Hoge Raad, 21-02-2025, ECLI:NL:HR:2025:315, 23/03992
Hoge Raad, 21-02-2025, ECLI:NL:HR:2025:315, 23/03992
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 21 februari 2025
- Datum publicatie
- 21 februari 2025
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2025:315
- Formele relaties
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1323
- In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2023:651
- Zaaknummer
- 23/03992
Inhoudsindicatie
Verdeling eenvoudige gemeenschap tussen drie deelgenoten. Waardering percelen door taxateur. Taxatie bindend? Art. 3:185 BW in samenhang met art. 679 lid 2 Rv.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/03992
Datum 21 februari 2025
ARREST
In de zaak van
1. [L],
wonende te [woonplaats],
2. [S],
wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
hierna: [L] en [S],
advocaat: M.A.J.G. Janssen,
tegen
1. [K], in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [W],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
hierna: [K],
advocaat: R.L.M.M. Tan,
2. DE GEZAMENLIJKE ERFGENAMEN VAN [W],
gewoond hebbende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
hierna: de gezamenlijke erfgenamen,
niet verschenen.
1 Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/01/337304 / HA ZA 18-544 van de rechtbank Oost-Brabant van 15 januari 2020;
b. de arresten en rolbeslissingen in de zaak 200.278.970/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 juni 2020 (rolbeslissing), 6 april 2021, 8 juni 2021 (rolbeslissing), 21 september 2021, 28 februari 2023 en 18 juli 2023.
[L] en [S] hebben tegen het arrest van het hof van 28 februari 2023 beroep in cassatie ingesteld.
[K] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
Tegen de gezamenlijke erfgenamen is verstek verleend.
De zaak is voor [K] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot niet-ontvankelijkheid van [L] en [S] in hun beroep voor zover dit is gericht tegen de gezamenlijke erfgenamen, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2 Uitgangspunten en feiten
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [L], [S] en (de tijdens de procedure overleden) [W] (hierna: [W]) zijn broers. [W] is op 21 juli 2023 overleden. [K], zoon van [W], is executeur en afwikkelingsbewindvoerder ten aanzien van zijn nalatenschap.
(ii) [W], [L] en [S] waren gezamenlijk, ieder voor een derde deel, eigenaar van drie percelen grond.
In deze procedure heeft [W] verdeling gevorderd van de percelen, aldus dat primair de percelen aan hem worden toegedeeld, subsidiair twee percelen aan hem worden toegedeeld en één perceel aan [L] en [S], en meer subsidiair de drie percelen worden verkocht en de opbrengst wordt verdeeld. [L] en [S] hebben bepleit dat de drie percelen aan hen worden toegedeeld.
De rechtbank heeft bij eindvonnis de wijze van verdeling gelast in die zin dat de drie percelen worden toegedeeld aan [L] en [S] tegen de door een taxateur vast te stellen waarde en onder de verplichting van [L] en [S] om aan [W] een derde van de getaxeerde waarde te betalen. De rechtbank heeft voorts een taxateur aangewezen die de waarde van de percelen vaststelt en heeft bepaald dat indien een partij weigert mee te werken aan de toedeling, het vonnis in de plaats van de akte of een deel daarvan zal treden. De rechtbank heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:
“4.7 (...) Kortom het is de meest aangewezen weg om de waarde van de percelen te laten vaststellen door een onafhankelijke taxateur, aan te wijzen door de rechtbank.
De meest gerede partij kan de opdracht tot taxatie verstrekken aan de taxateur.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, zal de rechtbank dus overgaan tot het aanwijzen van een taxateur om de waarde vast te stellen waartegen de percelen aan [L] en [S] kunnen worden toegedeeld.Deze taxatie zal bindend dienen te zijn tussen partijen en niet opnieuw reden mogen worden voor het ontstaan van nieuwe discussies of een voortzetting van reeds lopende discussies. Om die reden van proces-economie, zal de rechtbank een eindvonnis wijzen, waarin de taxateur wordt aangewezen. Zowel de taxatie als de toedeling en levering zullen moeten plaatsvinden na het wijzen van dit vonnis. (...)”.
Nadat de door de rechtbank aangewezen taxateur zich had teruggetrokken, heeft de rechtbank op verzoek van partijen de naam van een andere taxateur genoemd.
Deze heeft de percelen vervolgens getaxeerd.
Bij tussenarrest van 21 september 20211 heeft het hof vastgesteld dat de eigendomsoverdracht van de percelen aan [L] en [S] op 15 juli 2020 heeft plaatsgevonden op basis van het vonnis en dat [W] het door hem ingestelde hoger beroep niet heeft ingeschreven in het rechtsmiddelenregister (art. 3:301 lid 2 BW). Het hof heeft geoordeeld dat als gevolg daarvan [W] in zijn hoger beroep niet ontvankelijk is voor zover zijn grieven betrekking hebben op de toedeling van de percelen aan [L] en [S] en de levering daarvan. Het hof heeft [W] wel ontvankelijk geacht in zijn hoger beroep voor zover het betrekking heeft op de beslissing van de rechtbank om de taxateur de waarde van de percelen bindend te laten bepalen en op de waardebepaling van de percelen.
Bij tussenarrest van 28 februari 20232 heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over zijn voornemen om drie deskundigen te benoemen met de opdracht een gezamenlijk oordeel te geven over de waarde van de percelen. Het hof heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang, overwogen:
“Heeft de rechtbank tot benoeming van een taxateur kunnen komen?
Met toebedeling van de onroerende zaken aan [L] en [S] (...) lag ook de vaststelling van de actuele waarde van de onroerende zaken ter beoordeling aan de rechtbank voor. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op grond van de door [W] ingestelde vordering niet tot benoeming van een taxateur heeft kunnen komen, zoals de rechtbank dat in het bestreden eindvonnis heeft gedaan, en baseert dit oordeel op het navolgende.
Vooropgesteld zij dat [W] heeft gevorderd dat de actuele waarde door een deskundige wordt bepaald. Dat [W] daadwerkelijk de benoeming van een deskundige (in de zin van artikel 194 Rv) voor ogen had, en niet een taxateur, blijkt niet alleen uit zijn spreekaantekeningen ten behoeve van de mondelinge behandeling op 6 februari 2019, waarin staat dat [W] de rechtbank verzoekt een onafhankelijke deskundige aan te wijzen om de waarde van de onroerende zaken te laten vaststellen, maar ook uit het proces-verbaal van die mondelinge behandeling. (...)
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank weliswaar ook gesproken over de mogelijkheid om een of meerdere taxateurs in samenspraak te benoemen, maar die overeenstemming is uitgebleven waarna [L] en [S] zich hebben uitgelaten over de gevorderde deskundigenbenoeming (...).
Voorts is gesteld noch anderszins gebleken, dat partijen vóór het wijzen van het vonnis overeenstemming hebben bereikt over het aanwijzen van een of meerdere taxateurs.
Vóór vonnis bindend advies overeengekomen?
De rechtbank heeft evenmin tot het oordeel kunnen komen dat het door de taxateur te geven advies bindend dient te zijn. Het hof baseert zijn oordeel op het navolgende.
De vordering van [W] kan niet zo worden uitgelegd dat hij een bindend advies heeft gevorderd. De (tekst van de) vordering noch de door [W] in eerste aanleg ingebrachte stukken geven hiertoe grond. Dat in de e-mails van [W] aan [L] en [S] van 16 respectievelijk 17 januari 2020 wordt geschreven over een 'zeer positieve uitspraak' en 'beide partijen deze uitkomst hebben gevorderd’, maakt - anders dan [L] en [S] aanvoeren - dit niet anders. Beide e-mails zijn immers van na datum eindvonnis en bovendien geen uitlatingen in rechte.
Gesteld noch anderszins gebleken is dat partijen vóór het eindvonnis overeenstemming hadden bereikt over een door een (door de rechtbank aan te wijzen) taxateur uit te brengen bindend advies. Dat, zoals [L] en [S] tijdens de mondeling behandeling in hoger beroep hebben aangevoerd, uit het begrip ''taxateur” volgt dat ook dan sprake is van een bindend advies, volgt het hof alleen al niet omdat een taxateur ook niet-bindende adviezen kan geven.”
Het hof3 heeft bepaald dat van het tussenarrest van 28 februari 2023 tussentijds cassatieberoep kan worden ingesteld.
3 Ontvankelijkheid
Na het in cassatie bestreden arrest is [W] overleden. [L] en [S] hebben het cassatieberoep gericht tegen [K] in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [W] en tegen de gezamenlijke erfgenamen van [W].
De toedeling van de percelen aan [L] en [S] is onaantastbaar (zie hiervoor in 2.5). Het geschil betreft nog de omvang van de overbedelingsvordering die thans behoort tot de nalatenschap van [W]. [K] is executeur en afwikkelingsbewindvoerder van de nalatenschap van [W].
Op grond van art. 4:145 lid 2 BW vertegenwoordigt de executeur gedurende zijn beheer bij de vervulling van zijn taak de gezamenlijke erfgenamen in en buiten rechte. De executeur treedt daarbij op als privatief vertegenwoordiger van de erfgenamen. Dat betekent dat [K] in deze cassatieprocedure de erfgenamen vertegenwoordigt.4
[L] en [S] zijn daarom niet ontvankelijk in hun cassatieberoep voor zover dit is gericht tegen de gezamenlijke erfgenamen van [W].