Home

Hoge Raad, 11-06-2024, ECLI:NL:HR:2024:649, 22/04290

Hoge Raad, 11-06-2024, ECLI:NL:HR:2024:649, 22/04290

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11 juni 2024
Datum publicatie
11 juni 2024
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:649
Formele relaties
Zaaknummer
22/04290

Inhoudsindicatie

Ontucht plegen met zijn minderjarige stiefdochter, meermalen gepleegd (art. 249.1 Sr). 1. Gebruik voor bewijs van WhatsApp-berichten en chatberichten die door aangeefster of haar moeder zijn overlegd. 2. Bewijsminimum, art. 342.2 Sv (unus testis). Vindt verklaring van aangeefster voldoende steun in ander bewijsmateriaal? 3. Oplegging bijzondere voorwaarde (contactverbod) in strijd met art. 14c Sr, nu voorwaarde een onbepaalde duur heeft en toezicht op naleving ervan is opgedragen aan politie?

HR: art. 81.1 RO.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/04290

Datum 11 juni 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 november 2022, nummer 21-004345-20, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juni 2024.