Home

Hoge Raad, 04-07-2025, ECLI:NL:HR:2025:1082, 24/00600

Hoge Raad, 04-07-2025, ECLI:NL:HR:2025:1082, 24/00600

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
4 juli 2025
Datum publicatie
4 juli 2025
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:1082
Formele relaties
Zaaknummer
24/00600

Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Verzekeringsrecht. Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM). Ontvankelijkheid. Formele procespartij bij meerderjarigenbewind. Inzittende maakt jegens WAM-verzekeraar aanspraak op vergoeding van schade door eenzijdig verkeersongeval. Verzekeraar voert daartegen aan dat inzittende bij sluiten van verzekering betrokken is geweest en Allianz opzettelijk is misleid. Art. 7:930 lid 5 BW. Stuit dit verweer af op art. 11 WAM? Beperkende werking van redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 2 BW). Misbruik van Unierecht? HvJEU 19 september 2024, ECLI:EU:C:2024:761 (Matmut).

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 24/00600

Datum 4 juli 2025

ARREST

In de zaak van

1. [eiser 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiseres 2],

wonende te [woonplaats],

3. [eiseres 3] V.O.F.,

gevestigd te [woonplaats],

4. [eiseres 4],

wonende te [woonplaats],

5. [de bewindvoerder] h.o.d.n. [A],

gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERS tot cassatie,

eisers tot cassatie onder 1, 2 en 3 hierna gezamenlijk: [eisers 1 t/m 3],

eiseres tot cassatie onder 4 hierna: [eiseres 4],

eiser tot cassatie onder 5 hierna: de bewindvoerder,

eisers tot cassatie hierna gezamenlijk: [eisers],

advocaat: K. Aantjes,

tegen

ALLIANZ BENELUX N.V. h.o.d.n. ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING,

gevestigd te Brussel, België, kantoorhoudende te Rotterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

hierna: Allianz,

advocaat: T. van Malssen.

1 Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de beschikking in de zaak C/17/179389 HA RK 21-70 van de rechtbank Noord-Nederland van 25 november 2021;

b. het vonnis in de zaak C/17/183108 HA ZA 22-69 van de rechtbank Noord-Nederland van 13 april 2022;

c. de arresten in de zaak 200.312.921/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 maart 2023, 21 november 2023 en 12 maart 2024.

[eisers] hebben tegen het arrest van het hof van 21 november 2023 beroep in cassatie ingesteld.

Allianz heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor Allianz mede door M. Hengeveld.

De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot vernietiging en tot afdoening op de wijze als vermeld in de conclusie in randnummer 5.31.

De advocaat van Allianz heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

Deze uitspraak gaat over de vraag of [eiseres 4], die als inzittende van een op grond van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (hierna: WAM) bij Allianz verzekerde auto schade heeft geleden bij een verkeersongeval, recht heeft op vergoeding van die schade door Allianz. Meer in het bijzonder gaat de uitspraak over het verweer van Allianz dat [eiseres 4] geen recht heeft op vergoeding omdat zij bij het tot stand komen van de verzekering betrokken is geweest en Allianz opzettelijk heeft misleid.

2.2

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Op 1 januari 2019 is [eiseres 4] betrokken geraakt bij een eenzijdig verkeersongeval met een personenauto (hierna: het ongeval). [eiseres 4] zat als passagier in de auto, die werd bestuurd door haar jongere zus (hierna: de zus). Andere passagiers in de auto waren de voormalige partner van [eiseres 4], de dochter van [eiseres 4] en de vader van [eiseres 4].

(ii) Door het ongeval heeft [eiseres 4] ernstig letsel opgelopen en is zij rolstoelafhankelijk geworden. In juni 2019 is [eiseres 4] overgeplaatst naar een aangepaste woning met vierentwintiguurszorg.

(iii) De goederen van [eiseres 4] staan onder beschermingsbewind. Aanvankelijk waren [eisers 1 t/m 3] bewindvoerder. Zij zijn op 16 januari 2023 als zodanig vervangen door de bewindvoerder.

(iv) De auto was ten tijde van het ongeval op naam gesteld van [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]). Voor de auto is bij Allianz een WA-beperktcascoverzekering afgesloten op naam van de toenmalige partner van [betrokkene 1], [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]).

(v) In juni 2019 heeft [eiseres 4] Allianz als WAM-verzekeraar van de auto aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het ongeval. In december 2019 heeft Allianz aansprakelijkheid van de hand gewezen.

(vi) In februari 2020 heeft Allianz laten weten dat zij vanwege de ernst van het letsel van [eiseres 4] bereid is haar zonder erkenning van aansprakelijkheid een voorschot te betalen van € 2.000,.

(vii) Allianz heeft een expert opdracht gegeven om onderzoek te verrichten naar de omstandigheden rondom het ongeval. In de rapporten van de expert staat onder meer dat de zus kan worden aangemerkt als bestuurster ten tijde van het ongeval en dat zij na het ongeval het rijbewijs van [eiseres 4] heeft getoond. De zus was niet in het bezit van een geldig rijbewijs voor het besturen van een auto. In het rapport staat voorts dat gebleken is dat de auto in eigendom toebehoort aan [eiseres 4] en dat zij door de auto op naam van [betrokkene 2] en daarna [betrokkene 1] te zetten een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven omtrent de eigendom van de auto. Daarnaast staat in de rapporten dat [eiseres 4] in het verleden zelf een verzekeringsaanvraag had ingediend voor de auto en dat die aanvraag blijkens stukken van Allianz is geweigerd. Vervolgens heeft [eiseres 4] in juli 2018, met toestemming van [betrokkene 2], online een verzekeringsaanvraag ingediend bij Allianz op naam van [betrokkene 2], waarbij zij vragen onjuist heeft beantwoord. Ook staat in de rapporten vermeld dat [eiseres 4] zich in telefoongesprekken met Allianz heeft voorgedaan als [betrokkene 2] (of als familie van [betrokkene 2]), dat [eiseres 4] de door [betrokkene 2] betaalde premie aan [betrokkene 2] terugbetaalde en dat [eiseres 4] op de hoogte was van het feit dat haar zus niet in het bezit was van een geldig rijbewijs.

(viii) In oktober 2020 heeft Allianz aan [eiseres 4] geschreven dat sprake is van verval van recht op uitkering onder de WAM-verzekering, omdat [eiseres 4] zich schuldig zou hebben gemaakt aan bedrog, opzettelijke misleiding en schending van de waarheidsplicht. In december 2020 heeft Allianz verder een beroep gedaan op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.

(ix) Allianz heeft [eiseres 4] € 7.000, betaald als voorschot.

2.3

[eisers 1 t/m 3] en [eiseres 4] hebben in een procedure op de voet van art. 1019w Rv, voor zover in cassatie van belang, verzocht om te bepalen dat Allianz gehouden is tot vergoeding van de schade van [eiseres 4] als gevolg van het ongeval.

2.4

De rechtbank Noord-Nederland1 heeft, voor zover in cassatie van belang, bepaald dat Allianz gehouden is tot vergoeding van de schade van [eiseres 4] als gevolg van het ongeval.

2.5

Allianz heeft vervolgens [eisers 1 t/m 3] en [eiseres 4] gedagvaard in de onderhavige bodemprocedure en, na daartoe van de rechtbank verkregen toestemming, hoger beroep ingesteld tegen de hiervoor in 2.4 vermelde beschikking.

2.6

Het hof2 heeft de beschikking vernietigd en de vordering afgewezen. Daartoe heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen.

Vast staat dat [eiseres 4] de verzekeringsaanvraag namens [betrokkene 2] heeft gedaan, omdat zij wist dat Allianz haar een verzekering zou weigeren. Voor Allianz is het niet kenbaar geweest dat [eiseres 4] optrad als vertegenwoordiger van [betrokkene 2]. Allianz is ervan uitgegaan dat [betrokkene 2] op eigen naam een verzekering sloot ten behoeve van haar eigen voertuig. (rov. 4.3)

Het hof merkt [eiseres 4] aan als ‘bekende derde’, als bedoeld in art. 7:928 lid 2 BW, wier belang bij het sluiten van de verzekering is gedekt. Dit laatste gelet op de omstandigheden dat [eiseres 4] online een verzekeringsaanvraag heeft ingediend bij Allianz op naam van [betrokkene 2], [eiseres 4] feitelijk eigenaar, althans bestuurder van de auto was en (via [betrokkene 2]) de verzekeringspremies heeft voldaan en aldus direct belanghebbende bij de WAM-verzekering was, die zij zelf niet kon afsluiten. (rov. 4.4)

De mededelingsplicht van de verzekeringnemer omvat op grond van art. 7:928 lid 2 BW ook hetgeen een hem bekende derde wiens belang bij het sluiten van de verzekering gedekt is, had moeten mededelen indien hij zelf verzekeringnemer was geweest. (rov. 4.5)

[eiseres 4] heeft de aanvraag voor de WAM-verzekering voor de auto niet alleen op naam van [betrokkene 2] gedaan, maar ook namens haar de vragenlijst onjuist ingevuld. (rov. 4.6)

Allianz zou de WAM-verzekering niet hebben gesloten als zij van de ware feiten zou hebben geweten. (rov. 4.7)

Uit art. 7:930 lid 5 BW volgt dat geen uitkering is verschuldigd aan de verzekeringnemer of de derde, bedoeld in art. 7:928 lid 2 BW, die heeft gehandeld met het opzet de verzekeraar te misleiden. Evenmin is een uitkering verschuldigd aan de derde indien de verzekeringnemer, met het opzet de verzekeraar te misleiden, niet heeft voldaan aan de mededelingsplicht betreffende de derde. (rov. 4.8)

De zware sanctie van verval van het recht op uitkering geldt tegenover de derde alleen indien deze zelf dan wel de verzekeringnemer met betrekking tot het risico of het belang van de derde heeft gehandeld met het opzet tot misleiden. (rov. 4.9)

Naar het oordeel van het hof is hiervan sprake geweest. (rov. 4.10)

Gelet op het voorgaande volgt het hof Allianz in haar stelling dat art. 11 WAM niet in de weg staat aan het inroepen van de verzekeringsrechtelijke sancties door Allianz jegens [eiseres 4] (schending van de precontractuele mededelingsplicht ex art. 7:928 BW en verval van het recht op uitkering wegens opzettelijke misleiding), omdat [eiseres 4] niet als een derde-benadeelde (derde-claimant onder de WAM, die niets van doen heeft met de verzekeringsrechtelijke verhouding tussen de verzekerde/verzekeraar) kan worden aangemerkt. (rov. 4.11)

Het Bijrijdersarrest van 6 juli 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1103) is niet van toepassing, omdat in deze zaak de derde-benadeelde/inzittende wel een rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van de WAM-verzekering. Zonder de fraude van [eiseres 4] zou geen sprake zijn geweest van een WAM-verzekering en dus ook geen dekking voor schade als gevolg van het ongeval. Het hof volgt [eiseres 4] daarmee niet in haar stelling dat de fraude in deze zaak minder ernstig is dan de fraude die centraal stond in het Bijrijdersarrest. (rov. 4.12)

Voor zover [eiseres 4] niet zou hebben te gelden als ‘bekende derde’ als bedoeld in art. 7:928 lid 2 BW, slaagt ook het beroep van Allianz op art. 6:2 lid 2 BW. Het bedrog van [eiseres 4] brengt mee dat zij haar recht op vergoeding uit hoofde van art. 6 WAM (voor zover haar daarop al een beroep zou toekomen) door haar eigen onoorbare gedrag heeft verspeeld. De handelwijze van [eiseres 4], bestaande uit het opzettelijk misleiden van Allianz, had als doel een WAM-dekking te construeren voor de auto waarmee het ongeval heeft plaatsgevonden. Deze dekking zou zij niet hebben verkregen indien zij de vragenlijst naar waarheid zou hebben ingevuld en naar waarheid zou hebben verklaard. Daarmee zou het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn om op grond van art. 6 WAM tot schade-uitkering aan [eiseres 4] over te gaan, omdat dat zou betekenen dat [eiseres 4] zou kunnen profiteren van haar op juist dat profijt gerichte bedrieglijke constructie. Dit geldt temeer nu [eiseres 4] ook na het ongeval diverse onjuiste en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd om de door haar gepleegde fraude te verhullen, waarbij zij zich in ieder geval tijdens drie telefoongesprekken met Allianz heeft voorgedaan als [betrokkene 2]. Dit is niet alleen maatschappelijk onwenselijk, maar leidt ook tot verval van het recht op uitkering wegens opzettelijke misleiding ex art. 7:941 lid 5 BW in samenhang met art. 7:941 lid 2 BW. (rov. 4.13)

3 Beoordeling van de ontvankelijkheid van [eisers 1 t/m 3] en [eiseres 4]

3.1.1

Naar vaste rechtspraak komt de bevoegdheid tot het instellen van een rechtsmiddel in beginsel slechts toe aan degene die in de vorige instantie als procespartij is opgetreden. Is in de vorige instantie een partij uitsluitend opgetreden in een bepaalde hoedanigheid, zoals die van bewindvoerder, dan is zij slechts in die hoedanigheid bevoegd een rechtsmiddel aan te wenden tegen de uitspraak van de rechter in die instantie en verliest zij die bevoegdheid met het verlies van die hoedanigheid.3

3.1.2

De rechtbank heeft in haar beschikking vermeld dat [eisers 1 t/m 3] in hun hoedanigheid van bewindvoerders over de goederen van [eiseres 4] zijn opgetreden. Tijdens de procedure in hoger beroep zijn [eisers 1 t/m 3] als bewindvoerders over de goederen van [eiseres 4] ontslagen en is de bewindvoerder als zodanig benoemd.

3.1.3

[eisers 1 t/m 3] waren door het verlies van hun hoedanigheid van bewindvoerders over de goederen van [eiseres 4] niet bevoegd beroep in cassatie in te stellen. De Hoge Raad zal [eisers 1 t/m 3] derhalve niet-ontvankelijk verklaren in het cassatieberoep.

3.2

Als gevolg van het bewind kan [eiseres 4] in deze procedure niet zelf optreden als formele procespartij, maar dient zij te worden vertegenwoordigd door de bewindvoerder.4 De Hoge Raad zal [eiseres 4] derhalve niet-ontvankelijk verklaren in het cassatieberoep.

3.3

Aangenomen moet worden dat het optreden van [eisers 1 t/m 3] en [eiseres 4] als partij naast de bewindvoerder voor Allianz niet heeft geleid tot extra kosten. De Hoge Raad zal daarmee rekening houden bij de beslissing over de proceskosten.

4 Beoordeling van het middel

5 Beslissing