Home

Hoge Raad, 30-01-2024, ECLI:NL:HR:2024:114, 21/03019

Hoge Raad, 30-01-2024, ECLI:NL:HR:2024:114, 21/03019

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30 januari 2024
Datum publicatie
30 januari 2024
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:114
Formele relaties
Zaaknummer
21/03019

Inhoudsindicatie

Voorhanden hebben van revolver, geweer en munitie in caravan en schuur (art. 26.1 WWM) en voorbereidingshandelingen t.a.v. productie van synthetische harddrugs door chemicaliën voorhanden te hebben in schuur (art. 10a Opiumwet). 1. Bewijsklacht voorhanden hebben van vuurwapens, munitie en chemicaliën. 2. Onvolkomenheid bij beëdiging van AG die bij benadeling van zaak in hoger beroep betrokken is geweest, art. 5.2 en 6.2 Wet RO.

Ad 1. HR: art. 81.1 RO.

Ad 2. Gelet op HR:2022:1438 behoeft dat geen verdere bespreking.

Samenhang met 21/02959, 21/02994, 21/03043, 21/03079, 21/03102 en 21/03282 en met 21/03101 en 21/03103 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o).

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 21/03019

Datum 30 januari 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 12 juli 2021, nummer 20-000754-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De raadsman heeft – na het verstrijken van de in artikel 437 lid 2 Sv bedoelde termijn – bij aanvullende schriftuur nog aan de orde gesteld dat bij de beëdiging van de advocaat-generaal die bij de behandeling van de zaak in hoger beroep betrokken is geweest, zich een onvolkomenheid heeft voorgedaan. Gelet op het arrest dat de Hoge Raad op 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1438, heeft gewezen, behoeft dat geen verdere bespreking.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf betreft, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden.

4 Beslissing