Home

Parket bij de Hoge Raad, 06-12-2024, ECLI:NL:PHR:2024:1323, 23/03992

Parket bij de Hoge Raad, 06-12-2024, ECLI:NL:PHR:2024:1323, 23/03992

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
6 december 2024
Datum publicatie
9 januari 2025
ECLI
ECLI:NL:PHR:2024:1323
Formele relaties
Zaaknummer
23/03992

Inhoudsindicatie

Verdeling gemeenschap; benoeming taxateur; heeft de verdelingsrechter ex art. 3:185 BW jo. 679 lid 2 Rv de mogelijkheid om bindend taxateur aan te wijzen?; maatstaf totstandkoming overeenkomst tot bindend advies; ontvankelijkheid cassatieberoep tegen gezamenlijke erfgenamen

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 23/03992

Zitting 6 december 2024

CONCLUSIE

E.B. Rank-Berenschot

In de zaak

1. [eiser 1],

2. [eiser 2],

eisers tot cassatie,

advocaat: mr. M.A.J.G. Janssen

(hierna: [eiser 1] en [eiser 2] )

tegen

1. [verweerder] , in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [erflater] ,

verweerder in cassatie,

advocaat: mr. R.L.M.M. Tan

2. de gezamenlijke erfgenamen van [erflater],

verweerders in cassatie,

niet verschenen

(hierna [verweerder] resp. de gezamenlijke erfgenamen)

1 Inleiding en samenvatting

1.1

In deze verdelingsprocedure gaat het om de verdeling van een eenvoudige gemeenschap tussen de drie deelgenoten, de broers [eiser 1] , [eiser 2] en [erflater] De rechtbank heeft de gemeenschappelijke percelen toegedeeld aan [eiser 1] en [eiser 2] , tegen een door een taxateur vast te stellen waarde. De rechtbank heeft daartoe in haar eindvonnis een taxateur aangewezen die in opdracht van de meest gerede partij de waarde van de percelen bindend dient vast te stellen. Na het eindvonnis heeft de taxateur kenbaar gemaakt zijn opdracht niet te aanvaarden. Partijen hebben zich gewend tot de rechtbank, die vervolgens bij e-mail een nieuwe taxateur heeft genoemd. Deze heeft de percelen getaxeerd. Op het hoger beroep van [erflater] heeft het hof geoordeeld dat de rechtbank niet tot de benoeming van een bindend taxateur heeft kunnen komen en dat na het eindvonnis geen bindend advies is overeengekomen. In cassatie komen [eiser 1] en [eiser 2] met rechts- en motiveringsklachten tegen deze oordelen op. De klachten zien onder meer op de toepassing van art. 679 lid 2 Rv en de totstandkoming van een overeenkomst tot bindend advies. Mijns inziens zijn de klachten tevergeefs voorgesteld.

2 Feiten en procesverloop

2.1

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:1

(i) [erflater] , [eiser 1] en [eiser 2] zijn broers. Zij hebben, samen met [verweerder] (zoon van [erflater] ), een groep van ondernemingen gedreven (hierna: de Groep). Op 11 mei 2017 hebben partijen besloten de Groep te ontvlechten. De tot de Groep behorende vestigingen zijn verdeeld en/of gesplitst.

(ii) Naast de onroerende zaken die behoorden tot de Groep, zijn er bij partijen een drietal onroerende zaken in gezamenlijke eigendom (hierna gezamenlijk: de percelen). Het betreft de volgende onroerende zaken:

1. het kadastraal [perceel 1] , waarop een paardenrenbaan is gelegen;

2. het kadastraal [perceel 2] , waarop een manege is gelegen;

3. het kadastraal [perceel 3] , waarop 8 chalets zijn gelegen.

(iii) [erflater] , [eiser 1] en [eiser 2] zijn gezamenlijk, ieder voor 1/3 deel, eigenaar van de hiervoor genoemde onroerende zaken.

(iv) [erflater] is op 21 juli 2023 overleden.2

(v) [verweerder] is executeur en afwikkelingsbewindvoerder van de nalatenschap van [erflater]3

Eerste aanleg

2.2

Bij inleidende dagvaarding van 18 juli 2018 heeft [erflater] gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bepaalt dat de netto-opbrengst van de verkoop van de drie percelen, kadastraal bekend als [perceel 3] , [perceel 2] en [perceel 1] , onderling naar rato tussen [erflater] , [eiser 1] en [eiser 2] wordt verdeeld nadat deze percelen op een door de rechtbank te bepalen wijze zullen zijn verkocht.

2.3

[eiser 1] en [eiser 2] hebben gemotiveerd verweer gevoerd.4

2.4

Over en weer zijn akten overlegging producties genomen. [eiser 1] en [eiser 2] hebben onder meer een taxatierapport van [taxateur] van 4 februari 2019 overgelegd.5

2.5

Op 6 februari 2019 heeft een comparitie plaatsgevonden.6 Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. De rechtbank heeft bepaald dat partijen zich bij akte op 6 maart 2019 mogen uitlaten over het taxatierapport van [taxateur] d.d. 4 februari 2019 en – zo partijen het daarover niet eens zijn en inmiddels ook geen overeenstemming is bereikt over het vinden van een of meerdere taxateurs die de onroerende zaken zullen taxeren – over de wenselijkheid van de benoeming van een deskundige door de rechtbank.7

2.6

[erflater] heeft bij akte uitlating en wijziging eis (met roldatum 6 maart 2019, ter griffie ontvangen op 15 februari 2019)8, bezwaar gemaakt tegen het taxatierapport van [taxateur] en te kennen gegeven dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de aanwijzing van een deskundige die de waarde van de percelen kan bepalen. Volgens hem dient de rechtbank een onafhankelijke deskundige aan te wijzen om de waarde te bepalen.

2.7

[erflater] vordert na eiswijziging – samengevat – verdeling van de percelen, zodanig dat:

primair:
alle onroerende zaken worden toegedeeld aan [erflater] tegen een waarde van € 3.000.000,- onder de verplichting om aan [eiser 1] en [eiser 2] te betalen een bedrag van € 2.000.000,- kosten koper;
subsidiair:
a. [perceel 3] wordt toegedeeld aan [eiser 1] en [eiser 2] tegen een waarde van € 835.439,-;
b. [perceel 2] en [perceel 1] worden toegedeeld aan [erflater] tegen een waarde van € 1.028.132,-;
c. [erflater] aan [eiser 1] en [eiser 2] een bedrag van € 406.941,66 betaalt, met verdeling van de kosten naar rato;
d. welke toedelingen geschieden onder de opschortende voorwaarde dat partijen in onderling overleg overeenstemming bereikt hebben over de toegankelijkheid en bereikbaarheid van de percelen [perceel 2] en [perceel 1] en dat vast te leggen bij notariële akte;
meer subsidiair:
de netto opbrengst van de drie percelen onderling wordt verdeeld nadat de percelen zijn verkocht op een door de rechtbank te bepalen wijze, op basis van een door de rechtbank aan te wijzen deskundige die de actuele waarde bepaalt;
meest subsidiair:
de verdeling van de drie percelen in goede justitie wordt bepaald op basis van een door de rechtbank aan te wijzen deskundige die de actuele waarde bepaalt.9

2.8

Partijen hebben over en weer gereageerd op het proces-verbaal van 6 februari 2019 en akten genomen.

2.9

Bij akte houdende uitlatingen producties en wijziging eis, tevens houdende uitlating wenselijkheid benoeming deskundige (met roldatum 10 april 2019, ter griffie ontvangen op 9 april 2019)10, hebben [eiser 1] en [eiser 2] zich uitgelaten over de wenselijkheid van de benoeming van een deskundige. Volgens hen is dat niet nodig, gelet op het rapport van [taxateur] .
Daarnaast hebben [eiser 1] en [eiser 2] bij deze akte als verweer tegen de bij akte wijziging eis van [erflater] voorgestelde verdeling een andere verdeling voorgesteld. Volgens [eiser 1] en [eiser 2] zou de rechtbank moeten bepalen dat:

primair:
de drie percelen worden toegedeeld aan [eiser 1] en [eiser 2] tegen een waarde van € 1.863.000,- en tegen betaling aan [erflater] van € 621.000,-;
subsidiair:
de drie percelen worden toegedeeld aan [eiser 1] en [eiser 2] tegen een waarde van € 1.863.000,- en tegen betaling aan [erflater] van € 621.000,- met daaraan gekoppeld een anti-speculatiebeding als omschreven in de akte;
meer subsidiair:
de drie percelen worden toegedeeld aan [eiser 1] en [eiser 2] , tegen een waarde die moet worden vastgesteld door een door de rechtbank aan te wijzen deskundige die de actuele waarde van de percelen bepaalt, tegen betaling aan [erflater] van 1/3 deel van die waarde.11

2.10

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard eindvonnis van 15 januari 202012 heeft de rechtbank Oost-Brabant in het dictum de taxateur ir. ing. T.A. te Winkel aangewezen als taxateur die de waarde van de percelen vaststelt (rov. 5.3) en heeft zij de wijze van verdeling gelast in die zin dat de percelen worden toegedeeld aan [eiser 1] en [eiser 2] tegen de door de genoemde taxateur vast te stellen waarde en onder de verplichting om aan [erflater] een derde deel van de getaxeerde waarde te betalen, dan wel – indien de verdeling (levering) niet binnen zes maanden na betekening van het vonnis is geëffectueerd – de percelen worden toegedeeld aan [erflater] tegen de door de genoemde taxateur vast te stellen waarde en onder de verplichting om aan [eiser 1] en [eiser 2] twee derde deel van de getaxeerde waarde te betalen (rov. 5.1), met bepaling dat het vonnis in de plaats van (een deel van) de akte kan treden (rov. 5.2).

2.11

In het lichaam van het vonnis heeft de rechtbank daartoe onder meer het volgende overwogen:

“4.6. Samenvattend wijst deze belangenafweging op een toedeling van alle percelen aan [ [eiser 1] ] en [ [eiser 2] ].

4.7.

De vraag die dan overblijft is tegen welke waarde de toedeling moet plaatsvinden. Het is partijen, na de zitting, niet gelukt om in onderling overleg tot de aanwijzing van een taxateur te komen.

Partijen hebben, over en weer, de door hen gebruikte taxaties in twijfel getrokken.
(…)

Kortom, het is de meest aangewezen weg om de waarde van de percelen te laten vaststellen door een onafhankelijke taxateur, aan te wijzen door de rechtbank.

De meest gerede partij kan de opdracht tot taxatie verstrekken aan de taxateur.

4.8.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, zal de rechtbank dus overgaan tot het aanwijzen van een taxateur om de waarde vast te stellen waartegen de percelen aan [ [eiser 1] en [eiser 2] ] kunnen worden toegedeeld.

Deze taxatie zal bindend dienen te zijn tussen partijen en niet opnieuw reden mogen worden voor het ontstaan van nieuwe discussies of een voortzetting van reeds lopende discussies. Om die reden en om reden van proces-economie, zal de rechtbank een eindvonnis wijzen, waarin de taxateur wordt aangewezen. Zowel de taxatie als de toedeling en levering zullen moeten plaatsvinden na het wijzen van dit vonnis. (...)"

Na het eindvonnis 13

2.12

Bij e-mail van 20 februari 2020 heeft de door de rechtbank aangewezen taxateur, T.A. te Winkel, verklaard dat hij heeft besloten de opdracht niet te aanvaarden.

2.13

Partijen hebben zich vervolgens tot de rechtbank gewend. In de e-mail van de griffier van de rechtbank aan partijen d.d. 27 februari 202014 staat:

“(…)

Bij vonnis van 15 januari 2020 heeft de rechtbank [ [eiser 2] ] en [ [eiser 1] ] de mogelijkheid gegeven om als meest gerede partij de opdracht te geven aan een taxateur om te komen tot een taxatie van de in de verdeling betrokken onroerende zaken. Uiteraard heeft de rechtbank de betreffende, genoemde, taxateur vooraf benaderd met de vraag of hij een dergelijke opdracht wenst aan te nemen.

Daarop heeft de heer Te Winkel positief gereageerd. Groot was dan ook de verbazing bij het bericht dat de heer Te Winkel zijn opdracht heeft 'terug gegeven'.

De rechtbank heeft geen opdracht verstrekt en ook uit het vonnis zelf vloeit geen opdracht voort. Duidelijk is in het vonnis opgenomen dat de meest gerede partij daartoe de opdracht dient te verstrekken. Voor de hand lag dat [ [eiser 2] ] en [ [eiser 1] ] de meest gerede partij zouden zijn. Voor het overige zal er - in afwijking van de gebruikelijke benoeming van een deskundige - geen rol meer zijn voor de rechtbank. Dat vloeit duidelijk voort uit de inhoud van het vonnis en uit het gegeven dat het om een eindvonnis gaat en niet een tussenvonnis betreft.

(...)

Tegelijkertijd stelt de rechtbank vast dat beide partijen zouden kunnen instemmen met het aandragen van een naam van een andere taxateur.

Terecht is opgemerkt dat de artikelen 31 en 32 Rv daarvoor geen grondslag bieden. Van dergelijke situaties als in de artikelen bedoeld, is hier geen sprake.

Namens [ [erflater] ] is voorgesteld om op basis van analoge toepassing van 194 lid 4 Rv, een nieuwe deskundige te benoemen. De rechtbank maakt daaruit op dat [ [erflater] ] instemt met het noemen van een nieuwe naam van een taxateur, mits de in het vonnis opgenomen termijnen waarbinnen de taxatie en verdeling gerealiseerd dienen te zijn, gehandhaafd blijven.

Vooropgesteld dat, nu hiertegen geen bezwaar is gemaakt, beide partijen instemmen met het aandragen van een andere naam van een taxateur die uitvoering kan geven aan de opdracht die op basis van het vonnis van 15 januari 2020 door de meest gerede partij zal worden verstrekt, is de rechtbank bereid om mogelijk tot analoge toepassing van 194 lid 4 Rv te komen.

Daarbij tekent de rechtbank het volgende aan, stelt zij de volgende voorwaarden.

1. Anders dan de berichten van zowel [ [eiser 2] ] en [ [eiser 1] ], als van [ [erflater] ] lijken te impliceren, zal de rechtbank geen deskundige benoemen in de zin van 194 lid 4 Rv.

2. De rechtbank zal overgaan tot het noemen van een naam van een taxateur, waarna conform het vonnis van 15 januari 2020 de meest gerede partij opdracht verstrekt tot de taxatie.

3. De termijnen in het vonnis van 15 januari 2020 blijven gehandhaafd. De verstreken tijd kan niet aan [ [erflater] ] worden tegengeworpen. Daar komt bij dat de termijnen ruim gesteld zijn, zodat niet op voorhand reeds een langere duur voor het realiseren van de verdeling vereist is.

4. De rechtbank zal op zo kort mogelijke termijn overgaan tot het noemen van een naam van een taxateur, maar is daarbij afhankelijk van opstelling van te benaderen taxateur(s). Ook voor de nieuw te noemen taxateur geldt dat hij zal zorgen voor een taxatie die conform het vonnis van 15 januari 2020, voor partijen bindend is, onder toepassing van alle toepasselijke overwegingen en beslissingen van het vonnis van 15 januari 2020. De rechtbank, zal, voor zoveel mogelijk ter voorkoming van misverstanden, het vonnis ter beschikking stellen aan een door de rechtbank te benaderen taxateur.

5. De rechtbank gaat er vanuit dat de termijn voor hoger beroep niet wordt gestuit door de onderhavige mogelijkheid. Het blijft dus de verantwoordelijkheid van partijen zelf om te besluiten al dan niet hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van 15 januari 2020. Ook als de termijn die gemoeid zal zijn met het noemen van de nieuwe naam van de taxateur (bij vonnis) langer zal duren dan de einddatum van de termijn voor hoger beroep tegen het vonnis van 15 januari 2020.

6. Beide partijen dienen binnen 7 dagen na heden, schriftelijk te laten weten of zij in kunnen stemmen met de hierbij onder 1 tot en met 6 genoemde punten. Verneemt de rechtbank binnen de genoemde termijn geen bericht of een afwijzend bericht, dan blijft het op de weg van de meest gerede partij liggen om de opdracht, conform het vonnis van 15 januari 2020, te verstrekken aan de in het vonnis van 15 januari 2020 genoemde taxateur.

7. Naar de mening van de rechtbank staat het partijen ook nog steeds vrij om - indachtig de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 15 januari 2020, in onderling overleg zelf een andere taxateur aan te wijzen.

De rechtbank wenst dus uiterlijk 6 maart 2020 schriftelijk bericht te ontvangen van partijen. (...)"

2.14

[erflater] , [eiser 1] en [eiser 2] hebben ingestemd met het aandragen van een nieuwe naam door de rechtbank.

2.15

Vervolgens is, in de brief aan partijen van de (griffier van de) rechtbank van 8 april 202015, de heer Boertjes (hierna: Boertjes) als deskundige aangewezen.

2.16

Boertjes heeft in zijn taxatierapport van 8 juni 202016 de percelen getaxeerd op € 2.230.000.

2.17

Op 15 juli 2020 is het vonnis van 15 januari 2020 ingeschreven in de openbare registers,17 waarmee de eigendomsoverdracht van de percelen aan [eiser 1] en [eiser 2] heeft plaatsgevonden.18
[erflater] heeft van [eiser 1] en [eiser 2] een bedrag ad € 743.333,33 ontvangen.19

Het hoger beroep

2.18

Bij dagvaarding van 8 april 2020 heeft [erflater] bij het hof ’s-Hertogenbosch (hierna: het hof) hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.20

2.19

In zijn memorie van grieven van 25 mei 2021 heeft [erflater] vier grieven aangevoerd, die zijn gericht tegen: (1) het aanwijzen van een taxateur en het bindend zijn van de taxatie; (2) de vaststelling van de waarde van de percelen door een taxateur; (3) de levering van de onroerende zaken aan [eiser 1] en [eiser 2] ; en (4) de opschortende voorwaarde bij toedeling aan [erflater]21

2.20

[erflater] heeft in hoger beroep geconcludeerd tot vernietiging en opnieuw rechtdoende:

primair (bij algemene vernietiging):

tot toewijzing van de door de rechtbank afgewezen vorderingen in conventie en veroordeling van [eiser 1] en [eiser 2] tot het verlenen van medewerking aan alle (rechts)handelingen die nodig zijn voor levering van (een deel van) de onroerende zaken aan [erflater] ;

subsidiair (bij partiële vernietiging):

tot veroordeling van [eiser 1] en [eiser 2] tot betaling aan [erflater] van 1/3 deel van de waarde van de reeds geleverde onroerende zaken, begroot op € 3.000.000,-, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag aan de hand van een door het hof aan te wijzen deskundige die de waarde van de onroerende zaken bepaalt, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van levering, althans een door het hof te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening, een en ander onder verrekening van het reeds door [erflater] ontvangen bedrag van € 743.333,33.

2.21

Bij tussenarrest van 21 september 202122 heeft het hof vastgesteld dat [erflater] het hoger beroep niet heeft ingeschreven in het rechtsmiddelenregister als bedoeld in art. 433 Rv. Het heeft overwogen dat [erflater] op die grond in zijn grieven 3 en 4 niet ontvankelijk zal worden verklaard, maar wel ontvankelijk is wat betreft de grieven 1 en 2 (en de voor dat geval ingestelde nieuwe subsidiaire vordering) (rov. 5.9 jo. 5.2). Het hof heeft, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, bepaald dat tegen dit tussenarrest tussentijds cassatieberoep openstaat. Daarvan hebben partijen geen gebruik gemaakt.

2.22

[eiser 1] en [eiser 2] hebben bij memorie van antwoord van 2 november 2021 gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van de grieven 1 en 2.

2.23

Op 23 januari 2023 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Beide partijen hebben spreekaantekeningen overgelegd.

2.24

Bij het thans bestreden tussenarrest van 28 februari 202323 heeft het hof geoordeeld dat de grieven 1 en 2 slagen (rov. 8.21). Voorts heeft het hof overwogen een deskundigenonderzoek naar de waarde van de percelen noodzakelijk te achten en partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over het voornemen van het hof om drie deskundigen te benoemen, de persoon van de deskundigen en de aan dezen voor te leggen vragen.

2.25

Ieder van partijen heeft een akte genomen. [eiser 1] en [eiser 2] hebben hierbij tevens verzocht om het openstellen van tussentijds cassatieberoep.

2.26

Bij arrest van 18 juli 202324 heeft het hof, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, tussentijds cassatieberoep opengesteld tegen het tussenarrest van 28 februari 2023.

In cassatie

2.27

[eiser 1] en [eiser 2] hebben bij procesinleiding van 16 oktober 202325 - tijdig26 - cassatieberoep ingesteld tegen het tussenarrest van 28 februari 2023. De gezamenlijke erfgenamen van [erflater] zijn niet verschenen; tegen hen is verstek verleend. Na zuivering van het tegen hem verleende verstek heeft [verweerder] geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep en heeft hij zijn standpunt schriftelijk toegelicht. [eiser 1] en [eiser 2] hebben gerepliceerd.

3 Ontvankelijkheid

3.1

[erflater] is gedurende de cassatietermijn, op 21 juli 2023, overleden. [eiser 1] en [eiser 2] hebben het cassatieberoep gericht tegen (1) [verweerder] , in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [erflater] , en (2) de gezamenlijke erfgenamen van [erflater]

3.2

Volgens de door [verweerder] in het geding gebrachte (door [eiser 1] en [eiser 2] niet betwiste) notariële ‘Verklaring van executele met afwikkelingsbewind’ d.d. 8 augustus 202327 is [verweerder] in het testament van [erflater] aangewezen als executeur en afwikkelingsbewindvoerder, heeft [verweerder] deze benoeming aanvaard, heeft [verweerder] onder meer het beheer over de nalatenschap en vertegenwoordigt hij gedurende het beheer de erfgenamen in en buiten rechte waar het de nalatenschap betreft.

3.3

Het geschil betreft de (omvang van de) overbedelingsvordering van [erflater] zoals die voortvloeit uit de (onaantastbare28) toedeling van de percelen aan [eiser 1] en [eiser 2] Uit het voorgaande volgt dat [verweerder] de erfgenamen ter zake in rechte vertegenwoordigt. Nu de executeur in rechte optreedt als privatief vertegenwoordiger van de erfgenamen,29 dienen [eiser 1] en [eiser 2] niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun cassatieberoep voor zover dit is ingesteld tegen de gezamenlijke erfgenamen van [erflater]

4 Bespreking van het cassatiemiddel

5 Conclusie