verweerschrift met bijlage van de moeder van 30 augustus 2018;- het verweerschrift in beroep tevens incidenteel beroep van de hulpverleningsinstelling c.s. van 1 oktober 2018;- het verweerschrift in incidenteel beroep van de vader van 12 november 2018.
Op 13 maart 2019 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij de vader, bijgestaan door zijn advocaat, is verschenen. De hulpverleningsinstelling c.s. heeft zich tijdens de mondelinge behandeling laten vertegenwoordigen door een advocaat. Verder is er niemand namens haar ter zitting verschenen. De moeder is niet op de mondelinge behandeling verschenen. Mr. Bergsma heeft namens de hulpverleningsinstelling c.s. gepleit conform haar pleitnotitie, die aan het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is gehecht. Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het hof beschikking bepaald.
Op verzoek van het hof heeft de vader, bij V6-formulier van 14 maart 2019, een e-mail van 14 november 2018 in het geding gebracht, waarop de hulpverleningsinstelling c.s. bij brief van 29 maart 2019 heeft gereageerd. De brieven zijn een onderdeel van het procesdossier.
3 De feiten
De vader en de moeder zijn de ouders van [naam kind] (hierna: het kind, geboren op [geboortedatum] ) en zijn kort na de geboorte van het kind gescheiden. Op 16 mei 2013 is het kind onder toezicht gesteld. In het kader van deze ondertoezichtstelling is op 29 juli 2013 een indicatiebesluit afgegeven voor de verlening van jeugdhulp. De ondertoezichtstelling is op 16 mei 2014 beëindigd.
De hulpverleningsinstelling is een organisatie die gespecialiseerde jeugdhulp verleent aan kinderen, jongeren en ouders. De hulpverlener is contextueel therapeute en is werkzaam geweest bij de hulpverleningsinstelling. De hulpverlener heeft op 15 mei 2014 een brief met het eerste hulpverleningsplan (hierna: het hulpverleningsplan) aan de moeder verzonden. Op 3 november 2014 is een aanvulling op het eindverslag (hierna: de aanvulling op het eindverslag) opgesteld door de hulpverlener. De vader heeft over het handelen van de hulpverlener, ten tijde van de hulpverlening na het afgegeven indicatiebesluit, een klacht ingediend bij de NVPA klachtencommissie, die de hulpverlener een waarschuwing heeft opgelegd.
De vader heeft aan de hulpverlener op 19 juni 2017 en 20 juni 2017 per e-mail verzocht gegevens te verwijderen. De hulpverlener heeft de vader op 20 juni 2017 doorverwezen naar de hulpverleningsinstelling. Bij brief van 10 juli 2017 heeft de hulpverleningsinstelling de vader bericht niet te voldoen aan zijn verzoek tot vernietiging van (delen van) het dossier.
Bij brief van 25 augustus 2017 heeft de vader de hulpverlener verzocht persoonsgegevens van hem en het kind te verwijderen op grond van artikel 36 Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp). In de bijlage bij die brief, bestaande uit het hulpverleningsplan en de aanvulling op het eindverslag, heeft de vader aangegeven welke passages in de voornoemde stukken weggelaten moeten worden.
Bij e-mail van 31 augustus 2017 heeft de hulpverleningsinstelling meegedeeld dat zij eerder op de verwijderingsverzoeken van de vader heeft gereageerd en ook nu niet aan het verzoek van de vader kan voldoen.