Parket bij de Hoge Raad, 02-04-2024, ECLI:NL:PHR:2024:361, 22/04290
Parket bij de Hoge Raad, 02-04-2024, ECLI:NL:PHR:2024:361, 22/04290
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 2 april 2024
- Datum publicatie
- 11 juni 2024
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2024:361
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:649
- Zaaknummer
- 22/04290
Inhoudsindicatie
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/04290
Zitting 2 april 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.
Inleiding
-
De verdachte is bij arrest van 14 november 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens “ontucht plegen met zijn stiefkind, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met een bijzondere voorwaarde, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en is aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest bepaald.
-
Namens de verdachte heeft J. Boksem, advocaat in Leeuwarden, drie middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
3. Het middel klaagt over het gebruik voor het bewijs van WhatsApp-berichten en chatberichten die door de aangeefster of haar moeder zijn overgelegd.
4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 13 december 2015 te [plaats] , ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig stiefkind [aangeefster] , geboren [geboortedatum] 1998, door
- het brengen van zijn penis in haar vagina,
- het brengen van één of meer vingers in haar vagina,
- het brengen van zijn penis in haar mond,
- het likken van haar vagina,
- die [aangeefster] te bewegen haar ontblote lichaam aan hem, verdachte, te tonen,
- te ejaculeren over het gezicht en borsten van die [aangeefster] ,
- zich af te trekken in het bijzijn van de [aangeefster] en
- het zoenen van die [aangeefster] .”
5. Deze bewezenverklaring steunt op onder meer berichten tussen de verdachte en de aangeefster (bewijsmiddel 3, afkomstig van onderzoek aan de telefoon van de aangeefster) en berichten tussen de verdachte en de moeder van de aangeefster (bewijsmiddel 6, overgelegd door de moeder van de aangeefster).
6. Het hof heeft over het gebruik van deze berichten overwogen:
“Voorwaardelijk verzoek
De verdediging heeft de authenticiteit van de chatberichten tussen verdachte en [betrokkene 1] in twijfel getrokken, nu deze door [betrokkene 1] zijn aangeleverd in een txt.bestand en deze door haar zelf en mogelijk ook door de politie zijn bewerkt en daarmee de betrouwbaarheid van dit bestand betwist.
Het verzoek – in het geval het hof tot een bewezenverklaring komt – is dan ook om de originele gegevensdrager waar het chat.txt bestand mee is gemaakt door een digitaal expert te laten onderzoeken.
Vooraleerst stelt het hof vast dat blijkens het dossier de gegevensdrager waarop de raadsvrouw doelt in het kader van de strafrechtelijke procedure nooit in beslag is genomen en dat het onderzoek als verzocht door de raadsvrouw om die reden niet kan plaatsvinden. Daarnaast acht het hof een dergelijk onderzoek -zo het al mogelijk zou zijn- niet noodzakelijk nu verdachte onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de inhoud van de in een later stadium overgelegde originele chatberichten zou zijn gemanipuleerd in voor verdachte negatieve zin. De enkele stelling van de raadsvrouw dat in diverse aangehaalde voorbeelden van chatberichten de tijd zou verspringen en zinnen niet goed zouden lopen omdat er tekst zou zijn weggelaten, maakt die conclusie niet anders.
Naar het oordeel van het hof zijn de berichten in het dossier voldoende betrouwbaar om bij de bewijsmiddelen te betrekken. Daarbij heeft het hof meegewogen hetgeen verbalisant [verbalisant] heeft gerelateerd in het proces-verbaal van bevindingen van 9 januari 2020 over het voegen van de chatberichten aan het dossier. Zij heeft aangegeven dat gelet op de grootte van het bestand in eerste instantie niet alles gevoegd werd, maar dat later werd besloten dit alsnog te doen en dat voor de volledigheid de originele chatberichten als bijlage aan haar proces-verbaal zijn gevoegd, waarbij voor de leesbaarheid koppen en een inhoudsopgave zijn toegevoegd.
Hieruit leidt het hof af dat het dossier ‘Aanvulling op einddossier (chatberichten)’ bestaat uit de originele berichten, waar enkel voor de leesbaarheid toevoegingen zijn aangebracht en de inhoud van de berichten niet is gewijzigd. Daarnaast acht het hof het aannemelijk dat in het geval de berichten zouden zijn gemanipuleerd deze zo zouden zijn gereconstrueerd dat verdachte daarin ondubbelzinnig de tenlastegelegde feiten zou bekennen. Dat is echter niet het geval.
Tenslotte heeft het hof bij de beoordeling van het verzoek betrokken dat de aangifte van aangeefster niet enkel ondersteund wordt door de berichten die via de telefoon verstuurd zijn tussen aangeefster en verdachte en de moeder van aangeefster en verdachte, maar dat het hof deze berichten heeft bezien in samenhang met de overige bewijsmiddelen.
Het hof wijst het verzoek dan ook af.”
7. In de schriftuur wordt aangevoerd dat het gebruik van deze berichten blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is, omdat (i) de politie geen onderzoek heeft gedaan naar deze berichten, maar de selectie van de berichten heeft overgelaten aan (de moeder van) de aangeefster, (ii) het hof geen onafhankelijk onderzoek heeft laten verrichten naar de betrouwbaarheid van deze niet-authentieke (maar bewerkte en geselecteerde) berichten, terwijl de verdediging die betrouwbaarheid heeft betwist, (iii) de verdachte door het gebruik van de berichten voor het bewijs geen eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM heeft gehad, omdat de verdediging geen reële mogelijkheid heeft gehad de juistheid van de berichten te toetsen en daarvoor niet is gecompenseerd, (iv) de bewezenverklaring hierdoor steunt op bewijsmateriaal waarvan de bewijswaarde niet is vastgesteld, terwijl er sterke aanwijzingen zijn dat het materiaal door (de moeder van) de aangeefster is gemanipuleerd en (v) het hof niet is ingegaan op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat de berichten onbetrouwbaar zijn en daarom niet bruikbaar zijn voor het bewijs.
8. Over het middel kan ik redelijk kort zijn. De onder (i) weergegeven klacht mist feitelijke grondslag, omdat het hof heeft vastgesteld dat het dossier ‘Aanvulling op einddossier (chatberichten)’ bestaat uit de originele berichten, waar enkel voor de leesbaarheid toevoegingen zijn aangebracht en de inhoud van de berichten niet is gewijzigd of geselecteerd. Het onder (ii) weergegeven verzoek tot onderzoek aan de berichten heeft het hof gemotiveerd afgewezen en die motivering is niet onbegrijpelijk, mede gelet op de vaststelling van het hof dat “de gegevensdrager waarop de raadsvrouw doelt in het kader van de strafrechtelijke procedure nooit in beslag is genomen en dat het onderzoek als verzocht door de raadsvrouw om die reden niet kan plaatsvinden”. De onder (iii) weergegeven klacht is een enkele stelling die in de schriftuur niet nader wordt onderbouwd. Het is daarom geen “stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift” en daarmee voldoet het middel in zoverre niet aan de eisen die aan een cassatiemiddel worden gesteld.1 Daarbij teken ik ten overvloede aan dat de stelling dat de verdediging geen reële mogelijkheid heeft gehad de juistheid van de berichten te toetsen en daarvoor niet is gecompenseerd, wat mij betreft niet opgaat. Het hof heeft immers vastgesteld dat het dossier ‘Aanvulling op einddossier (chatberichten)’ bestaat uit de originele berichten, waar enkel voor de leesbaarheid toevoegingen zijn aangebracht en de inhoud van de berichten niet is gewijzigd. Uit de vaststellingen van het hof blijkt dus dat de verdachte kennis heeft kunnen nemen van de woordelijk uitgewerkte gesprekken en zich daartegen heeft kunnen verdedigen, zodat het kennelijke oordeel van het hof dat art. 6 EVRM niet is geschonden niet onbegrijpelijk is.2 Het onder (iv) weergegeven argument mist feitelijke grondslag, omdat er geen bewijsmateriaal is waarvan de bewijswaarde niet is vastgesteld. Het hof heeft juist vastgesteld dat het bewijsmateriaal betrouwbaar is. Tot slot mist ook de onder (v) weergegeven klacht feitelijke grondslag, omdat het hof op het standpunt van de verdediging heeft gereageerd en heeft uitgelegd waarom het de berichten betrouwbaar vindt.
9. Het middel faalt.