Parket bij de Hoge Raad, 05-12-2023, ECLI:NL:PHR:2023:1067, 21/03019
Parket bij de Hoge Raad, 05-12-2023, ECLI:NL:PHR:2023:1067, 21/03019
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 5 december 2023
- Datum publicatie
- 30 januari 2024
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2023:1067
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:114
- Zaaknummer
- 21/03019
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Voorhanden hebben wapens en munitie (art. 26 lid 1 WWM) alsmede chemicaliën in het kader van voorbereidingshandelingen ten aanzien van Opiumwetdelicten (art. 10a OW). Het eerste middel klaagt over het bewezen verklaarde voorhanden hebben van wapens, munitie en chemicaliën. Het tweede middel klaagt dat het arrest is gewezen door een of meer onjuist beëdigde raadsheren. Beide middelen falen. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met de zaken 21/02959, 21/03043, 21/02994, 21/03079, 21/03102, 21/03282, 21/03101 en 21/03103.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/03019
Zitting 5 december 2023
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952,
hierna: de verdachte
1 Het cassatieberoep
De verdachte is bij arrest van 12 juli 2021 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens:
- 1 "om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich gelegenheid of middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit";
- 2 “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”;
- 3 “van het plegen van witwassen een gewoonte maken”;
- 4 “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”; en
- 5 “om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit”,
veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof de onttrekking van het verkeer van een in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp – te weten een revolver – bevolen.
Er bestaat samenhang met de zaken 21/02959, 21/03043, 21/02994, 21/03079, 21/03102, 21/03282, 21/03101 en 21/03103. In de laatste twee zaken is reeds arrest gewezen. In de overige zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel bevat een klacht over het voorhanden hebben van de in de bewezenverklaring onder 4 genoemde vuurwapens en munitie en de onder 5 genoemde chemicaliën. Het tweede middel klaagt over de onjuiste beëdiging van een of meer raadsheren die het arrest hebben gewezen.
Voordat ik het middel bespreek, geef ik de bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen ten aanzien van de feiten waar het middel betrekking op heeft weer.
2 Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“4. (ZD15)
hij op 1 december 2011 te [plaats], gemeente Drimmelen, wapens van categorie III, te weten een revolver (merk Tula) en een geweer (merk Uberti), en munitie van categorie III, te weten een hoeveelheid patronen, voorhanden heeft gehad;
5 (ZD14)
hij op 1 december 2011 te [plaats], gemeente Drimmelen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, vervaardigen, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van amfetamine en/of een of meer andere middel(en)vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- heeft getracht zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen tot het plegen van dat/die feit(en) te verschaffen en/of
- stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist, dat die bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en); hebbende hij, verdachte,
- chemicaliën (zwavelzuur en methanol) bestemd voor de productie van synthetische drugs voorhanden gehad en
- een locatie, te weten een stacaravan aan de [d-straat 1] te [plaats], gebruikt voor de opslag van voornoemde chemicaliën.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.”
Het hof heeft de onder 4 en 5 bewezen verklaarde feiten op een zogenaamde PROMIS-wijze als volgt gemotiveerd (met weglating van verwijzingen):
“4.3.2. Bewijsmiddelen met betrekking tot de feiten 5 en 4
Op 1 december 2011 vond er een doorzoeking plaats in een caravan en de bijbehorende schuur aan de [d-straat 1] te [plaats], gemeente Drimmelen.
Schuur
In de schuur die bij de caravan stond werd een zwarte jerrycan (IBN nummer KW3A05.01.003) met daarop een waarschuwingssticker voor een gevaarlijke stof, met daarin circa 3 liter heldere, lichtgele vloeistof, en een witte jerrycan (IBN nummer KW3A.05.01.004) met daarin circa 4 liter heldergekleurde vloeistof in beslag genomen.
Uit de zwarte jerrycan werd de vloeistof bemonsterd (AADS6696NL), een wit brokje aan de bovenzijde van de jerrycan (AADS6697NL) en de witte aanslag rond de dop aan de bovenzijde van de jerrycan (AADS6698NL). De vloeistof bevatte zwavelzuur en de andere genomen monsters bleken een lage concentratie van amfetamine en coffeïne te bevatten. Ook de vloeistof van de witte jerrycan werd bemonsterd (AADS6699NL). De vloeistof bleek methanol te bevatten. Door het LFO werd aangegeven dat de aangetroffen chemicaliën typisch chemicaliën betreffen welke aangetroffen worden op locaties waar synthetische drugs zoals amfetamine vervaardigd en bewerkt worden.
Tevens werd in de schuur een geweer, gewikkeld in een blauwe doek, aangetroffen. Het geweer stond rechtop tegen de wand van de schuur. Het geweer werd eveneens onderzocht. Het geweer betrof een enkelloops kogelgeweer van het merk Uberti. Het bleek geschikt om projectielen door een loop af te schieten en de werking berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing. Het geweer is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 gelet op artikel 2 lid 1 categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie (Wwm).
Caravan
In de caravan werden uit de kledingkast in de slaapkamer twee zwarte T-shirts (IBN nummers K.W3A.02.01.001 en 002) in beslag genomen. Deze kleding werd onderzocht en bemonsterd. Bij één zwart shirt (AAEF6478NL) werden twee vlekken uitgesneden. Beide bemonsteringen bleken amfetamine te bevatten en in één monster werd tevens coffeïne aangetroffen. Op het andere zwarte shirt (AEF6477NL) werd een duidelijk zichtbare vlek bemonsterd. Ook dit monster bleek amfetamine te bevatten.
De kleding werd tevens onderzocht op biologische sporen. Van het DNA in de bemonsteringen AAEF6477NL#01 en AAEF6478NL#01 van de shirts werden DNA profielen verkregen en vergeleken. Uit onderzoek door het NFI blijkt dat de DNA-profielen in de bemonsteringen AAEF6477NL#01 en AAEF6478NL#01 matchen met elkaar en het celmateriaal in deze twee bemonsteringen afkomstig kan zijn van één en dezelfde onbekende man. Uit onderzoek door het NFI bleek verder dat het enkelvoudig DNA-profiel dat werd aangetroffen in de bemonstering AAEF6477NL#01 matcht met het DNA profielcluster 6727 van verdachte, zodat het celmateriaal van hem afkomstig kan zijn. Gelet op de berekende frequentie van de DNA-profie|en AAEF6477NL#01 en AAEF6478NL#01, is de kans dat deze DNA-profielen matchen met het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man, kleiner dan één op één miljard.
Het hof stelt met de rechtbank vast dat het DNA op de beide shirts afkomstig is van verdachte.
Naast de inbeslaggenomen kleding werd er ook een wapen met munitie in de caravan aangetroffen. De afzuigkap in de caravan was aan de onderzijde geopend. In die kap bevond zich een gevulde en met duct-tape omwikkelde grijze sok. In de linkerhoek van de afzuigkap bevond zich een bruine foedraal en een plastic gripzakje. In de grijze sok werd een zwarte geluiddemper en een plastic gripzakje met 15 kogelpatronen van het kaliber .32 aangetroffen. In het plastic zakje werden 14 kogelpatronen van het kaliber 7.62 ‘Nagant’ aangetroffen. In de foedraal werd een revolver aangetroffen. De revolver werd onderzocht.
Geconcludeerd werd dat met de revolver zowel double als single action geschoten kan worden. De revolver bleek geschikt om projectielen door een loop af te schieten en de bewerking berust op het teweeg brengen van een scheikundige ontploffing. De revolver betreft een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 gelet op artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie (Wwm). De 15 kogelpatronen, geschikt om te worden verschoten met voornoemd revolver, betreffen munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wwm. Ook de 14 kogelpatronen, kaliber 7.62 ‘Nagant’ betreffen munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2, lid 2, categorie II van de Wwm ‘Nagant’ betreffen munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2, lid 2, categorie II van de .
Tevens werden er in de caravan diverse foto’s waarop verdachte te zien was en twee rekeningen ten name van verdachte aangetroffen.
In een eerder stadium van het onderzoek Akutan, te weten op 2 november 2010, is van [C] aan de [e-straat 1] te [plaats] gevorderd gegevens te verstrekken omtrent verdachte en is rechercheur 57 in dat kader ter plaatse gegaan. Rechercheur 57 werd aldaar te woord gestaan door [betrokkene 4], mede eigenaresse van het bedrijf. Na telefonisch contact met haar broer verklaarde zij dat verdachte verblijft in een caravan op de camping gelegen aan de [d-straat 1] te [plaats]. Verdachte zou verblijven in de caravan van een man genaamd [betrokkene 5]. [betrokkene 5] verhuurde de caravan aan verdachte. De broer van [betrokkene 4] heeft dit bevestigd. De eigenaar van de caravan, getuige [betrokkene 5] werd tevens gehoord. Hij verklaarde dat hij de caravan sinds 2010 heeft verhuurd aan een man genaamd [verdachte]. Wanneer hem een foto wordt getoond van verdachte, geeft hij aan deze man met 100% zekerheid te herkennen als degene die de caravan huurt. Er was één sleutel van de caravan en deze was in het bezit van verdachte.
Ook de partner van verdachte, [betrokkene 6], is gehoord. Zij heeft verklaard dat verdachte een aantal dagen per week bij haar woonde en de overige dagen in zijn caravan in [plaats]. Verdachte woonde daar volgens haar al jaren.
Bewijsoverwegingen met betrekking tot de feiten 5 en 4
Verdachte heeft zich in eerste aanleg op zijn zwijgrecht beroepen. In hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij de caravan huurde, maar dat er ook andere mensen kwamen en dat hij volgens hem niets met deze feiten te maken had.
Het hof overweegt als volgt.
Met betrekking tot feit 5
Gelet op de bovenstaande bewijsmiddelen, is het hof met de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte op 1 december 201 1 voorbereidingshandelingen in de zin van de Opiumwet heeft verricht dóór chemicaliën bestemd voor de productie van synthetische drugs voorhanden te hebben en een locatie, te weten de stacaravan met bijbehorende schuur, voor de opslag van voornoemde chemicaliën te hebben gebruikt.
Voor bewezenverklaring van het tenlastegelegde is vereist een meer of mindere mate van bewustheid bij verdachte omtrent de aanwezigheid van de goederen/stoffen, en dat deze zich in de machtssfeer van verdachte bevonden. Dat, zoals door de verdediging is gesteld, er op geen enkele wijze kan worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de chemicaliën acht het hof, gelijk de rechtbank, niet aannemelijk. Uit de getuigenverklaringen is gebleken dat verdachte de caravan huurde, er regelmatig verbleef en voorts dat hij de enige was die in het bezit was van de sleutel. De schuur waarin de chemicaliën zijn aangetroffen behoorde bij deze caravan. Dat een ander dan verdachte deze spullen er in zou hebben gezet, kan niet uit het dossier noch op grond van het onderzoek ter terechtzitting worden opgemaakt. Verdachte heeft zijn verklaring in hoger beroep dat er ook andere mensen kwamen op geen enkele wijze ook maar enigszins geconcretiseerd en onderbouwd. Dit in, samenhang bezien met het feit dat er in de caravan shirts zijn aangetroffen, met daarop naast het DNA-materiaal van verdachte ook amfetamine, acht het hof in navolging van de rechtbank voldoende voor het bewijs dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van de genoemde chemicaliën.
Het hof acht voorts bewezen dat verdachte die chemicaliën aanwezig heeft gehad met het oog op de productie van synthetische verdovende middelen, mede gelet op de aangetroffen amfetamine op de in de caravan aanwezige shirts van verdachte.
Dat verdachte de chemicaliën ook vóór 1 december 2011 voorhanden heeft gehad en de stacaravan met schuur voor de opslag daarvan heeft gebruikt, of dat sprake is geweest van medeplegen valt niet afte leiden uit het dossier en het verhandelde ter zitting, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Met betrekking lot feit 4
Voor een bewezenverklaring van ‘voorhanden hebben’ als bedoeld in artikel 26 van de Wwm dient, naast de al dan niet fysieke aanwezigheid van het wapen of de munitie, te worden vastgesteld dat verdachte in meer of mindere mate zich bewust was van die aanwezigheid en dat hij enige handelingsbevoegdheid had ten aanzien van het goed, in die zin dat hij erover kon beschikken. Aan die voorwaarden zal veelal zijn voldaan indien het wapen is aangetroffen op een plaats waartoe verdachte vrijwel exclusief toegang had en welke plaats verdachte ook gebruikte.
Het hof is met de rechtbank ook met betrekking tot de wapens en munitie van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte deze voorhanden heeft gehad. Verdachte kon immers over de wapens beschikken, de wapens zijn in zijn gehuurde caravan en daarbij behorende schuur aangetroffen en verdachte was de enige die over een sleutel beschikte. Ook hier blijkt nergens uit dat een ander dan verdachte deze goederen in de caravan en in de schuur zou hebben gezet; verdachte heeft zijn verklaring in hoger beroep dat er ook andere mensen kwamen op geen enkele wijze ook maar enigszins geconcretiseerd en onderbouwd.”