Parket bij de Hoge Raad, 12-07-2024, ECLI:NL:PHR:2024:763, 23/03507
Parket bij de Hoge Raad, 12-07-2024, ECLI:NL:PHR:2024:763, 23/03507
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 12 juli 2024
- Datum publicatie
- 12 juli 2024
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2024:763
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1694
- Zaaknummer
- 23/03507
Inhoudsindicatie
Vordering PG tot cassatie in het belang der wet. Uitleg van de maatstaf ‘de aard van het misdrijf’ als bedoeld in art. 2 lid 1 onder b Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Deze maatstaf moet beperkt worden uitgelegd. De maatstaf van ‘de aard van het misdrijf’ moet in samenhang worden bezien met de maatstaf ‘de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd’. Bij de beoordeling of het bepalen en verwerken van het DNA-profiel, gelet op de aard van het misdrijf, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde, dient volgens de PG een toetsing in abstracto plaats te vinden. Daarbij mag rekening worden gehouden met de voortschrijdende techniek. De rechtbank heeft dit alles volgens de PG niet miskend.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/03507 CW
Zitting 12 juli 2024
Vordering tot cassatie in het belang der wet
F.W. Bleichrodt
In de zaak
[veroordeelde],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de veroordeelde
Inhoudsopgave
1. Inleiding
2. Aanleiding vordering tot cassatie in het belang der wet
3. Wettelijk kader
4. Wetsgeschiedenis
5. Rapport DNA-V (2018)
6. Nieuwe wetgeving in voorbereiding
7. Jurisprudentie van de Hoge Raad
8. Jurisprudentie EHRM
9. Jurisprudentie Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU)
10. Beschikkingen rechtbanken
11. Bevindingen ten aanzien van de uitleg van ‘de aard van het misdrijf’
12. Middelen van cassatie
1. Inleiding
Deze vordering tot cassatie in het belang der wet heeft betrekking op een beslissing van de rechtbank Amsterdam van 2 februari 2023, parketnr. 81-335565-21, raadkamernr. 22-020794, waarbij het door de veroordeelde ingediende bezwaarschrift als bedoeld in art. 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna: Wet DNA-V) ongegrond is verklaard.
Tegen de beslissing staat geen gewoon beroep in cassatie open. Cassatie in het belang der wet is op grond van art. 78 lid 1 RO, in verbinding met art. 456 Sv, wel mogelijk.
Het gaat in deze zaak om het volgende. Aan de veroordeelde is een strafbeschikking opgelegd wegens valsheid in geschrift waarbij de veroordeelde een taakstraf van zestig uur is opgelegd. Bij bevel van 13 juli 2022 heeft de officier van justitie bepaald dat van de veroordeelde celmateriaal zal worden afgenomen ter bepaling en verwerking van haar DNA-profiel. Binnen de wettelijke termijn heeft de veroordeelde een bezwaarschrift als bedoeld in art. 7 Wet DNA-V ingediend.
De rechtbank heeft – voor zover voor deze vordering van belang – het volgende overwogen:
“ Uitzonderingen Op grond van artikel 2 lid 1, aanhef en onder b van de Wet beveelt de officier van justitie de afname ‘tenzij redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde’.
Aard van het misdrijf Blijkens de wetsgeschiedenis ziet de maatstaf ‘aard van het misdrijf’ op misdrijven waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing.
(...)
Beoordeling van het bezwaarschrift (...)
De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval de hiervoor genoemde uitzonderingen zich niet voordoen.
Aard van het misdrijf Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de uitzonderingsgrond ‘aard van het misdrijf’ op misdrijven ziet waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing. De wetgever stelde in de jaren 2002-2003 dat hier sprake van kon zijn bij misdrijven als valsheid in geschrift, meineed, schuldheling en verduistering. Door voortschrijdende opsporingstechnieken in de afgelopen twintig jaar kan DNA-bewijs en daarmee het DNA-profiel van een veroordeelde, anders dan namens de veroordeelde is betoogd, vandaag de dag wél een rol spelen in een opsporingsonderzoek naar een aantal van die misdrijven, zoals valsheid in geschrift. De rechtbank denkt daarbij aan gegevensdragers waarop biologische sporen kunnen achterblijven. Dat in het onderhavige geval DNA-onderzoek geen rol heeft gespeeld doet daar niet aan af. Het gaat om een toets in abstracto, niet of DNA-onderzoek in de opsporing van een concreet geval daadwerkelijk is toegepast.
Bijzondere omstandigheden van het geval
De maatstaf “bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd” hangt samen met de persoon van de veroordeelde. Niet is vereist dat ten aanzien van de veroordeelde concreet recidivegevaar kan worden vastgesteld, al was het maar omdat de Wet ook ziet op opsporing van reeds gepleegde feiten. Anders dan de raadsvrouw ter zitting betoogde, komt een dergelijke afweging niet in strijd met de onschuldpresumptie. Het gaat immers om de toets ten aanzien van het risico op recidive.”
ConclusieNu het bevel tot DNA-afname bij veroordeelde voldoet aan de daaraan door de wet gestelde eisen en de uitzonderingen als bedoeld in artikel 2 van de Wet zich hier niet voordoen, zal de rechtbank het bezwaar ongegrond verklaren.
De rechtbank komt tot de volgende beslissing.