Hoge Raad, 19-11-2024, ECLI:NL:HR:2024:1694, 23/03507
Hoge Raad, 19-11-2024, ECLI:NL:HR:2024:1694, 23/03507
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 19 november 2024
- Datum publicatie
- 19 november 2024
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2024:1694
- Formele relaties
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:763
- Zaaknummer
- 23/03507
Inhoudsindicatie
Cassatie in het belang van de wet. Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Bezwaarschrift van veroordeelde tegen het bepalen en het verwerken van haar DNA-profiel. Uitleg van gezichtspunt ‘aard van misdrijf’ a.b.i. art. 2.1.b DNA-V. HR gaat in op doel en uitgangspunt van wettelijke regeling DNA-V. Uitgangspunt is dat bij iedere veroordeelde a.b.i. art. 2.1 DNA-V celmateriaal wordt afgenomen t.b.v. bepalen en verwerken van DNA-profiel. Alleen in de in art. 2.1.a en 2.1.b DNA-V genoemde gevallen kan dit bevel achterwege worden gelaten. Bij beoordeling of uitzonderingsgrond van art. 2.1.b DNA-V zich voordoet mag uitsluitend acht worden geslagen op i) aard van misdrijf en ii) bijzondere omstandigheden waaronder misdrijf is gepleegd. Bij ‘aard van misdrijf’ gaat het dan om type misdrijf waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan opsporing. Volgens wetsgeschiedenis zal daarvan sprake zijn bij misdrijf waarbij doorgaans geen celmateriaal wordt achtergelaten. Bepalend is of sprake is van type misdrijf waarvoor in algemeen moet worden aangenomen dat bij opsporing daarvan DNA-onderzoek niet of slechts bij hoge uitzondering een rol kan spelen. In dit opzicht kan men spreken van abstracte beoordeling. Daarbij is van belang dat voorbeelden die in wetsgeschiedenis zijn genoemd, moeten worden bezien tegen achtergrond van stand van techniek t.t.v. totstandkoming van DNA-V. Bij toepassing van art. 2.1.b DNA-V moet echter telkens worden uitgegaan van mogelijkheden die hedendaagse opsporingstechnieken bieden, zodat aan de in wetsgeschiedenis gegeven voorbeelden in mindere mate betekenis toekomt. Voor beoordeling of uitzonderingsgrond van art. 2.1.b DNA-V zich voordoet is niet uitsluitend misdrijf van belang waarop veroordeling die aanleiding geeft tot bevel, betrekking heeft. Ook andere misdrijven die veroordeelde eerder heeft begaan en waarvoor deze onherroepelijk is veroordeeld kunnen in ogenschouw worden genomen, als voor die misdrijven geldt dat DNA-onderzoek in het algemeen bijdrage kan leveren aan opsporing daarvan. Gezichtspunt van ‘aard van misdrijf’ zal slechts hoogst zelden met zich brengen dat bepalen en verwerken van DNA-profiel niet van betekenis zal kunnen zijn voor voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van veroordeelde.
HR maakt ook enkele opmerkingen over het in art. 2.1.b DNA-V opgenomen gezichtspunt van ‘bijzondere omstandigheden waaronder misdrijf is gepleegd’. Dit gezichtspunt biedt in uitzonderlijke situaties de ruimte om af te wijken van algemeen geldend uitgangspunt dat celmateriaal wordt afgenomen bij iedere veroordeelde a.b.i. art. 1 DNA-V. Die beoordelingsruimte is mede van belang i.v.m. verenigbaarheid van afname van celmateriaal en bepalen en verwerken van DNA-profielen met Europese regelgeving en rechtspraak.
Overwegingen Rb houden o.m. in dat beoordeling of vanwege ‘aard van het misdrijf’ het bevel dat van veroordeelde celmateriaal wordt afgenomen t.b.v. bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel, achterwege moet worden gelaten, “toets in abstracto” betreft. Daarmee heeft Rb tot uitdrukking gebracht dat voor achterwege laten van dat bevel grond bestaat als veroordeling betrekking heeft op misdrijf waarvoor in zijn algemeenheid geldt dat DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan opsporing. Daarbij is dus niet van belang of DNA-onderzoek rol heeft gespeeld bij concreet misdrijf waarop veroordeling ziet. Rb heeft verder in overwegingen betrokken dat bij deze beoordeling moet worden uitgegaan van mogelijkheden die hedendaagse opsporingstechnieken bieden. Rb is met dit beoordelingskader uitgegaan van juiste rechtsopvatting.
Volgt verwerping.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/03507 CW
Datum 19 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 2 februari 2023, nummer 81-335565-21, in de vordering tot cassatie in het belang van de wet
tegen
[veroordeelde] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de veroordeelde.
1 De beschikking van de rechtbank
Bij de beschikking van de rechtbank is het bezwaarschrift van de veroordeelde tegen het bepalen en verwerken van haar DNA-profiel ongegrond verklaard.
2 Het cassatieberoep
De procureur-generaal F.W. Bleichrodt heeft beroep in cassatie in het belang van de wet ingesteld. De vordering strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank. De voordracht tot cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3 Waar het in deze zaak om gaat
Deze zaak gaat over de beoordeling van een bezwaarschrift van een veroordeelde tegen het bepalen en het verwerken van haar DNA-profiel. Meer in het bijzonder gaat het om de uitleg van het gezichtspunt ‘de aard van het misdrijf’, als bedoeld in artikel 2 lid 1, aanhef en onder b, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna ook: de Wet). De aanleiding voor de vordering van de procureur-generaal is erin gelegen dat door rechtbanken geen eenduidige uitleg aan dit gezichtspunt wordt gegeven.
De vordering tot cassatie in het belang van de wet heeft betrekking op een zaak waarin aan de veroordeelde een strafbeschikking is opgelegd voor het plegen van valsheid in geschrift. De veroordeelde heeft tegen het bepalen en verwerken van haar DNA-profiel een bezwaarschrift ingediend bij de rechtbank. Zij voert daarin onder meer aan dat valsheid in geschrift in de memorie van toelichting bij de Wet uitdrukkelijk is genoemd als misdrijf waarvoor geldt dat vanwege de aard van dat misdrijf DNA-onderzoek niet of nauwelijks een rol van betekenis kan spelen. De rechtbank heeft dit bezwaarschrift ongegrond verklaard.